Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming
Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/9.6:9.6 Samenvattende conclusie
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/9.6
9.6 Samenvattende conclusie
Documentgegevens:
Mijke Houwerzijl & Bas Rombouts, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Mijke Houwerzijl & Bas Rombouts
- JCDI
JCDI:ADS288399:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk hebben we laten zien dat crowdwork een belangrijk aandachtsgebied is binnen het ‘Future of Work Initiative’ van de ILO. Een aantal omvangrijke recente onderzoeken geeft inzicht in zowel het potentieel als de uitdagingen van door online platforms aangeboden crowdwork. Crowdwork biedt kansen voor groepen die minder makkelijk toegang hebben tot de traditionele arbeidsmarkt, in het bijzonder in ontwikkelingslanden. Tegelijkertijd zijn er ook aandachtspunten en risico’s met betrekking tot de fundamentele arbeidsnormen van de ILO: vakbondsvrijheid en het recht op collectief onderhandelen, kinder- en dwangarbeid, gelijke behandeling, veilige en gezonde arbeidsomstandigheden en -tijden en adequate beloning. Veel van de risico’s komen overeen met de problematiek die zich ook voordoet bij offline verrichte platformarbeid; platforms zijn niet transparant, het is moeilijk communiceren met de beheerders, de werkers worden aangemerkt als zelfstandige in plaats van als werknemer, de voorwaarden waaronder zij werken worden eenzijdig opgelegd en er zijn veel obstakels voor collectieve organisatie en arbeidsvoorwaardenvorming via vertegenwoordigers zoals vakbonden. Voor crowdworkers geldt bovendien dat hun verdiensten vaak (ver) beneden het minimumloonniveau liggen en dat de handhaving van hun rechten extra moeilijk is, gelet op de transnationale context waarin zij (veelal) hun werk uitvoeren. Ook is er steeds meer bewijs dat crowdworkers in ontwikkelingslanden vaker het slachtoffer zijn van discriminatie, met name in relatie tot toegang tot werk, in het bijzonder als het gaat om toegang tot beter betaalde digitale klussen.
Uit de ILO-studies blijkt dus dat er een flink aantal uitdagingen kleven aan het garanderen van eerlijk en fatsoenlijk werk voor crowdworkers, zeker in ontwikkelingslanden. Een mogelijke strategie om decent crowdwork te bereiken, zou volgens de ILO de ontwikkeling van een mondiaal minimumkader voor crowdwork zijn, neergelegd in een ILO-Verdrag à la de Maritieme Arbeidsconventie (MLC). Ook kan decent crowdwork gestimuleerd worden door IMVO-instrumenten. Ondernemingen gevestigd in landen zoals Nederland, worden al in toenemende mate aangesproken op de verduurzaming van hun internationale handels- en toeleveringsketens. Vooralsnog dienen zij schendingen van arbeidsnormen in buitenlandse schakels van deze ketens vooral op basis van ‘soft law’ te inventariseren en aan te pakken, maar zoals het zich laat aanzien zal dit in de nabije toekomst een wettelijke verplichting worden. Dergelijke zorgvuldigheidsverplichtingen strekken zich daarmee dus ook uit tot werkenden in andere contreien dan het vestigingsland van de (zakelijke) afnemer. Als een deel van de internationale ketenactiviteiten digitaal werk door crowdworkers in het (verre) buitenland omvat, kan de in acht te nemen ‘due diligence’ zich uitstrekken tot het garanderen van eerlijke en fatsoenlijke (oftewel ‘leefbare’) lonen en andere arbeidsvoorwaarden aan deze werkers. Daarmee kan online werken aan de andere kant van de aardbol toch binnen de reikwijdte van het Nederlandse (sociaal) recht terechtkomen.
Tot slot (v)erkenden we de ontmoedigende complexiteit die ontstaat vanuit transnationaal oogpunt als (veel) crowdworkers werknemers blijken te zijn en platforms hierdoor gebonden zouden raken aan nationaal arbeids- en socialezekerheidsrecht. Terwijl deze problematiek voor crowdworkplatforms voorlopig nog een zeer hypothetisch gehalte heeft, staan de transnationale gevolgen van digitaal (thuis)werken bij traditionele werkgevers veel dichter voor de deur. Zoals we aan de hand van een voorbeeld in een Euregio lieten zien, is het vanuit werkgeversperspectief zeer onverstandig om ‘grenzeloos’ telewerken aan te moedigen: zodra dit enige omvang krijgt, zijn de implicaties voor (de voorspelbaarheid van) het toepasselijke sociale recht en dus voor de arbeidskosten en administratieve lasten (te) verstrekkend. Ook vanuit het perspectief van lidstaten kleven er risico’s aan het stimuleren van digitaal thuiswerken zonder nadere aanpassing van het Europese coördinatie- en conflictenrecht: gelijke behandeling van EU-werknemers met nationale werknemers wordt bemoeilijkt en de houdbaarheid van het socialezekerheidsstelsel en van sociale cao-fondsen zou ondermijnd kunnen worden.
Kortom, het is bepaald geen sinecure om de opmars van virtuele vormen van transnationale (platform)arbeid in tegelijkertijd hanteerbare en sociaaljuridisch rechtvaardige banen te leiden. Hoog tijd dus om op internationaal, Europees, regionaal én sectoraal niveau, de transnationale risico’s te adresseren van arbeid in de digitaliserende (platform)economie. Vervolgens kunnen dan alsnog volop de kansen van deze technologische (r)evolutie benut worden, ook in transnationaal verband.