Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.3.1.4
7.3.1.4 Fiscale neutraliteit
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291068:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In de Nederlandse taalversie wordt ten onrechte het (beperktere) begrip ‘gebouwen’ gebruikt (zie paragraaf 7.6.3.1).
Toelichting op art. 14, B, onderdeel d Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 758.
De Duitse taalversie luidt: “(…) Die Gründe, die für der Steuerbefreiungen bei der Vermietung von Wohngebäuden und bei landwirtschaftlichen Pachtverhältnissen sprechen, gelten nicht für die Fälle einer Vermietung im Rahmen des Hotelgewerbes und einer vermietung von Grun[d;MvdW]stücken, die Gewerblichen zwecken dienen.”
De Engelse taalversie luidt: “(…) But the arguments which justify the exemption of lettings of premises as dwellings and of agricultural tenancies no longer apply in the case of hotel premises or the lettings for industrial or commercial purposes.”
De Franse taalversie luidt: “(…) Mais les raisons qui militent en faveur de l’exonération des locations d’immeubles d’habitation et des affermages agricoles ne trouvent pas d’application en cas de locations dans le cadre du secteur hôtelier, et en cas de locations présentant le caractère d’affaires industrielle et commerciale.”
Toelichting op art. 14, B, onderdeel d Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 758.
Vgl. toelichting op art. 5 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 752.
De Europese Commissie heeft in art. 14, B, onderdeel d, punt 2 Voorstel voor een zesde richtlijn voorgesteld om ‘de verhuur van onroerende goederen1 die voor industriële of commerciële doeleinden worden gebezigd’ uit te zonderen van de vrijstelling voor de verhuur van onroerend goed. In de Nederlandse taalversie van de toelichting op dit artikel wordt opgemerkt dat ‘de redenen die pleiten voor het vrijstellen van de verhuur van woningen en de verpachtingen in de landbouw niet gelden voor de verhuur in het kader van het hotelbedrijf of de verhuur met een industrieel of commercieel bedrijfskarakter’.2 Deze toelichting, en met name de aanduiding ‘verhuur met een bedrijfskarakter’, lijkt niet goed aan te sluiten bij de tekst van art. 14, B, onderdeel d, punt 2 Voorstel voor een zesde richtlijn op grond waarvan niet de hoedanigheid van de verhuurder, maar de bestemming van het gehuurde (‘de verhuur van onroerend goed dat voor industriële en commerciële doeleinden wordt gebruikt’) beslissend is voor de uitzondering op de vrijstelling.
Een vergelijking met de Duitse, Franse en Engelse taalversie van deze toelichting laat zien dat de Nederlandse taalversie van de toelichting op art. 14, B, onderdeel d Voorstel voor een zesde richtlijn ongelukkig is geformuleerd. In de Duitse3 en Engelse taalversie4 wordt – conform de tekst van art. 14, B, onderdeel d, punt 2 Voorstel voor een zesde richtlijn – de bestemming van het gehuurde onroerend goed beslissend geacht voor het van rechtswege belasten van deze verhuurdienst. In de Franse taalversie5 ligt de nadruk meer op de (zakelijke en commerciële) aard van het gehuurde onroerend goed. Hoewel de aard van het verhuurde onroerend goed en de bestemming veelal samenvalt, hoeft dat niet altijd het geval te zijn (bijv. verhuur kantoorgebouw voor anti-kraakbewoning). Om die reden sluiten de Duitse en Engelse taalversie van de toelichting naar mijn mening beter aan bij de tekst van art. 14, B, onderdeel d, punt 2 Voorstel voor een zesde richtlijn door de zakelijke en commerciële bestemming van het gehuurde beslissend te achten voor de uitzondering op de ‘verhuurvrijstelling’.
