Vastgoedtransacties in de Europese btw
Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6.4.2:7.6.4.2 Hof van Justitie
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.6.4.2
7.6.4.2 Hof van Justitie
Documentgegevens:
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291149:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 6 december 2007, zaak C-451/06, V-N 2008/3.22 (Walderdorff).
HvJ EG 3 februari 2000, zaak C-12/98, ECLI:EU:C:2000:62 (M. Amengual Far/J. Amengual Far).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat het verlenen van een vis- of jachtrecht niet snel een verhuurdienst is. Zo blijkt uit het Walderdorff-arrest1 dat het verlenen van een visrecht geen verhuurdienst is indien de houder van dit recht hiermee geen exclusief gebruiksrecht ontvangt. Omdat in dat geval sprake is van een van rechtswege belaste dienst, komt dit materieel op hetzelfde neer als een uitzondering op de vrijstelling voor de verhuur van onroerend goed. De vraag of het verlenen van bepaalde rechten, zoals vis- en jachtrechten, al dan niet als een verhuurdienst kwalificeren, en dus op grond van art. 135 lid 2 Btw-richtlijn uitgezonderd kunnen worden van de vrijstelling voor de verhuur van onroerend goed, kan derhalve uit pragmatische overwegingen onbeantwoord blijven indien een van rechtswege belaste verhuurdienst hetzelfde btw-lot is beschoren als een andere dienst dan verhuur.
In de zaak M. Amengual Far/J. Amengual Far is aan het Hof van Justitie de vraag voorgelegd of lidstaten de vrijstelling voor de verhuur van een onroerend goed op grond van (thans) art. 135 lid 2, laatste zin Btw-richtlijn zo ver mogen beperken dat enkel de verhuur van woonruimte vrijgesteld is. In dat geval kan immers niet meer gezegd worden dat de btw-heffing ter zake van de verhuur van onroerend goed een uitzondering is op de regel dat de verhuur van onroerend goed vrijgesteld is, maar is het belasten van de verhuur van onroerend goed de regel. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat lidstaten op grond van (thans) art. 135 lid 1, onderdeel l en art. 135 lid 2 Btw-richtlijn beschikken over een ruime vrijheid om de verhuur van onroerend goed al dan niet aan btw-heffing te onderwerpen. Omdat een richtlijn verbindend is ten aanzien van het te bereiken resultaat, is het niet van belang of het van rechtswege belasten van de verhuur van onroerend goed in de nationale wetgeving is geformuleerd als een uitzondering op de vrijstelling dan wel als regel.2