Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:197.
HR, 11-07-2025, nr. 24/01342
ECLI:NL:HR:2025:1141
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-07-2025
- Zaaknummer
24/01342
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1141, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑07‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2024:197
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:206
ECLI:NL:PHR:2025:206, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 14‑02‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1141
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑04‑2024
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2025/412
BPR-Updates.nl 2025-0061
JIN 2025/106 met annotatie van mr. R.J.G. Mengelberg
JIN 2025/124 met annotatie van mr. M.A.J.G. Janssen
JBPr 2025/64 met annotatie van mr. H.A. van Dijk-Verheij
PFR-Updates.nl 2025-0049
ERF-Updates.nl 2025-0177
VEAN-ERF-Updates.nl 2025-0177
JBPr 2025/64 met annotatie van mr. H.A. van Dijk-Verheij
Uitspraak 11‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Burgerlijk procesrecht; bewijsaanbod tot leveren van tegenbewijs in hoger beroep; specificatie-eis; prognoseverbod (art. 166 Rv jo. art. 168 Rv jo. art. 353 Rv). Mocht hof aan tegenbewijsaanbod voorbijgaan op grond dat daarin niet was toegelicht wat te horen getuigen meer of anders zouden kunnen verklaren dan was opgenomen in hun schriftelijke verklaringen? Getuige die niet uit directe eigen waarneming, maar slechts 'van horen zeggen' of op basis van indrukken kan verklaren.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/01342
Datum 11 juli 2025
ARREST
In de zaak van
[de man],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de man,
advocaat: M.J. van Basten Batenburg,
tegen
1. De erfgenamen van [de vader],
bij leven wonende te [woonplaats],
2. [de moeder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie, eisers in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: de ouders,
advocaat: J. van Weerden.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/16/535041/ HL ZA 22-55 van de rechtbank Midden-Nederland van 28 september 2022;
b. de arresten in de zaak 200.320.623/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 februari 2023 en 9 januari 2024.
De man heeft tegen het arrest van het hof van 9 januari 2024 beroep in cassatie ingesteld.
De ouders hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor de ouders toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt in het principale beroep tot vernietiging en verwijzing en in het incidentele beroep tot verwerping.
De advocaat van de ouders heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
(i) Verweerders in cassatie zijn de ouders van [de vrouw] (hierna: de ouders, respectievelijk: de vrouw). De ouders en de vrouw hebben op 11 oktober 2009 een overeenkomst getekend waarin staat dat de ouders aan de vrouw een lening verstrekken van € 40.000,-- om de aankoop van een woning (hierna: de woning) mogelijk te maken. Verder is daarin bepaald dat de rente 4% op jaarbasis bedraagt, dat die rente jaarlijks gelijk met de aflossing per 1 december is verschuldigd, voor het eerst in 2009 en voor het laatst in 2025, en dat de lening bij verkoop van de woning onmiddellijk wordt afgelost.
(ii) In juni 2019 is de vrouw met de man een geregistreerd partnerschap aangegaan, onder partnerschapsvoorwaarden.
(iii) De vrouw is in september 2021 overleden. De man was door de vrouw bij testament benoemd tot haar enige erfgenaam. De man heeft de nalatenschap aanvaard.
(iv) De ouders hebben de hiervoor onder (i) bedoelde overeenkomst opgezegd en aanspraak gemaakt op betaling van de hoofdsom met verschenen contractuele rente.
2.2
De ouders vorderen in deze procedure, samengevat, veroordeling van de man tot betaling van het bedrag dat zij op grond van de overeenkomst van 11 oktober 2009 (zie hiervoor in 2.1 onder (i)) aan de vrouw hebben verstrekt, vermeerderd met contractuele rente. Daaraan hebben de ouders ten grondslag gelegd dat zij dit bedrag aan de vrouw hebben geleend en dat dit door de man, als de rechtsopvolger van de vrouw, moet worden terugbetaald. De man heeft daar onder meer tegen ingebracht dat de overeenkomst een schenking betrof, die slechts om fiscale redenen was vormgegeven als een lening.
2.3
De rechtbank heeft de vorderingen van de ouders toegewezen en de man veroordeeld tot betaling van (in hoofdsom) € 48.000,-- aan de ouders.