In de toelichting op art. 14, B, onderdeel d Voorstel voor een zesde richtlijn is door de Europese Commissie slechts een negatieve rechtvaardiging gegeven voor het belasten van de verhuur van onroerend goederen die voor industriële of commerciële doeleinden worden gebruikt: de redenen die gelden voor de verhuur van woonruimte en de verhuur van landbouwgrond gaan niet op.6 Omdat voor deze uitzondering op de ‘verhuurvrijstelling’ niet de hoedanigheid van de verhuurder beslissend is maar de bestemming van het gehuurde, meen ik dat de Europese Commissie met ‘de redenen’ uitsluitend de sociale en economische redenen voor de ‘verhuurvrijstelling’ bedoeld kan hebben. Dat de sociale reden voor de ‘verhuurvrijstelling’ niet opgaat valt te begrijpen, aangezien die reden uitsluitend opgaat voor de verhuur van woonruimte (zie paragraaf 7.3.1.2). Bovendien, indien het gehuurde bestemd is voor aftrekgerechtigde bedrijfsdoeleinden, dan zou het toepassen van de vrijstelling niet leiden tot een huurverlaging, zoals de sociale reden voor de vrijgestelde verhuur van woningen veronderstelt (zie paragraaf 7.3.1.2), maar tot een huurverhoging! Ook de vlieger van de economische reden voor de verhuurvrijstelling gaat niet op voor de verhuur van onroerend goed dat voor industriële of commerciële doeleinden wordt gebruikt. Voor huurders die een onroerend goed voor industriële of commerciële doeleinden huren is geen vrijstelling nodig om probleem te voorkomen dat verband houdt met het toepassen van een bijzondere btw-regeling voor landbouwers (zie paragraaf 7.3.1.3), aangezien op deze huurders in beginsel de normale btw-regels van toepassing zijn. Een vrijstelling van de verhuur is evenmin nodig is om een gelijke btw-druk op de koop en de huur van dit onroerend goed te bewerkstelligen. Bij de aankoop van onroerend goed ten behoeve van industriële of commerciële doeleinden is de (eventuele) btw voor de koper in beginsel aftrekbaar waardoor een vrijstelling van de huur van dit vastgoed niet nodig is om te zorgen voor een vergelijkbare btw-druk van koop en huur. Integendeel, het vrijstellen van de verhuur van onroerend goed dat voor industriële of commerciële doeleinden wordt gebruikt zou juist leiden tot een zwaardere btw-druk op de huur!
Naar mijn mening valt over de rechtvaardiging voor het belasten van de verhuur van onroerend goed dat voor industriële of commerciële doeleinden wordt gebruikt meer te zeggen dan de Europese Commissie heeft gedaan. In art. 4 lid 3, onderdeel a Voorstel voor een zesde richtlijn was voorgesteld om de poort van de belastingplicht te openen voor de exploitant van een lichamelijke zaak om er op min of meer duurzame wijze een opbrengst uit te verkrijgen teneinde een betere neutraliteit te waarborgen (zie paragraaf 3.4.2). Die voorgestelde verruiming van de belastingplicht in combinatie met de uitzondering op de ‘verhuurvrijstelling’ in art. 14, B, onderdeel d, punt 2 Voorstel voor een zesde richtlijn betekende dat de verhuur van onroerende goederen die voor industriële of commerciële doeleinden worden gebruikt belast was, ongeacht de hoedanigheid van de verhuurder.7 Hierdoor werd cumulatie (en daarmee concurrentieverstoring) bij de verhuur van onroerend goed aan een aftrekgerechtigde belastingplichtige voorkomen. Naar mijn mening kan het beginsel van de fiscale neutraliteit daarom als de positieve rechtvaardiging voor deze voorgestelde uitzondering op de (technische reden voor de) ‘verhuurvrijstelling’ worden beschouwd. Voor de lidstaten was deze imperatieve uitzondering op de ‘verhuurvrijstelling’ een stap te ver waardoor de in art. 14, B, onderdeel d, punt 2 voorgestelde uitzondering niet te vinden is in (thans) art. 135 lid 2 Btw-richtlijn (zie paragraaf 7.6.3.1).