Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/3.5.1
3.5.1 Kabinetten Paars I en II
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS390598:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hierover Judt 2005, p. 640 en p. 713-715.
Verdrag betreffende de Europese Unie (Verdrag van Maastricht) van 7 februari 1992, in werking getreden op 1 november 1993, PbEG 29 juli 1992, C 191.
Verdrag van Amsterdam van 2 oktober 1997, in werking getreden op 1 mei 1999, PbEU 10 november 1997, C 340.
De bekendste proponent van deze opvatting is Fukuyama, die in een essay uit 1989 – later uitgewerkt in een boek uit 1992 – sprak over ‘the end of history’. Voor het origineel, zieY.F. Fukuyama, ‘The End of History?’, The National Interest, zomer 1989, opgenomen inP. O’Meara, H.D. Mehlinger & M. Krain (reds.), Globalization and the Challenges of a New Century: a Reader, Bloomington: Indiana University Press 2000, p. 161-180.
In deze zin stellig Fukuyama 1989, p. 162: “What we may be witnessing is not just the end of the Cold War, or the passing of a particular period of postwar history, but the end of history as such: that is, the end point of mankind’s ideological evolution and the universalization of Western liberal democracy as the final form of human government.”
Brief van formateur W. Kok betreffende het regeerakkoord van kabinet Kok I van 15 augustus 1994, Kamerstukken II, 1993/94, 23 715, nr. 11, p. 34.
Regeringsverklaring afgelegd door Minister-President W. Kok op 31 augustus 1994,Handelingen II, 1993/94, 86 5806-7.
Brief van formateur W. Kok betreffende het regeerakkoord van het kabinet Kok II van 3 augustus 1998, Kamerstukken II, 1997/98, 26 024, nr. 10, p. 11. Voor het regeerakkoord hanteerde het kabinet als ‘behoedzaam uitgangspunt’ een groeidoelstelling van 2% per jaar.
Zie voor de startnotitie de brief van 19 december 1994, Kamerstukken II, 1994/95, 24 036, nr. 1.
Ibid, p. 2-3.
Kok 1995, p. 14.
Voor een uitgebreide en kritische beschouwing over de ontwikkeling van de Derde Weg in de politiek van de PvdA zij verwezen naar de Den Uyl-lezing die de toenmalig partijleider van de PvdA en Minister van Financiën Bos in januari 2010 heeft gehouden. Zie W.J. Bos, ‘De Derde Weg Voorbij’, Den Uyl-lezing gehouden op 25 januari 2010, te raadplegen op
Hierover in kort bestek . J. Gray, ‘Tony Blair, neo-con’ (2007) in Gray’s Anatomy: Selected Writings, London: Allen Lane 2009, p. 173-175. Zie ook Bos 2010, p. 3.
Giddens schreef in 1998 een standaardwerk over de internationale ontwikkeling van de Derde Weg. Zie A. Giddens, The Third Way: the Renewal of Social Democracy, Cambridge: Polity 1998. In 2000 volgde een nieuwe versie van dit boek met een repliek aan zijn critici: The Third Way and its Critics.
Zie over de bijeenkomst in Washington in 1999 H. Wansink, ‘Giddens verdedigt zijn Derde Weg’, Volkskrant 14 april 2000. Over de bijeenkomst in Berlijn in 2000 is destijds bericht door de BBC: ‘Third Way gets world hearing’, 31 mei 2000, te raadplegen op
Bos 2010, p. 4.
In augustus 1994 trad in Nederland het eerste ‘Paarse’ kabinet (VVD/PvdA/ D66) aan met oud-Minister van Financiën Kok (PvdA) als premier. De voorman van D66 Van Mierlo werd Minister van Buitenlandse Zaken, terwijl politiek leider van de VVD en latere eurocommissaris Bolkestein in de kamer bleef. De nieuwe Minister van Financiën was de oud-CPB directeur Zalm (VVD). D66 leverde onder meer de Ministers van Justitie (Sorgdrager) en van Economische Zaken (Wijers). In 1998 trad het tweede Paarse kabinet van dezelfde coalitie aan, wederom met Kok als premier en Zalm als Minister van Financiën. Het kabinet Kok II zou tot 2002 aanblijven. Het beleid van beide Paarse kabinetten ten aanzien van marktwerking in het algemeen en het beleid van Zalm met betrekking tot beschermingsconstructies in het bijzonder zouden van grote invloed blijken te zijn voor de verdere ontwikkeling van de juridische positie van aandeelhouders in beursvennootschappen.
