Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/15.4.3
15.4.3 Samenwerking door institutionele beleggers
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS368854:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie aldus Eumedion 2006 – Position paper acting in concert, p. 4. Vgl. de vraag van de CDA-fractie bij de totstandkoming van de verplicht bod-regeling, zie Kamerstukken II, 2006/07, 30 419, nr. 20, p. 3.
Eumedion 2006 – Position paper acting in concert, p. 1. De bij Eumedion aangesloten partijen hebben een gemiddeld belang in Nederlandse beursfondsen van zo’n 20% volgens HFD 9 juli 2009. Eumedion zelf gaat uit van een percentage van 25%, zie Eumedion 2016 – Evaluatie seizoen 2016.
Idem.
Zie bijvoorbeeld de Eumedion Best Practices voor betrokken aandeelhouderschap van 30 juni 2011, best practice 3 en 4 <www.eumedion.nl>.
Eumedion 2006 – Position paper acting in concert, p. 4.
Kamerstukken II, 2006/07, 30 419, nr. 20, p. 15 en Kamerstukken I, 2006/07, 30 419, C, p. 1.
Terzijde merk ik op dat ook in het kader van de implementatie van de AIFM-richtlijn inzake regels voor beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (richtlijn nr. 2011/61/EU) uiteindelijk is afgezien van een vrijstelling voor beheerders van beleggingsinstellingen waarin enkel pensioenfondsen deelnemen, zie Kamerstukken I, 2012/13, 33 235, nr. E. Deze implementatie heeft op 22 juli 2013 haar beslag gekregen met de Wet van Wet van 12 juni 2013 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, het Burgerlijk Wetboek, de Wet op de economische delicten en enige fiscale wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) Nr. 1060/2009 en (EU) Nr. 1095/2010 (PbEU 2011, L 174), Stb. 2013/228.
Idem Rebers 2007, p. 364-365.
Zo is in het Verenigd Koninkrijk door institutionele beleggers aangedrongen op een categorische vrijstelling, alsmede op een status aparte bij de toepassing van de acting in concert-regels, zie Panel Consultation Paper 2002/10 “Shareholder activism and acting in concert”, nr. 2.6-2.7 en 2.10-2.11.
Er is ook een lans gebroken voor een vrijstelling van de biedplicht voor samenwerking door institutionele beleggers.1 De achterliggende gedachte is tweeledig. In de eerste plaats houden institutionele beleggers vaker grote belangen in beursvennootschappen dan andere beleggers2 en oefenen zij hun aandeelhoudersrechten actiever uit.3 Bijna alle gedragscodes voor institutionele beleggers nopen daar ook toe; sommigen schrijven zelfs voor dat institutionele beleggers dit gezamenlijk doen.4 Gelet hierop zullen institutionele beleggers mogelijk eerder tegen een biedplicht aanlopen (vgl. § 2.4.2). Dit is onwenselijk, aldus de voorstanders van een vrijstelling, omdat institutionele beleggers “niet in the business zijn” van het verwerven van overwegende zeggenschap.5
Terecht heeft de Minister een vrijstelling voor institutionele beleggers afgewezen.6 Een onderscheid tussen verschillende soorten beleggers is onmogelijk te maken, alleen al omdat institutionele beleggers zelf beleggen in bijvoorbeeld hedgefondsen of fondsen met een vergelijkbaar karakter.7 Bovendien kan niet in zijn algemeenheid worden gesteld dat institutionele beleggers zelf nooit uit zijn op de verwerving van overwegende zeggenschap.8 Een vrijstelling voor institutionele beleggers zou bovendien zonder precedent zijn in Europa. Weliswaar is in verschillende van de onderzochte landen gediscussieerd over de implicaties van de verplicht bod-regeling voor de bewegingsvrijheid van institutionele beleggers om zich in te zetten voor de corporate governance9, maar nergens heeft dit ertoe geleid dat een specifieke vrijstelling is gecreëerd.