Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/14.2.3
14.2.3 De PECL
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS367789:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
§§ 13.1-13.4.
PECL Part III, p. 162.
Toegevoegde noot: deze formulering is ongelukkig omdat 'unnecessary complexity' natuurlijk nooit goed is. Het probleem schuilt in de vraag, om zo maar te zeggen, wat necessary en wat unnecessary complexiteit is.
PECL Part III, p. 163.
Zie wat Nederland betreft Snijders, NJB 2007, p. 11: 'In de periode dat ik mijn eerste stappen op het glibberige pad van de hercodificatie zette, was de bedoeling in het vermogensrecht tot een consistent systeem van korte verjaringstermijnen te komen, uitgaande van drie jaar als basistermijn met een sterke nadruk op de rechtszekerheid. (...) Maar het proces van verbrokkeling is hier nog tijdens het werk aan de hercodificatie van dit deel van het privaatrecht op spectaculaire wijze ingezet en is nog steeds niet geheel tot rust gekomen. Het resultaat is een enorme groei van verjarings- en vervaltermijnen van uiteenlopende lengte (...).'
Voor zover Schelhaas, NTBR 2005, betoogt dat één algemeen toepasselijke verjaringstermijn de voorkeur heeft ben ik het met haar eens. Om in de hoofdtekst genoemde redenen ben ik over de PECL minder enthousiast dan zij.
PECL Part BI, p. 166.
Omdat de onderhavige kwestie niet de kern van deze paragraaf betreft, vervolg ik in de voetnoot. In de hoofdtekst werd betwist dat een aparte termijn noodzakelijk is, gelet op de positie van de crediteur. Zijn gelijke belang ten opzichte van andere crediteuren is wat mij betreft inderdaad het doorslaggevende argument tegen een begunstigend bijzonder regime. Ten overvloede toch ook nog een woord over de positie van de debiteur. Neemt het belang van de debiteur bij verjaring in wezenlijke mate af in geval van een claim established by judgment? Inderdaad hoeft over de aan het vonnis ten grondslag liggende vordering niet meer getwist te worden, maar wél over de vraag of dat vonnis misschien op enig moment voldaan is: 'Al ontving hij een kwitantie, ook een goed huisvader gooit wel eens wat weg' (Valk, diss. p. 70). Het bewijs dat laat ons zeggen acht jaar geleden een veroordelend vonnis is voldaan, zal niet gemakkelijk te leveren zijn. Bovendien: de teloorgang van zijn bewijspositie was maar één van de belangen van de debiteur bij verjaring. Net zo belangrijk is zijn 'rechtszekerheidsbelang'. Inderdaad, the creditor has made it abundantly clear' dat nog betaald moet worden. Maar zou een procedure het de debiteur werkelijk scherper duidelijk maken dat het de crediteur nog menens is dan, bijvoorbeeld, de expliciete aanmaning? Bevestigende beantwoording van die vraag veronderstelt logischerwijze dat de expliciete aanmaning nog ruimte voor twijfel laat — anders kan de procedure immers niet tot scherper besef leiden. Voor die veronderstelling lijkt mij echter geen grond te bestaan. Overigens is Schelhaas minder kritisch ten aanzien van de uitzondering voor vorderingen die in rechte zijn vastgesteld: 'ft is justified to maintain a longer prescription period for claims established by legal proceedures, for the reasons summarized in the PECL Comment.' (Schelhaas e.a. (2006), p. 188).
Law Commission (2001), p. 158. Niettegenstaande deze zorgen wil uiteindelijk de Law Commision, wat mij betreft terecht, de onderhavige vorderingen toch aan het core regime onderwerpen, onder andere omdat eighty per cent of consultees daar voor is.
De PECL voorzien in één algemene termijn van drie jaar (Article 4:201). Die hoofdregel lijkt mij gelukkig gekozen: hij sluit aan bij de landen om ons heen en er bestaan, zoals ik eerder betoogde,1 ook inhoudelijk overwegingen om hem te aanvaarden.
Er is evenwel een aspect dat mij doet betwijfelen of de PECL aan ons denken werkelijk richting kunnen geven. Die twijfel ziet op de verwachting dat de hoofdregel het nagenoeg zonder — met namelijk slechts één — uitzonderingen zou kunnen doen.
