Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/3.2.3.1.1
3.2.3.1.1 Vroegste wettelijke regeling
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS443733:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Troplong (1843), nr. 420 en nr. 439, De Marolles (1862), p. 77, Lyon-Caen & Renault (1892), nr. 487, Thaller (1904), nr. 402, Pic (1933), p. 21, Rodière (1977), nr. 99, Mestre, Faye & Blanchard (1995), nr. 2625, Guineret-Brobbel Dorsman (1998), p. 315-316, Merle (2009), nr. 168.
Locré (1829a), p. 84-85, Persil (1833), p. 114-115, Delangle (1843), nr. 377, Bédarride (1856), nr. 252, Demaison (1868), p. 142, Aluzet (1868), nr. 316, Bravard-Veyrières (1890), p. 247, Lyon-Caen & Renault (1892), nr. 487, Pic (1933), p. 21, Ripert, Roblot & Germain (2009), nr. 1231.
Bravard-Veyrières (1890), p. 247, Guineret-Brobbel Dorsman (1998), p. 314.
Potu (1910), p. 209-212, Pic (1933), p. 21, Mestre, Faye & Blanchard (1995), nr. 2625, Guineret-Brobbel Dorsman (1998), p. 314, Nze Ndong dit Mbele (2008), nr. 71. Anders : Rodière (1977), nr. 99, Ripert, Roblot & Germain (2009), nr. 1231, die menen dat de wetgever alleen de bescherming van derden beoogt.
Potu (1910), p. 133 en p. 135.
Potu (1910), p. 135.
Troplong (1843), nr. 435.
Geciteerd bij Persil (1833), p. 117-118. Zie ook hoofdstuk 2.
Potu (1910), p. 135. Zie voor een lange opsomming van rechterlijke uitspraken: Potu (1910), p. 142, voetnoot 2.
Persil (1833), p. 116-117, Troplong (1843), nr. 424, Delangle (1843), nr. 383-384, De Marolles (1862), p. 78, Demaison (1868), p. 141-142, Vavasseur (1896), nr. 299, Pic (1933), p. 22.
Rodière (1977), nr. 99.
Bédarride (1856), nr. 246, De Marolles (1862), p. 78-79.
Lyon-Caen & Renault (1892), nr. 4905-4906.
Bravard-Veyrières (1890), p. 252. In deze zin ook Potu (1910), p. 211-212.
Troplong (1843), nr. 427, Bédarride (1856), nr. 245-246 en nr. 252, De Marolles (1862), p. 78, Lyon-Caen & Renault (1892), nr. 490, Vavasseur (1896), nr. 301, Potu (1910), p. 219- 223 en p. 265-267.
Troplong (1843), nr. 424-425, Delangle (1843), nr. 385-391, Bédarride (1856), nr. 245-246 en nr. 252, Demaison (1868), p. 144-145, Lyon-Caen & Renault (1892), nr. 496, Vavasseur (1896), nr. 301, Thaller (1904), nr. 402, Potu (1910), p. 219-220.
Bédarride (1856), nr. 248.
De vroegste regeling van het bestuursverbod in de Franse wet is te vinden in de op 1 januari 1808 in werking getreden Code de Commerce. Zoals in hoofdstuk 2 al is vermeld luidde art. 27 daarvan toen als volgt:
‘Article 27:
L’associé commanditaire ne peut faire aucun acte de gestion ni être employé pour les affaires de la société, même en vertu de procuration.’