2.4
Het hof1.heeft, voor zover in cassatie van belang, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en daartoe als volgt overwogen.
De stelplicht en de bewijslast dat sprake is van een geldleningsovereenkomst, rusten op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv op de ouders. (rov. 5.5)
Onomstreden is dat tussen de ouders en de vrouw een geldleningsovereenkomst is opgemaakt en door hen is ondertekend. Dit is een onderhandse akte, die tussen partijen dwingend bewijs oplevert (art. 157 lid 2 Rv), waartegen tegenbewijs kan worden geleverd (art. 151 lid 2 Rv). (rov. 5.6)
Vervolgens heeft het hof als volgt overwogen:
“5.7 Wat betreft de vraag of [de man] zodanige feiten en omstandigheden heeft aangevoerd dat daaruit kan worden afgeleid dat het geen lening was, geldt het volgende. Voor het slagen van tegenbewijs is het in [het] algemeen voldoende dat het door de andere partij ([de ouders]) geleverde bewijs (ondertekende overeenkomst van geldlening) erdoor wordt ontzenuwd. [De man] heeft zich daarvoor beroepen op feitelijk handelen van [de ouders] en [de vrouw] en verwezen naar de mailwisseling tussen [een van de ouders] en [de vrouw] van 30 augustus 2009, de brieven van de hypotheekverstrekkende bank van oktober 2019 en de schriftelijke verklaringen van [ex-echtgenoot] (de ex-echtgenoot van [de vrouw]) en van [hypotheekadviseur] (van hypotheekadviseur Flevo Finance). Een en ander, ook in samenhang bezien, is onvoldoende om tot een weerlegging (in de zin van ontzenuwing) van genoemd dwingend bewijs te concluderen. Dat is gebaseerd op het volgende.
(…)
5.9 Ook de verklaring van [ex-echtgenoot] biedt onvoldoende steun voor de stelling van de man dat het bedrag van € 40.000,- (van meet af aan) een schenking betrof. Hij verklaart immers [de vrouw] over de belastingjaren 2009 tot en met 2020 geholpen te hebben met het door haar doen van de aangifte Inkomstenbelasting. Ieder jaar voerde zij in dat verband volgens hem € 1.600,- (4% van € 40.000,-) aan aftrekbare rente op. Daaruit volgt dat [de vrouw] zich ook gedroeg als schuldenaar van genoemd bedrag, wat het bestaan van een lening bevestigt. Gelet op het gelijkblijvende bedrag aan contractuele rente volgt daaruit verder dat de hoofdsom onveranderd bleef. Daarmee deden [de ouders] kennelijk, anders dan op of omstreeks 30 augustus 2009 als mogelijkheid aan de orde is geweest, geen schenkingen die de hoofdsom in omvang verminderden. Dat hij verder verklaart zich niet bewust te zijn van een leningsovereenkomst en dat genoemd bedrag alleen maar als lening was opgenomen om te voorkomen dat schenkingsrecht betaald moest worden, is verder niet toegelicht en verhoudt zich niet met wat [de vrouw] in haar belastingaangifte verantwoordde.
5.10 De verklaring van [hypotheekadviseur] geeft geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat hij in enig opzicht bij de totstandkoming en/of uitvoering van de overeenkomst van 11 oktober 2009 betrokken is geweest. Aan zijn verklaring dat het destijds voor de aankoop van de woning benodigde bedrag aan eigen middelen door [de vrouw] van haar ouders is verkregen en dat er geen sprake van kan zijn dat dit een lening zou zijn omdat het dan de hoofdsom van de hypothecaire geldlening zou verlagen, komt niet die betekenis toe die [de man] daaraan toegekend wil zien. Het enige wat daaruit volgt is dat [de man] tegenover [hypotheekadviseur] en/of de hypotheekverstrekker mogelijk geen openheid van zaken heeft gegeven om het verkrijgen van de hypotheek niet in gevaar te brengen. Daaruit volgt nog niet dat er tussen [de ouders] en [de vrouw] geen sprake was van een overeenkomst van geldlening.”