In de regeringsperiode van het voorafgaande kabinet Lubbers III was de wereld om Nederland heen in belangrijke opzichten veranderd. Met de eenwording van Duitsland in 1990 was de geopolitieke situatie in de directe omgeving van Nederland in korte tijd substantieel gewijzigd. De hereniging van Duitsland zou ook nadrukkelijk doorwerken in het proces van verdere monetaire en politiek integratie in Europa. De Franse president Mitterand had voor de Franse steun voor de hereniging van Duitsland de voorwaarde gesteld dat de West- Duitse bondskanselier Kohl zich zou committeren aan een verdergaande Europese integratie – onder Frans-Duitse aanvoering – om zo Duitsland aan een institutioneel en monetair Europees kader te binden.1 Hierdoor kreeg het bij de Europese Akte van 1987 ingezette proces tot verwezenlijking en vervolmaking van de Europese interne markt een impuls en was er tevens een politiek momentum ontstaan voor het totstandbrengen van een monetaire unie (de invoering van de euro) en een overkoepelend institutioneel kader (de Europese Unie). Beide ontwikkelingen kregen in 1992 hun beslag met de ondertekening van het Verdrag van Maastricht.2 In 1997 volgde het Verdrag van Amsterdam, waarbij de bevoegdheden van de nieuwe Europese Unie op een aantal gebieden werden uitgebreid.3 Daarmee voltrok de opmars van de Europese Unie zich in een opmerkelijk hoog tempo.
In deze periode was ook sprake van een groeiend optimisme over de toekomst. Met het einde van de Koude Oorlog en later het uiteenvallen van de Sovjetunie leek voor velen de laatste politiek-ideologische strijd in de wereld te zijn gestreden.4 In deze opvatting was met de teloorgang van het communisme in Oost-Europa, de Baltische staten en Rusland een nieuw postideologisch tijdperk in de wereld aangebroken.5 Het Europees project was in zekere zin van een vergelijkbaar vooruitgangsgeloof doordrongen. Een uitgangspunt van het regeerakkoord van het kabinet Kok I was dan ook dat in de “nieuwe, nog niet uitgekristalliseerde internationale verhoudingen” een eigen rol voor Nederland werd verwacht en dat Nederland zich zou concentreren op zijn positie binnen Europa, in het bijzonder op het totstandbrengen van “een grotere Europese Unie, waarbinnen het zijn eigen rol kan spelen.”6 In de regeringsverklaring ging premier Kok in op de gevolgen van deze nieuwe situatie: “De structuur van de wereldeconomie verandert ingrijpend. Nieuwe markten worden ontsloten. Nieuwe concurrenten vinden toegang tot onze markten. En wij kunnen en willen ons van die ontwikkelingen niet afschermen. Integendeel, de met succes afgesloten onderhandelingen in het kader van de GATT zullen onze economie nog inniger met de wereldmarkt verstrengelen. Dat biedt nieuwe kansen, maar er zijn ook bedreigingen. Ons land zal sterk genoeg moeten zijn om in Europa tot de kopgroep te blijven behoren. Dat stelt hoge eisen aan het aanpassingsvermogen van ons allen, ook van onze industriële en agrarische bedrijven en van de financiële wereld. Het beleid zal hierop zijn afgestemd.”7 Tijdens de regeringsperiode van de Paarse kabinetten zou de Nederlandse economie – mede vanwege de gunstige internationale conjunctuur – goed presteren in deze nieuwe dynamiek. Zo kon ten tijde van de formatie van het tweede kabinet-Kok in 1998 worden vastgesteld dat het begrotingstekort op dat moment slechts 1,5% van het Bruto Binnenlands Product bedroeg en dat de economische groei dat jaar op bijna 4% was uitgekomen.8 Al dan niet als gevolg van het gevoerde beleid hadden de Paarse kabinetten overwegend het economische tij mee.
