Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.7.3:10.4.7.3 De ratio van het onzakelijkheidsvermoeden
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.7.3
10.4.7.3 De ratio van het onzakelijkheidsvermoeden
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491744:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3, p. 53. Volgens de wetgever kan worden aangenomen dat een splitsing niet is ingegeven door zakelijke overwegingen indien deze door middel van een verkoop van aandelen binnen de driejaarstermijn als het ware alweer ongedaan wordt gemaakt. Zie Kamerstukken II 1999/00, 26 728, nr. 6, p. 74.
Vgl. ook Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3, p. 53-54.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de wetsgeschiedenis kan de ratio van het tweede bewijsvermoeden (onzakelijkheidsvermoeden) worden afgeleid. De wetgever wil tegengaan dat een splitsing wordt gebruikt om belaste verkoopwinsten op vermogensbestanddelen om te zetten in onbelaste koerswinsten op aandelen. Indien aandelen in de gesplitste rechtspersoon of een verkrijgende rechtspersoon binnen drie jaar worden vervreemd aan een niet-verbonden lichaam, wordt aangenomen dat die vervreemding samenhangt met de splitsing waarbij vermogensbestanddelen zonder acute vennootschapsbelastingheffing zijn overgegaan (samenstel van rechtshandelingen).1 Het onzakelijkheidsvermoeden heeft betrekking op aandelen in de verkrijger(s) en in de gesplitste rechtspersoon.2 Wat betreft aandelen in de verkrijger(s) heeft de wetgever de situatie op het oog dat de af te stoten vermogensbestanddelen via een fiscaal begeleide splitsing worden ondergebracht in een dochtervennootschap (verkrijger). Op een later moment worden aandelen in deze dochtervennootschap verkocht aan een derde. Op deze wijze is acute vennootschapsbelastingheffing over fiscale meerwaarden in het overgedragen vermogen afgewend en getransformeerd in een op de voet van art. 13 Wet VPB 1969 onbelast deelnemingsvoordeel. De reden waarom het onzakelijkheidsvermoeden ook betrekking heeft op een vervreemding van aandelen in de gesplitste rechtspersoon is relatief eenvoudig. De wetgever voorzag dat het verkoop-klaarmaken even zo goed andersom kan worden vormgegeven. De te behouden vermogensbestanddelen laat men in dat scenario uitzakken via een fiscaal gefaciliteerde afsplitsing (stap 1). Vervolgens worden aandelen in de verkrijgende rechtspersoon binnen het concern overgedragen (stap 2). Afsluitend worden aandelen in de afsplitsende rechtspersoon overgedragen aan een derde partij (stap 3).3 Dit stappenplan maakt duidelijk dat het wat betreft aandelen in de gesplitste rechtspersoon gaat over een afsplitsing en niet over een zuivere splitsing. De zuiver splitsende rechtspersoon houdt immers als gevolg van de zuivere splitsing op te bestaan. Het is uiteraard onmogelijk om ná een splitsing aandelen te vervreemden in een lichaam dat als gevolg van de splitsing niet langer bestaat.