Het hof heeft het aanbod van de man tot het horen van [ex-echtgenoot] en [hypotheekadviseur] als getuigen gepasseerd:
“5.13 [De man] heeft nog aangevoerd dat hij tot getuigenbewijs had moeten worden toegelaten. Hij heeft in dat verband zijn bewijsaanbod herhaald en aangeboden [ex-echtgenoot] en [hypotheekadviseur] als getuigen te laten horen. Nog daargelaten dat [de man] niet heeft toegelicht wat zij meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij al in hun schriftelijke verklaringen hebben vermeld, ziet dat aanbod eraan voorbij dat [ex-echtgenoot] en [hypotheekadviseur] niet bij het maken van de afspraken tussen [de ouders] en [de vrouw] betrokken zijn geweest. Het hof gaat dan ook aan dat aanbod als niet dienend voorbij. (…).”
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1
Onderdeel A van het middel komt op tegen het passeren door het hof in rov. 5.13 (zie hiervoor in 2.4) van het aanbod van de man om [ex-echtgenoot] en [hypotheekadviseur] als getuigen te horen. Het onderdeel klaagt onder (i) dat het hof heeft miskend dat het een aanbod tot het leveren van tegenbewijs betreft, dat in beginsel moet worden gehonoreerd, onder (ii) dat het oordeel een niet toegestane prognose van de uitkomst van de bewijslevering inhoudt en onder (iii) dat het hof ten onrechte een specificatie-eis aan het tegenbewijsaanbod heeft verbonden.
3.2
Deze klachten slagen. Het hof diende de man in beginsel overeenkomstig het door hem daartoe gedane aanbod toe te laten tot het leveren van tegenbewijs door het horen van de in het bewijsaanbod genoemde – in het geding niet eerder als getuigen gehoorde – personen. Daaraan doet niet af dat, zoals het hof heeft overwogen, de man in zijn aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet heeft toegelicht wat deze personen meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij al in hun schriftelijke verklaringen hadden vermeld. Een zodanige toelichting kan niet worden verlangd bij een aanbod tot het leveren van tegenbewijs, nu dit aanbod niet behoeft te worden gespecificeerd.2.Voor zover het hof op grond van zijn waardering van de inhoud van de schriftelijke verklaringen aan het bewijsaanbod is voorbijgegaan, loopt dat oordeel ten onrechte vooruit op het resultaat van de bewijslevering, die nog moet plaatsvinden.3.Dat, zoals het hof heeft overwogen, de in het bewijsaanbod als getuigen genoemde personen niet bij het maken van de afspraken tussen de ouders en de vrouw betrokken waren, vormt evenmin een toereikende grond om aan het bewijsaanbod voorbij te gaan. Niet uitgesloten is immers dat getuigenverklaringen ‘van horen zeggen’ dan wel getuigenverklaringen omtrent indrukken die bij een getuige zijn ontstaan naar aanleiding van de gebeurtenissen die in zijn verklaring aan de orde komen, bijdragen aan het bewijs.4.Dat een getuigenverklaring niet berust op een directe eigen waarneming van het te bewijzen feit, kan worden meegewogen bij de bewijswaardering.
3.3
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep
4.1
Met het slagen van het principale beroep is de voorwaarde vervuld waaronder het incidentele beroep is ingesteld.
4.2
De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 januari 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ʼs-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt de ouders in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de man begroot op € 1.009,72 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de ouders in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de man begroot op € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de ouders deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 11 juli 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑07‑2025
Zie onder meer HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726, rov. 3.5.2 (slot), HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2320, rov. 3.5.2 en HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9860, rov. 3.4.3.
Zie onder meer HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726, rov. 3.5.2 (voorlaatste alinea), HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6508, rov. 4.1.6 en HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, rov. 3.6.
Vgl. HR 17 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9446, rov. 3.2, HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5352, rov. 3.5, HR 24 december 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5857 en HR 1 mei 1970, ECLI:NL:HR:1970:AB6706.