Over de precieze doelstelling van deze bepaling deed een aantal opvattingen de ronde. In ieder geval had de wetgever de rechtsgronden op het oog die ook in Nederland als grond voor het bestuursverbod worden genoemd: het voorkomen van verwarring over de positie van de namens de vennootschap optredende vennoot1 en het voorkomen van roekeloos verrichte transacties door de commanditaire vennoot voor rekening van de commanditaire vennootschap.2 Daarnaast werden twee andere motieven genoemd. De eerste was de meer algemene norm dat een persoon die met derden handelt volledig aansprakelijk behoort te zijn voor de gevolgen van zijn handelingen en omgekeerd degene die niet volledig aansprakelijk wenst te zijn dan ook geen handelingen met derden mag verrichten.3 Ten slotte werd de bescherming van de gecommanditeerde vennoten en daarmee de commanditaire vennootschap zelve als een van de doeleinden van de regeling van het bestuursverbod genoemd. Gevreesd werd dat bij het ontbreken van een regeling zoals het bestuursverbod in het vennootschapscontract zou kunnen worden bepaald dat de commanditaire vennoot bevoegd zou zijn de gecommanditeerde vennoot bindende instructies te geven ter zake van het bestuur van de vennootschap en de door haar gedreven onderneming. Dan zouden de gecommanditeerde vennoten gedwongen kunnen worden verbintenissen aan te gaan waarvoor zij onbeperkt aansprakelijk zouden zijn zonder dat zij zelf zouden hebben kunnen besluiten of zij die aansprakelijkheid op zich zouden hebben willen nemen.4
Dit verbod werd kort na de inwerkingtreding van de Code de Commerce in 1808 zo streng geïnterpreteerd, dat de neiging bestond iedere invloed van de commanditair op de zaken van de vennootschap, hoe gering ook, als ongeoorloofd te beschouwen.5 Om de zware aansprakelijkheid die de wet aan overtreding van het bestuursverbod verbond te ontlopen zagen commanditairen af van het houden van enige vorm van toezicht. Hierdoor kregen de gecommanditeerde vennoten vrij spel, waar zij niet zelden misbruik van maakten. 6 Om dit te voorkomen werd al spoedig het (quasi-legislatieve)7 oordeel van de Conseil d’État ingeroepen. In een uitspraak van 29 april 1809 besliste deze dat het in artikel 27 opgenomen bestuursverbod slechts zag op ‘actes que les associés commanditaires feraient en représentant, comme gérants, la maison commanditée, même par procuration’.8 Alleen van zich naar buiten manifesterende bestuurshandelingen moest de commanditair zich dus onthouden; intern mocht hij aan het bestuur deelnemen zolang dat voor derden maar niet kenbaar was. Dit oordeel werd overgenomen door de rechter9 en ook breed gedragen in de literatuur.10 Deze opvatting paste ook beter bij de positie van de commanditair binnen het vennootschappelijk samenwerkingsverband, die immers – zij het een bijzondere – vennoot is.11 Een aantal schrijvers hing evenwel een andere opvatting aan. Bédarride en de Marolles meenden dat het bestuursverbod werd overtreden ingeval de commanditair intern een zo grote invloed op het bestuur had bedongen dat deze met ‘besturen’ moest worden gelijkgesteld.12 Ook Lyon-Caen en Renault ontzegden de commanditair de bevoegdheid handelingen te verrichten die zouden impliceren dat hij een ‘influence decisive’ op het vennootschapsbestuur zou hebben.13 Verder nog ging Bravard-Veyrières die – naar hij zelf toegaf in afwijking van de leer van de Cour de Cassation – ieder onderscheid tussen actes de gestion extérieure en actes de gestion intérieure verwierp.14 In Nederland zouden laatstgenoemden dus als aanhangers van de ruime leer in haar zuiverste vorm moeten worden aangemerkt. Eensgezind was de doctrine wel in haar oordeel dat het de commanditair vrijstond de vennootschapsbestuurder met raad terzijde te staan en toezicht uit te oefenen op diens bestuur.15 Ook werd het toekennen van goedkeuringsrechten aan de commanditair algemeen aanvaardbaar geoordeeld,16 zij het dat het onderwerpen van iedere denkbare handeling van de gecommanditeerde vennoot aan een dergelijke goedkeuring als te vergaand werd beschouwd en daarmee niet geoorloofd werd geacht.17