Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/2.4.3.3
2.4.3.3 Frankrijk
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS471929:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. L. 313-23 e.v. Code monétaire en financier. Zie hierover bijvoorbeeld ook R. Jansen 2009/526. Voor het algemene burgerlijk recht is de cessie van toekomstige vorderingen uitdrukkelijk erkend in Cass. 1 Civ., 20 maart 2001, nr. 99-14.982, Recueil Dalloz 2001, p. 3110, m.nt. L. Aynes.
Zie art. 2355 en 2361 Cc.
Art. 2361 Cc. Werking jegens de schuldenaar vereist mededeling van de verpanding aan hem, zie art. 2362 Cc.
Art. 2356 Cc. Zie ook Malaurie/Aynès & Crocq 2011, nr. 526.
Zie voor Frankrijk art. 2357 Cc. Zie ook Malaurie/Aynès & Crocq 2011/526. Zie voor België art. 78 Hypotheekwet van 16 december 1851.
Zo ook R. Jansen 2009/525-526.
Art. 2333 Cc. Zie ook Malaurie/Aynès & Crocq 2011/503.
Vgl. de art. 2337 en 2338 Cc. Het tijdstip van deze inschrijving bepaalt de onderlinge rang tussen meerdere “stil” pandhouders (art. 2340 Cc).
Art. L. 527-1 t/m 527-11 Code de Commerce.
35. De belemmeringen die het Franse zekerhedenrecht kende ten aanzien van toekomstige goederen zijn in 2006 opgeheven. Ter gelegenheid van het tweehonderdjarig bestaan van de Code civil is onder meer het zekerhedenrecht grondig herzien. De invoering in 1981 van de stille cessie en verpanding van vorderingen ten behoeve van kredietinstellingen, de zogenaamde “Dailly-cessie”, had de mogelijkheden om over toekomstige vorderingen te beschikken al aanzienlijk verruimd.1 De wetswijziging van 1981 had tot doel de overdracht of verpanding van vorderingen door professionele partijen aan kredietinstellingen te vereenvoudigen. Bij deze vorm van cessie en verpanding kunnen ook toekomstige vorderingen bij voorbaat worden gecedeerd. Bij de hervormingen van het Franse zekerhedenrecht in 2006 heeft deze Dailly-cessie model gestaan voor de nieuwe algemene regels inzake het pandrecht op vorderingen (nantissement) in de Code civil. Deze wet bepaalt thans uitdrukkelijk dat ook toekomstige (onlichamelijke roerende) goederen en toekomstige vorderingen in onderpand kunnen worden gegeven.2 De verpanding van tegenwoordige dan wel toekomstige vorderingen geschiedt door middel van een enkele pandakte.3 Deze akte dient de toekomstige vorderingen te individualiseren of de daartoe noodzakelijke elementen te bevatten, zoals de debiteur, de plaats van betaling en de omvang van de vordering.4 De pandhouder verkrijgt echter pas een recht op de vordering zodra de vordering ontstaat.5 De verpanding van toekomstige vorderingen lijkt daarom niet faillissementsbestendig te zijn. Een tussentijds faillissement van de pandgever lijkt de totstandkoming van het pandrecht te frustreren.6
Sinds 2006 bepaalt de Code civil eveneens uitdrukkelijk dat een pandrecht (gage) gevestigd kan worden op toekomstige roerende zaken of op een algemeenheid (ensemble) van roerende zaken.7 Het pandrecht wordt tegenwerpelijk aan derden door middel van een daad van publiciteitsverlening. De publiciteit kan worden verleend door verschaffing van de macht over het onderpand, maar ook door de inschrijving van het pandrecht in een speciaal register.8 Een bijzondere toepassing van deze vorm van zekerheid is de invoering in de Code de Commerce van een pandrecht op een (wisselende) voorraad (gage de stock).9