Conclusie 14‑02‑2025
Inhoudsindicatie
Geldlening of schenking tussen ouders en dochter? Passeren aanbod (nader) tegenbewijs door getuigen. Verboden bewijsprognose.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01342
Zitting 14 februari 2025
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
[de partner en erfgenaam]
tegen
1. De erfgenamen van [de vader]
2. [verweerster 2]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [de partner en erfgenaam] respectievelijk [de ouders]
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Ten behoeve van de aankoop van een woning is door ouders een bedrag van € 40.000 aan hun dochter ter beschikking gesteld. Volgens een tussen hen opgemaakte onderhandse akte betreft het geldlening tegen een jaarlijkse rente van 4%. Na het overlijden van de dochter vorderen de ouders terugbetaling van de lening, vermeerderd met rente. De enige erfgenaam van de dochter (haar voormalige partner) stelt zich op het standpunt dat sprake was van schenking en dat de tekst van de akte een fiscale achtergrond heeft. In dat verband beroept hij zich op schriftelijke getuigenverklaringen van de voormalige echtgenoot van de dochter en van een hypotheekadviseur. Rechtbank en hof hebben de vorderingen van de ouders toegewezen.
1.2
De klachten van het cassatiemiddel in het principaal beroep richten zich tegen het passeren van een bewijsaanbod. Mijns inziens treft dat beroep doel.
1.3
Het cassatiemiddel in het voorwaardelijk incidenteel beroep treft geen doel en dat beroep kan met toepassing van art. 81 RO worden afgedaan.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1.
(i) [de ouders] zijn de ouders van [de dochter] (hierna ook: [de dochter] ). Tussen hen is een overeenkomst opgemaakt met als datum 11 oktober 2009 waarin is vermeld dat [de dochter] het voornemen heeft om te gaan wonen in [de woning] (hierna: de woning) en dat [de ouders] haar een lening verstrekken van € 40.000 om de aankoop van die woning mogelijk te maken. Verder is daarin bepaald dat de rente 4% op jaarbasis bedraagt, dat die rente jaarlijks gelijk met de aflossing per 1 december is verschuldigd, voor het eerst in 2009 en voor het laatst in 2025, en dat de lening bij verkoop van de woning onmiddellijk wordt afgelost.
(ii) [de dochter] is op 30 oktober 2009 ongedeeld eigenaar geworden van de woning die zij voor € 210.000 heeft aangekocht. Ter financiering van de aankoop daarvan heeft [de dochter] € 186.000 geleend van een bank en daartoe een recht van hypotheek op de woning verleend.
(iii) In juni 2019 is [de dochter] met [de partner en erfgenaam] een geregistreerd partnerschap aangegaan, onder partnerschapsvoorwaarden.
(iv) [de dochter] is op 3 september 2021 overleden. [de partner en erfgenaam] is door [de dochter] bij testament benoemd tot haar enig erfgenaam. [de partner en erfgenaam] heeft de nalatenschap aanvaard.
(v) Met een brief van 22 september 2021 hebben [de ouders] de overeenkomst van geldlening van 11 oktober 2009 opgezegd en aanspraak gemaakt op terugbetaling van de hoofdsom met verschenen contractuele rente.
2.2
Bij inleidende dagvaarding van 16 februari 2022 hebben [de ouders] veroordeling van [de partner en erfgenaam] gevorderd tot terugbetaling van de lening, vermeerderd met rente, tot een bedrag van in totaal primair € 50.463,33. [de partner en erfgenaam] heeft het verweer gevoerd dat de in de overeenkomst opgenomen verklaring om fiscale redenen (het voorkomen van schenkbelasting) niet met de werkelijkheid overeenstemde en dat in werkelijkheid sprake was van schenking. Bij eindvonnis van 28 september 20222.heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, [de partner en erfgenaam] veroordeeld om aan [de ouders] te betalen € 48.000, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 september 2021.
2.3
In hoger beroep heeft [de partner en erfgenaam] vernietiging van het bestreden vonnis gevorderd, afwijzing van de vordering van [de ouders] en veroordeling van [de ouders] gevorderd tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van € 38.853,12, vermeerderd met wettelijke rente en een vergoeding voor incassokosten. Bij eindarrest van 9 januari 20243.heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, [de partner en erfgenaam] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot betaling van schadevergoeding en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
2.4
De dragende overwegingen van het arrest van het hof luiden samengevat als volgt.
