Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming
Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.3:2.3 De tijd-ruimtelijke organisatie van arbeid: klussen
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.3
2.3 De tijd-ruimtelijke organisatie van arbeid: klussen
Documentgegevens:
Robert Knegt, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Robert Knegt
- JCDI
JCDI:ADS288379:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De door de ICT in de laatste decennia gecreëerde technische mogelijkheden hebben aanzienlijke consequenties voor de tijd-ruimtelijke organisatie van arbeid, vooral van diensten met een ‘kluskarakter’. Ook in het verleden hebben variaties en fluctuaties in de behoefte aan de inzet van arbeid geleid tot kluswerk, dat zelfs lange tijd een niet onbelangrijk aandeel kon hebben in het inkomen van huishoudens.
Een groot deel van het werk waarvoor arbeiders werden ingehuurd, kon in de Middeleeuwen en de Vroegmoderne Tijd op relatief permanente basis worden georganiseerd. Op het platteland werden boerenknechts vaak ingehuurd voor een jaar, met vaste ‘wisseldagen’ die per regio konden verschillen. In de steden werden dienstbodes en gezellen ook op die manier voor een jaar ingehuurd en vonden ambachtsleerlingen voor een vast aantal jaren een leer- en werkplek. Daarnaast echter waren er aanzienlijke schommelingen in de omvang van de vraag naar arbeid. Die schommelingen konden samenhangen met cyclische processen: in de landbouw vereiste de oogsttijd altijd extra ‘handen’, in de steden zorgden de katoenblekerijen in de zomer voor veel meer werk dan in de winter, en ook de haringvisserij bijvoorbeeld was seizoensgebonden.1 Ten slotte werden in sectoren met een projectmatig karakter zoals de bouw, infrastructurele werken en militaire campagnes fluctuaties in werkzaamheden opgevangen door de tijdelijke inzet van huursoldaten, dagloners of polderwerkers. Schriftelijke documentatie daarvan gaat terug tot het begin van de 9e eeuw.2 Infrastructurele projecten, zoals het aanleggen van dijken of trekvaarten, vroegen om de inzet van grote aantallen arbeiders voor een beperkte periode.3 Aan deze tijdelijke vraag werd in de Republiek tot het eind van de 17e eeuw vooral lokaal tegemoetgekomen, doordat mensen die hun hoofdverdienste in de agrarische sector hadden tijdelijk ander werk gingen verrichten. Zo voeren boerenknechten uit de Zaanstreek in het seizoen als scheepsgezellen uit om haring te vangen. Vanaf de 17e eeuw ging trekarbeid steeds meer voorzien in de seizoensgebonden behoefte aan werkers: bleeksters trokken in de lente van het Brabantse platteland naar Haarlem, kleine boeren uit Westfalen konden hun bedrijfjes in de oostelijke regio’s overeind houden door in het seizoen naar de Hollandse kust te trekken en daar loonarbeid te verrichten.4
De tijdelijkheid van werkzaamheden bracht niet automatisch mee dat de positie van werkers precair was. In de bouw, bijvoorbeeld, gingen relatief goed betaalde vaklui van project naar project zonder zich veel zorgen te hoeven te maken over hun toekomstige levensonderhoud. Werkers gaven soms zelf uitdrukkelijk de voorkeur aan tijdelijkheid. Als arbeidskrachten op het platteland schaars waren, waren veel werkers niet bereid zich voor langere tijd te binden en gaven ze er de voorkeur aan als dagloner te werken, omdat dat (in die tijd) beter betaald werd en bovendien omdat ze zo beter in staat waren hun onafhankelijkheid te behouden ten opzichte van hun opdrachtgevers.5
Maar het zou een vertekend beeld geven enkel aandacht te besteden aan mensen die het ene werk voor het andere inwisselden. Immers, op het niveau van huishoudens was het combineren van verschillende werkzaamheden eerder regel dan uitzondering. Op het platteland voorzag een gezin bijvoorbeeld deels in het levensonderhoud door middel van een lapje grond en wat vee, naast een aardappelveldje voor de handel, wat huisnijverheid (bijvoorbeeld spinnen of weven) en daarnaast nog seizoensarbeid zoals daglonerswerk in de oogsttijd.6 Het heeft tot het laatste kwart van de 19e eeuw geduurd voordat de ambachtelijke en industriële productie zich ging concentreren in fabrieken. Lange tijd domineerde de arbeid aan huis. In belangrijke sectoren als de textiel en de fabricage van schoenen of sigaren werkte begin 19e eeuw maar een paar procent van de werkers in de fabriek, de overgrote meerderheid werkte thuis. Als bijverdienste was er thuiswerk als het sorteren van koffiebonen, het maken van borstels, het inbinden van boeken en het maken van sigarenkistjes.7
In de loop van de tweede helft van de 19e eeuw leidde industriële logica gericht op het benutten van de nieuwe technologische mogelijkheden van de ‘Tweede Industriële Revolutie’ tot het bijeenbrengen van werkers op één locatie en tot een hiërarchische organisatie van loonarbeiders in fabrieken. Om werkers ertoe te verleiden in de fabriek te gaan werken en om ervaren werkers voor de fabriek te behouden, gingen fabrikanten begin 20e eeuw de arbeidsvoorwaarden verbeteren. Het was de tijd van de ‘fabrieksdorpen’ waarin fabrikanten arbeiders huisvesting en allerlei voorzieningen boden – maar zo ook hun controle over het leven buiten de fabriek versterkten.8 Daarmee werd de weg ingeslagen naar de, historisch gezien, uitzonderlijke dominantie van de enkele, ‘vaste’ loondienstverhouding zoals deze in de tweede helft van de 20e eeuw dominant werd.
Misschien is dit alleen een intermezzo geweest; zoiets zou kunnen worden opgemaakt uit de snelle toename van flexwerk aan het eind van die eeuw. En na de eeuwwisseling werd de nieuwe, formeel private ruimte van het internet mede gevuld door ondernemingen die klus- en klikwerk via de ICT organiseren, formeel als neutrale intermediairs tussen opdrachtgevers en werkenden, materieel als concerns die klus- en klikwerk commercieel exploiteren.