Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/IV.5.3
IV.5.3 Standpuntbepalingsrecht bij NV’s
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242738:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Hieronder valt mijns inziens niet alleen de ondernemingsraad die krachtens de wettelijke verplichting van art. 2 lid 1 WOR is ingesteld. Ook een vrijwillig ingestelde ondernemingsraad is een ondernemingsraad die is ingesteld ‘krachtens een wettelijke bepaling’, namelijk art. 5a lid 2 WOR. In dezelfde zin onder anderen Van Ommeren & Kemperink, ArbeidsRecht 2011/5; en Zaal 2014, p. 47. Huizink, GS Rechtspersonen,art. 2:134a BW, aant. 3.3, lijkt daar anders over te denken. Volgens hem komt enkel de verplicht ingestelde ondernemingsraad het standpuntbepalingsrecht toe. Gezien de wettekst, houdt zijn opvatting geen stand. Op grond van het tweede lid van art. 2:134a BW moet onder de term ‘ondernemingsraad’ overigens mede worden verstaan de ondernemingsraad van de onderneming van een dochtermaatschappij, mits de werknemers in dienst van de vennootschap en de groepsmaatschappijen in meerderheid binnen Nederland werkzaam zijn. Is er meer dan één ondernemingsraad, dan wordt de bevoegdheid door deze raden gezamenlijk uitgeoefend. Is voor de betrokken onderneming of ondernemingen een centrale ondernemingsraad ingesteld, dan komt de bevoegdheid toe aan de centrale ondernemingsraad. In het vervolg doel ik met de term ‘ondernemingsraad’ steeds op de verplichte én vrijwillig ingestelde ondernemingsraad. Bovendien moet het bepaalde in het tweede lid van art. 2:134a BW steeds in acht worden genomen.
Het ‘standpuntbepalingsrecht’ van de ondernemingsraad wordt in de literatuur ook wel aangeduid met de term ‘spreekrecht’. In dit boek gebruik ik beide termen om het recht van de ondernemingsraad ex art. 2:134a lid 1, art. 2:135 lid 2, art. 2:164a lid 1 jo. 2:158 lid 4 en art. 2:164a/274a lid 1 jo. 2:161a/271a lid 2 BW aan te duiden.
Zoals ik in § IV.2.1.2 al schreef, is het uitgangspunt dat de algemene vergadering de niet-uitvoerende bestuurder benoemt. De algemene vergadering is dan tevens bevoegd tot schorsing en ontslag van de niet-uitvoerende bestuurder. Zie § IV.4.2.
Zie § IV.4.3.
Zie art. 2:164a/274a lid 1 jo. 2:161a/271a BW.
Voor de volledigheid wijs ik erop dat laatstgenoemde regeling niet alleen voor de NV, maar ook voor de BV geldt.
Op 1 december 2019 is het standpuntbepalingsrecht van de ondernemingsraad van een beurs-NV overigens vervangen door een adviesrecht. Zie art. 2:135a lid 3 BW, waarover § IV.5.4. Het standpuntbepalingsrecht ten aanzien van de vaststelling van het bezoldigingsbeleid komt derhalve slechts toe aan de ondernemingsraad van een structuur-NV zonder beursnotering.
Handboek 2013/250, p. 541, lijkt dezelfde mening te zijn toegedaan.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 877, 3, p. 3 (MvT).
Idem onder anderen Holtzer, Ondernemingsrecht 2010/114; Van Ommeren & Kemperink, ArbeidsRecht 2011/5; en Zaal 2014, p. 48.
Evenzo onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/93; Handboek 2013/250, p. 543; Holtzer, Ondernemingsrecht 2010/114; Huizink, GS Rechtspersonen,art. 2:134a BW, aant. 3.8; Van Ommeren & Kemperink, ArbeidsRecht 2011/5; en Zaal 2014, p. 48. Zie ook Kamerstukken II 2009/10, 31 877, 5, p. 12 (NV); en Kamerstukken I 2009/10, 31 877, C, p. 5 (MvA). Anders: Verburg 2015, p. 32 en 77, die betoogt dat het schenden van art. 2:134a lid 1 BW en art. 2:135 lid 2 BW tot gevolg heeft dat het benoemingsbesluit vernietigbaar is op grond van art. 2:15 lid 1 sub a BW. Verburg huldigt een minderheidsopvatting, aangezien zijn uitleg in de wettekst noch in de parlementaire geschiedenis steun vindt.