Ontvankelijkheid
a. [de vader] , die als procespartij optrad, is tijdens de procedure in hoger beroep op 26 april 2023 overleden. Omdat niet de schorsing van de procedure is ingeroepen, wordt de procedure (mede) op zijn naam voortgezet. (onder 5.1)
b. Omdat [de partner en erfgenaam] in de procedure bij de rechtbank geen tegenvordering (‘eis in reconventie‘) heeft ingesteld en op grond van art. 353 lid 1 Rv het (voor het eerst) in hoger beroep instellen van een eis in reconventie niet mogelijk is, is de vordering van [de partner en erfgenaam] tot betaling van schadevergoeding niet-ontvankelijk. (onder 5.2)
Geldlening of schenking
c. De stelplicht en zo nodig de bewijslast dat sprake is van een geldlening(sovereenkomst), zoals [de ouders] stellen maar [de partner en erfgenaam] betwist, rust conform de hoofdregel van art. 150 Rv op [de ouders] (onder 5.5)
d. Aan de tussen [de ouders] en [de dochter] opgemaakte geldleningsovereenkomst komt dwingende bewijskracht toe, waartegen tegenbewijs kan worden geleverd. (onder 5.6)
e. [de partner en erfgenaam] heeft zich beroepen op feitelijk handelen van [de ouders] en [de dochter] en verwezen naar de mailwisseling tussen [de vader] en [de dochter] van 30 augustus 2009, de brieven van de hypotheekverstrekkende bank van oktober 2019 en de schriftelijke verklaringen van [de ex-echtgenoot] (de ex-echtgenoot van [de dochter] ) en van [de hypotheekadviseur] (van hypotheekadviseur Flevo Finance). Een en ander, ook in samenhang bezien, is onvoldoende om tot een weerlegging (in de zin van ontzenuwing) van genoemd dwingend bewijs te concluderen. Dat is gebaseerd op het volgende. (onder 5.7)
f. Uit de door [de partner en erfgenaam] overgelegde e-mailberichten van 30 augustus 2009 kan hooguit worden afgeleid dat [de ouders] mogelijk in de toekomst aan [de dochter] schenkingen zouden doen, als gevolg waarvan de hoofdsom van de geldlening kleiner zou worden en/of de contractuele rente niet zou hoeven worden betaald of zou worden ‘terugbetaald’. (onder 5.8)
g. Ook de verklaring van [de ex-echtgenoot] biedt onvoldoende steun voor de stelling van [de partner en erfgenaam] dat het bedrag van € 40.000 (van meet af aan) een schenking betrof. Dat hij verklaart zich niet bewust te zijn van een leningsovereenkomst en dat genoemd bedrag alleen maar als lening was opgenomen om te voorkomen dat schenkingsrecht betaald moest worden, is niet toegelicht en verhoudt zich niet met wat [de dochter] in haar belastingaangifte verantwoordde. (onder 5.9)
h. De verklaring van [de hypotheekadviseur] geeft geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat hij in enig opzicht bij de totstandkoming en/of uitvoering van de overeenkomst van 11 oktober 2009 betrokken is geweest. Het enige wat uit die verklaring volgt is dat [de dochter] tegenover [de hypotheekadviseur] en/of de hypotheekverstrekker mogelijk geen openheid van zaken heeft gegeven om het verkrijgen van de hypotheek niet in gevaar te brengen. (onder 5.10)
i. Het gegeven dat [de dochter] in oktober 2019 op de hoofdsom van de hypothecaire geldlening heeft afgelost en niet aan haar ouders heeft terugbetaald, zoals [de partner en erfgenaam] aanvoert, levert evenmin een aanwijzing op dat onjuist is dat [de dochter] geld van haar ouders zou hebben geleend. (onder 5.11)
j. Tot slot, het gegeven dat [de ouders] tot het overlijden van hun dochter geen aanspraak hebben gemaakt op betaling van rente en/of aflossing dwingt evenmin tot een conclusie dat het bedrag in oktober 2009 niet als lening is ter beschikking gesteld. (onder 5.12)
k. [de partner en erfgenaam] heeft nog aangevoerd dat hij tot getuigenbewijs had moeten worden toegelaten. Hij heeft in dat verband zijn bewijsaanbod herhaald en aangeboden [de ex-echtgenoot] en [de hypotheekadviseur] als getuigen te laten horen. Nog daargelaten dat [de partner en erfgenaam] niet heeft toegelicht wat zij meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij al in hun schriftelijke verklaringen hebben vermeld, ziet dat aanbod eraan voorbij dat [de ex-echtgenoot] en [de hypotheekadviseur] niet bij het maken van de afspraken tussen [de ouders] en [de dochter] betrokken zijn geweest. Het hof gaat dan ook aan dat aanbod voorbij. (onder 5.13)