Onder de kabinetten Kok I en II werd het beleid van de regeringen Lubbers I-III inzake deregulering, marktwerking en privatisering voortgezet en op belangrijke onderdelen geïntensiveerd. Op het gebied van deregulering werd eind 1994 onder de verantwoordelijkheid van Minister van Economische Zaken Wijers en Minister van Justitie Sorgdrager het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW) in gang gezet.9 Uitgangspunten van de MDW-operatie – in lijn met het regeerakkoord – waren onder meer “De regelgeving en de administratieve lastendruk voor bedrijven wordt tot het minimaal noodzakelijke teruggebracht” en “De werking van de markt moet worden versterkt door de markttoegang te vergroten, door regels die marktgedrag onnodig beperken weg te nemen en door ruimte te scheppen voor eigen verantwoordelijkheid en keuzen.”10 Met deze uitgangspunten legde het kabinet Kok I een duidelijke principiële oriëntatie op het punt van de marktwerking vast.
Anders dan in het verleden het geval was, werden deze principiële uitgangspunten in de Paarse regeringscoalitie niet alleen gedragen door de liberale VVD en het sociaalliberale D66, maar ook door het sociaaldemocratische PvdA. In de eerder genoemde Den Uyl-lezing uit 1995 verwoordde Minister-President Kok de gewijzigde sociaaldemocratische oriëntatie ten aanzien van marktwerking als volgt: “Vormen van verzelfstandiging en privatisering kunnen dwingen tot een marktconforme en efficiënte bedrijfsvoering, ook waar de overheid bepaalde normen, prestaties en doelstellingen blijft voorschrijven. Het is niet de markt of de vrije-markteconomie als zodanig die ons niveau van gemeenschapsvoorzieningen onder druk zet. Het zijn de organisatie en het gepast gebruik die voor blijvend draagvlak moeten zorgen. De sociaal-democratie kan en moet zich onderscheiden door haar overtuigde positieve waardering voor de voorzieningen van een brede verzorgingsstaat gepaard te doen gaan met een bijbehorende nadruk op soberheid en effectiviteit in de omgang met gemeenschapsmiddelen.”11 Deze benadering ging in de kern uit van het mobiliseren van marktmechanismen voor het financieren en uitvoeren van publieke taken, waaronder de overheidsvoorzieningen op het gebied van sociale zekerheid. Met andere woorden: de markt werd in dienst gesteld van de verzorgingsstaat. Dit uitgangspunt vormde een wezenlijk bestanddeel van de nieuwe ideologische oriëntatie van de PvdA onder Kok die later ook wel als de ‘Derde Weg’ zou worden aangeduid.12
De term Derde Weg (the Third Way, das neue Mitte) is een verzamel naam voor een politieke beweging binnen sociaaldemocratische partijen die zich in de jaren ’90 in verschillende landen voordeed. In de Verenigde Staten gebruikte president Clinton midden jaren ’90 de beeldspraak van de ‘triangulation’ om zijn verkiezingsprogramma als pragmatisch alternatief tussen de klassieke tegenstellingen van Republikeinen en Democraten te plaatsen (‘post-partisan’) terwijl de Britse premier Blair eind jaren ’90 vanuit zijn ‘New Labour’ programma het fenomeen Third Way inzette om af te rekenen met ‘Old Labour’ teneinde Labour beter als regeringspartij te positioneren.13 Blair’s opvattingen over markt en overheid waren sterk beïnvloed door het werk van de Britse socioloog Giddens, een sleutelfiguur in de academische ontwikkeling van de Derde Weg.14 Ook was er sprake van een uitwisseling van ideeën tussen regeringsleiders onderling, in het bij zonder via de personen van Clinton, Blair, de Duitse Bondskanselier Schröder en Kok. In 1999 en 2000 werden voor gelijkgestemde regeringsleiders zelfs heuse Derde Weg-conferenties georganiseerd.15 Tijdens de eerste Derde Weg-conferentie in april 1999 noemde Clinton expliciet Kok als een wegbereider voor de Derde Weg: “Wim Kok, from the Netherlands, actually was doing all of this before we were. He just didn’t know that – he didn’t have anybody (…) who could put a good label on it.”16 Zie ook §7.4 hierna.