Dat is geen onbelangrijk aspect als wij het hebben over de structuur van het verjaringsrecht. De toelichting op de algemene driejaarstermijn gaat onder het volgende parool:
"A prescription regime has to be as simple, straightforward and uniform as possible. This is why the Principles lay down a general period of prescription covering all claims arising within the law of obligations."2
Het eerste wat aan deze passage opvalt, is zijn pleonastische karakter. Natuurlijk, het verjaringsrecht moet as simple, straighforward and uniform as possible zijn. Maar is er één rechtsregel waarvoor dat niet geldt? In het nadere commentaar staat het volgende:
"If prescription rules are to conform to the general policy objectives mentioned [eerder in de PECL; JLS], they cannot attempt to provide the best possible regime for each individual type of claim but must me applicable as broadly as possible. In particular, they have to take account of the need for clarity, certainty and predictability which is jeopardised by any unnecessary complexity.3 Thus, on balance, it is better to have a regime that does not suit all claims equally well than one that makes it difficult for debtors as well as creditors to assess their position and adjust their behaviour accordingly."4
Met andere woorden: soms is een uitzondering vanuit de individuele partijverhouding beschouwd misschien gewezen, maar door het maken van uitzonderingen wordt het verjaringsrecht complexer en dat moet tegen elke prijs — die prijs is: gerechtigheid in de individuele verhouding — voorkomen worden.
Dat offer wordt hier wat mij betreft te gemakkelijk aanvaard. Stel dat er een goede reden bestaat om vanwege bijvoorbeeld de hoge transactiefrequentie in, zeg, de scheepvaartbranche een termijn van één jaar te hanteren (zoals nu in Nederland inderdaad gebeurt); stel dat wij vinden dat in familieverhoudingen partijen niet gedwongen moeten zijn hun recht binnen zekere termijn af te dwingen en daar dus een lange termijn zou moeten gelden (zoals nu in Nederland inderdaad het geval is). Moet dan in dergelijke relaties een regel gelden die geen recht doet aan de partijverhouding, terwijl er misschien een heel goed af te bakenen eigen verjaringsregel te verzinnen is? Het lijkt mij niet.
Ik vraag mij ook af of het toeval is dat totale simplificatie van het verjaringsrecht alleen slaagt in het laboratorium van de PECL en nooit in codificaties van vlees en bloed. Ook de Duitse, de Engelse en de Nederlandse wetgever zullen er naar gestreefd hebben hun verjaringsrecht as simple, straigh«orward and uniform as possible te krijgen, maar toch zien we daar aan het eind van het herzieningsproces nog een hele trits bijzondere termijnen.5 Van een afstand bezien lijkt het misschien mogelijk het hele verjaringsrecht uit één regel te laten bestaan. Maar de devil is in the detail; Duits, Engels en ook Nederlands recht suggereren dat bij de uitwerking van een verjaringsregime een bepaalde mate van differentiatie niet te vermijden is.6
Tot slot — en enigszins terzijde — is naar ik meen de enige uitzondering die de PECL dan wel toestaan nogal ongelukkig gekozen. Het betreft als gezegd vorderingen die in rechte zijn vastgesteld. Daarvoor geldt een termijn van tien jaar. Waarom?
"A claim established by judgment is as firmly and securely established as possible and is thus much less affected by the "obfuscating power of time" than other claims. Moreover, the creditor has made it abundantly clear that the claim is seriously pursued; the debtor knows that payment is still required."7
Gegeven de straffe taal over de noodzaak de algemene termijn alle vorderingen te laten beheersen, zou deze passage een soort gekwalificeerde noodzaak tot het maken van een uitzondering moeten blootleggen. Ik kan die er niet in vinden. Waarom zou niemand meer dan drie jaar straffeloos op zijn recht mogen blijven zitten, behalve de bezitter van een executabel vonnis? Voor het geldend maken van zijn recht bestaat geen beletsel, integendeel, men verwezenlijkt zijn recht zelden zo gemakkelijk als met een vonnis in de hand. De hobbel van het voeren van een procedure hoeft de crediteur niet meer te nemen. Moeilijk valt in te zien waarom hij dan voor de verwezenlijking van zijn voor het grijpen liggende recht per se tien, in plaats van drie jaar de tijd moet krijgen; de driejaarstermijn treft hem bepaald niet harder dan andere crediteuren.8
Als men al een bijzondere regel zou willen maken, dan zou die daarom wat mij betreft zelfs eerder in een kortere dan in een langere termijn moeten voorzien. Zie ook het volgende citaat uit het Report van de Law Commission•
"The Construction Industry Council, the Constructors' Liaison Group and the Construction Confederation each expressed the view (in connection with claims on a judgment or arbitration award) that three years was too long, as all the parties concerned would be well aware of the position."9
Maar goed, terug naar de verbrokkeling van het Nederlandse verjaringsrecht.