Jaarlijkse schenkingen
l. Volgens [de partner en erfgenaam] heeft de rechtbank miskend dat er een tweede afspraak was tussen [de ouders] en [de dochter] , inhoudende – naar het hof begrijpt – de jaarlijkse schenking van rente en aflossing. Die stelling passeert het hof als onvoldoende onderbouwd. (onder 5.14-5.17)
Opeisbaarheid
m. Het verweer van [de partner en erfgenaam] dat de geldleningsovereenkomst nog niet opeisbaar was, houdt geen stand. (onder 5.18-5.19)
De conclusie
n. De bezwaren van [de partner en erfgenaam] tegen het vonnis van de rechtbank falen. Dat vonnis zal worden bekrachtigd. (onder 5.20)
o. Het hof zal [de partner en erfgenaam] veroordelen in proceskosten, waaronder de nakosten. (onder 5.21)
2.5
Bij procesinleiding van 8 april 2024 heeft [de partner en erfgenaam] tijdig cassatieberoep ingesteld. [de ouders] hebben verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. [de partner en erfgenaam] heeft verweer gevoerd. [de ouders] hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten.
3. Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Beide onderdelen richten zich tegen het passeren van het door [de partner en erfgenaam] gedane aanbod tot het horen van getuigen.
3.2
In het verband van zijn verweer dat in plaats van geldlening sprake was van een schenking4.heeft [de partner en erfgenaam] bij conclusie van antwoord schriftelijke verklaringen van [de ex-echtgenoot] en [de hypotheekadviseur] overgelegd5.en aangeboden hen als getuigen te doen horen.6.De rechtbank heeft dat aanbod gepasseerd op grond van de overweging dat het verklaringen-van-horen-zeggen zijn via [de dochter] . Daarnaast heeft de rechtbank overwegingen gewijd aan de inhoud van de schriftelijke verklaringen van [de hypotheekadviseur] en [de ex-echtgenoot] . Ik citeer de rechtbank:
‘3.2. [de partner en erfgenaam] voert aan dat alleen administratief sprake was van een lening en dat partijen nooit de bedoeling hebben gehad dat [de dochter] het bedrag daadwerkelijk zou terugbetalen. [de partner en erfgenaam] betoogt dat sprake is van een schenking, die teneinde renteaftrek te faciliteren en schenkbelasting te voorkomen is gegoten in het vat van een geldleningsovereenkomst. Ter onderbouwing hiervan verwijst [de partner en erfgenaam] naar schriftelijke verklaringen van de heren [de hypotheekadviseur] en [de ex-echtgenoot] .
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze verklaringen echter geen onderbouwing van de stellingen van [de partner en erfgenaam] . Beide verklaringen omvatten geen eigen waarneming van hetgeen [de dochter] en [de ouders] hebben afgesproken, maar zijn verklaringen van horen-zeggen via [de dochter] . Aan deze verklaringen kan bovendien geen vermoeden worden ontleend dat sprake is van een schenking. [de hypotheekadviseur] verklaart, voor zover relevant, in algemene zin dat er geen lening zou mogen zijn, omdat anders de hypotheek niet verstrekt zou zijn. [de hypotheekadviseur] verklaart niet dat [de dochter] tegen hem heeft gezegd dat zij de gelden geschonken heeft gekregen van haar ouders. [de ex-echtgenoot] verklaart dat hij jaarlijks de lening in de inkomstenbelasting heeft verwerkt en rente in de aangifte heeft opgenomen. Dit wijst op het bestaan van een lening. Verder verklaart hij dat hij zich niet “bewust was van een leenovereenkomst” en dat, “voor zover hij weet”, het bedrag van € 40.000,– was geschonken. Hij verklaart niet dat [de dochter] tegen hem heeft gezegd dat sprake was van een schenking maar verklaart over zijn eigen interpretatie van de gang van zaken. [de ex-echtgenoot] verklaart alléén ten aanzien van de rente dat [de dochter] hem heeft aangegeven dat dit diende te worden beschouwd als betaald en tegelijk geschonken. Dit wordt door [de ex-echtgenoot] niet verklaard over de hoofdsom. Dat bovendien, zoals [de partner en erfgenaam] betoogt, nooit aflossing en/of rente is betaald, terwijl dit bij een lening wel voor de hand ligt, betekent niet dat geen sprake is van een lening. Ook zonder het betalen van aflossing en/of rente kan immers sprake zijn van een lening.’
