Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/8.4
8.4 Het eigendomsrecht in het EU-Handvest van de Grondrechten
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197404:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 24 november 1995, nr. 19589/92 (British-American Tobacco Company v. Netherlands).
EHRM 5 juli 2005, nr. 28743/03 (Melnychuk v. Ukraine).
EHRM 11 januari 2007, nr. 73049/01 (Anheuser- Busch Inc. v. Portugal).
Aldus Torremans 2014, p. 513. Volgens hem kan het recht op intellectuele eigendom op gespannen voet staan met de vrijheid van meningsuiting en informatie (artikel 11), de vrijheid van ondernemerschap (artikel 16), het recht op onderwijs (artikel 14), de bescherming van persoonsgegevens (artikel 8), de vrijheid van kunsten en wetenschappen (artikel 13) en gezondheidsbescherming (artikel 35).
Barkhuysen & Bos 2011, p. 22 vragen zich af of in artikel 17, lid 2, niet een positieve verplichting ingelezen kan worden, bijvoorbeeld een verplichting om de mogelijkheid aan te bieden om intellectueel eigendom te registeren.
Wollenschläger 2014, p. 473.
HvJ 21 februari 1991, gevoegde zaken C-143/88 en C-92/89 Zuckerfabrik Süderdithmarschen and Zuckerfabrik Soest v Hauptzollamt Itzehoe and Hauptzollamt Paderborn, ECLI:EU:C:1991:65.
HvJ 11 juni 2015, zaak C-98/14 Berlington e.a. tegen Magyar Állam, ECLI:EU:C:2015:386.
Vgl. het hierna nog te bespreken arrest Pfleger.
Terra/Wattel 2018, p. 167, Poelmann 2014 en Pauwels 2018 gaan er ook vanuit dat eigendomsaantasting door belastingheffing binnen de reikwijdte van artikel 17 Handvest valt.
Het recht op eigendom is opgenomen in artikel 17 Handvest. Deze bepaling luidt als volgt:
“1. Eenieder heeft het recht de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen in eigendom te bezitten, te gebruiken, erover te beschikken en te vermaken. Aan niemand mag zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits zijn verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. Het gebruik van de goederen kan worden geregeld bij de wet voorzover het algemeen belang dit vereist. 2. Intellectuele eigendom is beschermd.”
Volgens de toelichting is de formulering ten opzichte van artikel 1 Eerste Protocol gemoderniseerd, maar heeft het eigendomsrecht in overeenstemming met artikel 52, lid 3, van het Handvest dezelfde inhoud en reikwijdte. Beperkingen van het eigendomsrecht zijn weliswaar geoorloofd, maar deze mogen de door het EVRM toegestane beperkingen niet overschrijden. Artikel 17 moet worden gelezen in samenhang met artikel 52, lid 1, waarin is bepaald dat:
“Beperkingen op de uitoefening van de in dit handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen alleen beperkingen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen beantwoorden.”
Artikel 17 en artikel 52 in samenhang bezien, leiden dus tot een vergelijkbaar toetsingsschema als artikel 1 Eerste Protocol. Beoordeeld moet worden of een aantasting van eigendom gerechtvaardigd kan worden doordat deze (i) een wettelijke grondslag heeft, (ii) een doelstelling in het algemeen belang dient, en (iii) proportioneel is. Daaraan voegt het Handvest nog toe dat de wezenlijke inhoud van het eigendomsrecht geëerbiedigd moet worden. Deze voorwaarde stelde het HvJ, zoals boven bleek, ook al in zijn jurisprudentie over eigendom als algemeen beginsel van EU-recht. Gelet op de concordantie tussen artikel 17 van het Handvest en artikel 1 Eerste Protocol lijkt de betekenis van deze voorwaarde echter beperkt.
