Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/6.4
6.4 Boek 10 BW
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS300077:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 17 december 1997, Stb. 699, houdende regels van internationaal privaatrecht met betrekking tot corporaties, gewijzigd bij de wet van 20 november 2006, Stb. 600.
Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk Wetboek, EK (2010-2011) Kamerstukken 32 173, art. IV.
Kamerstukken II 2009/2010, 32 137, p. 67 (MvT).
Vgl. Kamerstukken 1 2010/11, 32 137, A, p. 27-28.
Rechtbank Amsterdam 25 april 2012, JOR 2012,177(Cargill Financial Markets/KPN).
Boek 10 BW bevat het materiële internationaal privaatrecht, de verwijzingsregels die het toepasselijke recht aanwijzen in grensoverschrijdende gevallen. Boek 10 BW is per 1 januari 2012 in werking getreden. Zestien deelcodificaties – waaronder de Wet conflictenrecht corporaties (Wcc)1 – zijn per die datum komen te vervallen.2 De corporaties zijn geregeld in de artt. 10:117-124 BW. In die artikelen zijn de bepalingen van de Wcc geconsolideerd.
Art. 10:117 sub a. BW (vgl. art. 1 sub a. Wcc (oud)) definieert het begrip “corporatie”. Onder corporatie wordt verstaan een vennootschap, vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, stichting en ieder ander als zelfstandige eenheid of organisatie naar buiten optredend lichaam en samenwerkingsverband. Rechtspersoonlijkheid is derhalve niet vereist. Een “functionaris” is blijkens art. 10:117 sub b. BW (vgl. art. 1 sub b. Wcc (oud)) hij die – zonder orgaan te zijn – krachtens het op de corporatie toepasselijke recht en haar statuten of samenwerkingsovereenkomst bevoegd is deze te vertegenwoordigen. Het doel van deze definitie is ervoor te zorgen dat de aansprakelijkheid van de functionaris jegens de corporatie en jegens derden beheerst wordt door hetzelfde recht als op de corporatie van toepassing is.3
Art. 10:118 BW (vgl. art. 2 Wcc (oud)) bepaalt dat een corporatie die ingevolge de oprichtingsovereenkomst of akte van oprichting haar zetel of – bij gebreke daarvan – haar centrum van optreden naar buiten ten tijde van de oprichting heeft op het grondgebied van de staat naar welks recht zij is opgericht, beheerst wordt door het recht van die staat.
Art. 10:119 aanhef en sub d. BW (vgl. art. 3 sub d. Wcc (oud)) bevat een bepaling inzake de “interne aansprakelijkheid”. Dat artikel bepaalt namelijk dat het op een corporatie toepasselijke recht naast de oprichting in het bijzonder de aansprakelijkheid van bestuurders, commissarissen en andere functionarissen als zodanig jegens de corporatie beheerst.
Art. 10:119 aanhef en sub e. BW (vgl. art. 3 aanhef en sub e. Wcc (oud)) bevat een bepaling inzake “externe aansprakelijkheid” en bepaalt dat het op een corporatie toepasselijke recht naast de oprichting in het bijzonder de vraag beheerst wie naast de corporatie aansprakelijk is voor de handelingen waarvoor de corporatie wordt verbonden uit hoofde van een bepaalde hoedanigheid zoals die van oprichter, vennoot, aandeelhouder, lid, bestuurder, commissaris of andere functionaris van de corporatie.4
In een uitspraak van 25 april 2012 gaat de Rechtbank Amsterdam in op de reikwijdte van (de voorloper van) art. 10:119 BW.5 De rechtbank merkt op dat art. 3 aanhef en onder e. Wcc (oud) ziet op (externe) aansprakelijkheden – naast de corporatie – van bepaalde personen uit hoofde van een bepaalde hoedanigheid. Naar Nederlands recht komt dit volgens de rechtbank neer op de aansprakelijkheden uit Boek 2 BW. Art. 3 aanhef en onder e. Wcc (oud) heeft – aldus nog steeds de rechtbank – betrekking op handelingen waardoor in de eerste plaats de corporatie wordt verbonden en voor de rechtsgevolgen (verbintenissen) waarvan daarnaast bepaalde personenenkel en alleen uit hoofde van hun functie binnen de corporatie en ongeacht of zij feitelijk hebben gehandeld – aansprakelijk zijn. In de betreffende zaak ging het daarentegen volgens de rechtbank om eigen, persoonlijk aan gedaagden te verwijten gedragingen die weliswaar verband houden met (hun functie bij) de corporatie, maar waarvoor zijzelf in persoon en niet in kwaliteit van functionaris van de corporatie aansprakelijk worden gehouden. Noch uit de tekst van art. 3 aanhef en onder e. Wcc (oud), noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van dat artikel volgt – aldus de rechtbank – dat het artikel ook ziet op deze persoonlijke – los van de corporatie bestaande – aansprakelijkheden (naar Nederlands recht: de aansprakelijkheden uit Boek 6 BW).
Art. 1 lid 2 onder e. EVO en art. 1 lid 2 onder f. van Rome I sluiten de in art. 10:119 BW vermelde onderwerpen uit van hun toepassingsgebied. Art. 10:120 BW (vgl. art. 4 Wcc (oud)) bepaalt dat in geval van zetelverplaatsing het recht van de staat van de nieuwe zetel de in art. 10:119 BW vermelde onderwerpen beheerst, tenzij ingevolge het betreffende recht daarop het recht van de staat van de oorspronkelijke zetel van toepassing is.