3.3
Met grief 1 is [de partner en erfgenaam] tegen deze overwegingen van de rechtbank opgekomen, als volgt:7.
’12. Ten onrechte heeft de rechtbank [de partner en erfgenaam] niet in de gelegenheid gesteld aangedragen verklaringen middels getuigenbewijs in de procedure te kunnen brengen. [de partner en erfgenaam] heeft zijn argumenten en stellingen deugdelijk onderbouwd. Uit alle feiten en omstandigheden blijkt nu ook juist de logica van de constructie. Bovendien staat in rechte vast dat [de dochter] geen enkele betaling heeft gedaan uit hoofde van de geldleningsovereenkomst, hetgeen een sterke aanwijzing is dat er inderdaad sprake is van de constructie zoals hierboven beschreven. De rechtbank had, indien de rechtbank de verklaringen onvoldoende zou hebben geacht, [de partner en erfgenaam] in de gelegenheid moeten stellen getuigenbewijs te leveren. Alsdan hadden de beide heren deze verklaring in het geding kunnen brengen en hadden deze nader kunnen worden toegelicht.’
3.4
In het slot van de memorie van grieven heeft [de partner en erfgenaam] zijn bewijsaanbod herhaald, als volgt:
‘33. (…) [de partner en erfgenaam] biedt hierbij nogmaals uitdrukkelijk aan zijn stellingen te bewijzen middels het (alsnog) laten horen van de hiervoor genoemde getuigen, zijnde [de hypotheekadviseur] en [de ex-echtgenoot] .’
3.5
Ook het hof heeft de zaak beslist zonder getuigen te horen. In rechtsoverweging 5.13 van zijn arrest passeert het hof het aanbod om [de ex-echtgenoot] en [de hypotheekadviseur] te doen horen. Die overweging staat in verband met hetgeen het hof daaraan voorafgaand naar aanleiding van hun schriftelijke verklaringen heeft overwogen. Ik citeer rechtsoverweging 5.7, 5.9, 5.10 en 5.13 van het arrest van het hof:
‘5.7 Wat betreft de vraag of [de partner en erfgenaam] zodanige feiten en omstandigheden heeft aangevoerd dat daaruit kan worden afgeleid dat het geen lening was, geldt het volgende. Voor het slagen van tegenbewijs is het in [het] algemeen voldoende dat het door de andere partij ( [de ouders] ) geleverde bewijs (ondertekende overeenkomst van geldlening) erdoor wordt ontzenuwd. [de partner en erfgenaam] heeft zich daarvoor beroepen op feitelijk handelen van [de ouders] en [de dochter] en verwezen naar de mailwisseling tussen [de vader] en [de dochter] van 30 augustus 2009, de brieven van de hypotheekverstrekkende bank van oktober 2019 en de schriftelijke verklaringen van [de ex-echtgenoot] (de ex-echtgenoot van [de dochter] ) en van [de hypotheekadviseur] (van hypotheekadviseur Flevo Finance). Een en ander, ook in samenhang bezien, is onvoldoende om tot een weerlegging (in de zin van ontzenuwing) van genoemd dwingend bewijs te concluderen. Dat is gebaseerd op het volgende.