Een ander verschil ten opzichte van artikel 1 Eerste Protocol is dat artikel 17 Handvest expliciet vermeldt dat ingeval van onteigening tijdig een billijke vergoeding moet worden betaald. Dit vloeit echter ook voort uit de rechtspraak van het EHRM, zodat er wat dat betreft inhoudelijk geen verschil bestaat met artikel 1 Eerste Protocol. Een in het oog springende bepaling is het tweede lid van artikel 17 Handvest, waarin is bepaald dat “intellectuele eigendom is beschermd”. Dit lijkt een overbodige bepaling, aangezien het niet voor twijfel vatbaar is dat intellectuele eigendom ook onder de algemene bescherming van het eerste lid valt. Artikel 17 Handvest heeft immers dezelfde reikwijdte als artikel 1 Eerste Protocol en het EHRM beschouwt intellectuele rechten als patenten1, auteursrechten2 en merkenrechten3 zonder meer als “possession” in de zin van artikel 1 Eerste Protocol. Een verklaring voor de expliciete vermelding van intellectuele eigendom is mogelijk de potentieel conflictueuze verhouding van deze vorm van eigendom ten opzichte van andere rechten en vrijheden die door het Handvest worden beschermd.4 Het zou ook opgevat kunnen worden als een waarschuwing aan economische en exporterende machtsblokken buiten de EU die het niet zo nauw nemen met andermans intellectuele eigendom.5
Een laatste hier te vermelden verschil met artikel 1 Eerste Protocol is het ontbreken van een tekst van de strekking van het tweede lid van art. 1 Eerste Protocol, dus ook van een verwijzing naar belastingen. Ook wordt in de toelichting bij artikel 17 Handvest met geen woord over belastingen gerept. Veel kan daaruit mijns inziens echter niet worden afgeleid. Zoals volgt uit het voorgaande heeft het Handvest dezelfde inhoud en reikwijdte als het door het EVRM gewaarborgde corresponderende recht. Aangezien belastingheffing volgens vaste rechtspraak van het EHRM eigendom aantast en daarom binnen de reikwijdte van artikel 1 Eerste Protocol valt, moet worden aangenomen dat dat ook geldt voor artikel 17 Handvest. Toch blijkt uit de literatuur dat er twijfels bestaan of het Handvest wel kan worden ingeroepen door belastingplichtigen.6 Dit wordt gebaseerd op een letterlijke lezing van de tekst van artikel 17 Handvest, waarin is bepaald dat alleen eigendom van rechtmatig verkregen goederen wordt beschermd. Omdat belastingen over het algemeen niet ten laste komen van ‘verkregen goederen’, maar van het vermogen als geheel, zouden belastingen in deze zienswijze buiten de reikwijdte van artikel 17 Handvest vallen. Heffingen die rechtstreeks samenhangen met de verkrijging, het gebruik of de verkoop van een vermogensbestanddeel (gedacht zou kunnen worden aan de BTW en accijnzen) zouden dan weer wel worden bestreken. Verder is er een oud arrest van het HvJ over de geldigheid van een EEG-verordening waarmee een speciale compensatieheffing voor de suikersector werd ingesteld, waaruit afgeleid zou kunnen worden dat belastingen destijds niet onder het Europese eigendomsgrondrecht vielen.7 In deze zaak had de verwijzende rechter onder meer de prejudiciële vraag gesteld of de speciale compensatieheffing in strijd kwam met de in het gemeenschapsrecht geldende grondrechten van eigendom en van vrije beroepsuitoefening, in gevallen waarin deze heffing niet meer uit de gemaakte winst, doch slechts uit de reserves kon worden gefinancierd en daardoor bestaansbedreigend werd. Het HvJ kwam niet toe aan een inhoudelijk beantwoording van die vraag, omdat hij de verplichting om de suikerheffing te betalen niet zag als een beperking van het eigendomsrecht:
“73 Het Hof heeft reeds erkend (…), dat het genot van het eigendomsrecht en de vrijheid van beroepsuitoefening met name in het kader van een gemeenschappelijke marktordening aan beperkingen kunnen worden onderworpen, voor zover zulke beperkingen werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die de Gemeenschap nastreeft en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast.
74 Zoals het Verenigd Koninkrijk terecht heeft opgemerkt, kan de verplichting, een heffing te betalen, niet als een beperking van het eigendomsrecht worden aangemerkt.
75 De speciale compensatieheffing schendt dus op generlei wijze het eigendomsrecht van de suikerfabrikanten.”
Ik meen dat deze ongemotiveerde r.o. 74 als achterhaald kan worden beschouwd, aangezien de EU grondrechten thans dezelfde reikwijdte hebben als het EVRM (zie hiervoor). De bevestiging daarvan is onder meer het arrest Berlington8 over een forfaitaire kansspelbelasting op de exploitatie van speelautomaten in speelzalen. In deze zaak kwam het HvJ weliswaar niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep op artikel 17 Handvest, maar dat was omdat het al een schending van de vrijheid van dienstenverkeer had geconstateerd en een afzonderlijke toetsing aan het eigendomsgrondrecht daarom niet meer nodig was.9 Als het HvJ nog steeds dezelfde opvatting over eigendom en belastingen zou hanteren als in de zaak over de suikerheffing, zou hij de eigendomsvraag in Berlington op een andere manier hebben beantwoord. Mij lijkt geen andere conclusie mogelijk dan dat eigendomsaantastingen door belastingmaatregelen thans binnen de reikwijdte van artikel 17 Handvest vallen.10 Daarmee is overigens niet gezegd dat alle belastingzaken binnen de reikwijdte van het Handvest vallen. Een belangrijke voorwaarde voor de inroepbaarheid van het Handvest tegenover een lidstaat is immers (zie artikel 51 Handvest) dat met de betrokken nationale belastingwetgeving het EU-recht ‘ten uitvoer’ wordt gelegd. Dat is, grof gezegd, bij indirecte belasting in beginsel wel het geval en bij directe belastingen in beginsel niet.