Zie Kamerstukken I 2003/04, 28 179, B, p. 22. Idem onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/536; Handboek 2013/295, p. 635-636; en Lennarts, T&C Ondernemingsrecht, art. 2:161a/271a BW, aant. 3.
Bij niet-structuur-NV’s heeft de ondernemingsraad1 op grond van art. 2:134a lid 1 BW in beginsel een standpuntbepalingsrecht ten aanzien van het besluit tot benoeming, schorsing en ontslag van de niet-uitvoerende bestuurder.2 In beginsel, want de ondernemingsraad kan slechts een beroep doen op het standpuntbepalingsrecht indien de benoeming geschiedt door de algemene vergadering.3 Ligt deze bevoegdheid bij een soort- of aanduidingsvergadering, dan komt de ondernemingsraad dit recht niet toe.
Is de vennootschap onderworpen aan het structuurregime, dan ligt het bovenstaande anders. Zoals gezegd, volgt het standpuntbepalingsrecht van de ondernemingsraad bij de benoeming van de niet-uitvoerende bestuurder in dat geval uit art. 2:164a lid 1 jo. 2:158 lid 4 BW. De besluiten tot schorsing en ontslag van een individuele niet-uitvoerende bestuurder vallen daarentegen niet onder het bereik van het standpuntbepalingsrecht. Deze bevoegdheden komen de algemene vergadering bij structuurvennootschappen immers niet toe.4 Ik breng in herinnering dat de algemene vergadering wel bevoegd is het vertrouwen in alle niet-uitvoerende bestuurders op te zeggen.5 Het tweede lid van art. 2:161a/271a BW schrijft voor dat de ondernemingsraad uiterlijk dertig dagen voor de vergadering waarin het voorstel tot ontslag aan de orde komt, van het voorstel op de hoogte wordt gesteld. De ondernemingsraad kan zijn standpunt vervolgens in de aandeelhoudersvergadering toelichten.6
De reikwijdte van het standpuntbepalingsrecht van de ondernemingsraad is overigens niet beperkt tot voornoemde gevallen. Uit het tweede lid van art. 2:135 BW volgt dat het voorstel tot vaststelling van het bezoldigingsbeleid eveneens onder het bereik van het spreekrecht van de ondernemingsraad valt.7
Maar wat houdt dit ‘standpuntbepalingsrecht’ exact in? Het standpuntbepalingsrecht komt erop neer dat de ondernemingsraad voor de oproeping van de aandeelhoudersvergadering in de gelegenheid moet worden gesteld zijn standpunt te bepalen over het voorstel tot benoeming, vaststelling van het bezoldigingsbeleid, schorsing of ontslag. Geschiedt de benoeming van de niet-uitvoerende bestuurder uit een bindende voordracht, dan moet de ondernemingsraad mijns inziens – conform de regeling van art. 2:164a lid 1 jo. 2:158 lid 4 BW – in de gelegenheid worden gesteld een standpunt te bepalen over de voordracht.8 Het standpunt van de ondernemingsraad wordt tezamen met het voorstel (of de voordracht) aangeboden aan de algemene vergadering. Vervolgens mag de voorzitter of het door hem aangewezen lid van de ondernemingsraad het standpunt in de aandeelhoudersvergadering toelichten. De wetsgeschiedenis leert dat de vertegenwoordiger van de ondernemingsraad alleen toegang heeft tot het gedeelte van de vergadering waarin de agendapunten aan de orde komen die samenhangen met de besluiten ten aanzien waarvan de ondernemingsraad het standpuntbepalingsrecht geniet.9
Het standpuntbepalingsrecht stelt de ondernemingsraad niet in staat een vuist te maken. Zo is de algemene vergadering niet verplicht te reageren op het standpunt van de ondernemingsraad. Zij kan het standpunt zonder meer links laten liggen.10 Wordt de ondernemingsraad niet in de gelegenheid gesteld zijn standpunt te bepalen, dan heeft dat evenmin gevolgen. Uit de slotzin van art. 2:134a lid 1, art. 2:135 lid 2 en art. 2:164a lid 1 jo. 2:158 lid 4 BW volgt dat het ontbreken van het standpunt de besluitvorming niet aantast. Het ontbreken van het standpunt doet het besluit met andere woorden niet nietig of vernietigbaar zijn.11 Dit laatste ligt anders wanneer de algemene vergadering de ondernemingsraad negeert bij het collectieve ontslag in de zin van art. 2:164a/274a lid 1 jo. 2:161a/271a BW. In dat geval is het besluit vernietigbaar op grond van art. 2:15 lid 1 sub a BW.12