(…)
5.9
Ook de verklaring van [de ex-echtgenoot] biedt onvoldoende steun voor de stelling van [de partner en erfgenaam] dat het bedrag van € 40.000,– (van meet af aan) een schenking betrof. Hij verklaart immers [de dochter] over de belastingjaren 2009 tot en met 2020 geholpen te hebben met het door haar doen van de aangifte Inkomstenbelasting. Ieder jaar voerde zij in dat verband volgens hem € 1.600,– (4% van € 40.000,–) aan aftrekbare rente op. Daaruit volgt dat [de dochter] zich ook gedroeg als schuldenaar van genoemd bedrag, wat het bestaan van een lening bevestigt. Gelet op het gelijkblijvende bedrag aan contractuele rente volgt daaruit verder dat de hoofdsom onveranderd bleef. Daarmee deden [de ouders] kennelijk, anders dan op of omstreeks 30 augustus 2009 als mogelijkheid aan de orde is geweest, geen schenkingen die de hoofdsom in omvang verminderden. Dat hij verder verklaart zich niet bewust te zijn van een leningsovereenkomst en dat genoemd bedrag alleen maar als lening was opgenomen om te voorkomen dat schenkingsrecht betaald moest worden, is verder niet toegelicht en verhoudt zich niet met wat [de dochter] in haar belastingaangifte verantwoordde.
5.10
De verklaring van [de hypotheekadviseur] geeft geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat hij in enig opzicht bij de totstandkoming en/of uitvoering van de overeenkomst van 11 oktober 2009 betrokken is geweest. Aan zijn verklaring dat het destijds voor de aankoop van de woning benodigde bedrag aan eigen middelen door [de dochter] van haar ouders is verkregen en dat er geen sprake van kan zijn dat dit een lening zou zijn omdat het dan de hoofdsom van de hypothecaire geldlening zou verlagen, komt niet die betekenis toe die [de partner en erfgenaam] daaraan toegekend wil zien. Het enige wat daaruit volgt is dat [de dochter] tegenover [de hypotheekadviseur] en/of de hypotheekverstrekker mogelijk geen openheid van zaken heeft gegeven om het verkrijgen van de hypotheek niet in gevaar te brengen. Daaruit volgt nog niet dat er tussen [de ouders] en [de dochter] geen sprake was van een overeenkomst van geldlening.
(…)
5.13
[de partner en erfgenaam] heeft nog aangevoerd dat hij tot getuigenbewijs had moeten worden toegelaten. Hij heeft in dat verband zijn bewijsaanbod herhaald en aangeboden [de ex-echtgenoot] en [de hypotheekadviseur] als getuigen te laten horen. Nog daargelaten dat [de partner en erfgenaam] niet heeft toegelicht wat zij meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij al in hun schriftelijke verklaringen hebben vermeld, ziet dat aanbod eraan voorbij dat [de ex-echtgenoot] en [de hypotheekadviseur] niet bij het maken van de afspraken tussen [de ouders] en [de dochter] betrokken zijn geweest. Het hof gaat dan ook aan dat aanbod als niet [ter zake?] dienend voorbij. Met al het voorgaande faalt het eerste bezwaar.’
3.6
Onderdeel A richt diverse klachten tegen rechtsoverweging 5.13.8.
3.7
3.8
Mijns inziens slaagt deze klacht niet. De steller van het middel verwijst naar de zaak Keskin/Nederland van het EHRM.9.Dat is niet overtuigend. Die zaak betreft een strafzaak. Art. 6 lid 3 aanhef en onder d EVRM kent aan de verdachte in een strafzaak een bijzonder recht toe om ‘de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge’. Het EHRM verwijst in zijn beslissing in de zaak Keskin/Nederland ook herhaald naar dit bijzonder recht van de verdediging in strafzaken.10.
3.9
Art. 6 lid 1 EVRM, zoals in civiele procedures van toepassing, waarborgt niet een recht op getuigenbewijs.11.De voorwaarden waaronder een zodanig recht bestaat, is een kwestie van nationaal procesrecht. Wel moet de procedure in haar geheel, met inbegrip van de toegang tot getuigenbewijs, ‘eerlijk’ zijn in de zin van het verdrag. Een verschil in behandeling van de partijen wat betreft de toegang tot getuigenbewijs of de waardering van getuigenverklaringen zal een schending van het beginsel van equality of arms kunnen opleveren.12.Ook zal de civiele rechter die een verzoek tot het horen van getuigen afwijst, die afwijzing voldoende moeten motiveren en die weigering mag geen willekeur opleveren of een onevenredige beperking inhouden van de mogelijkheid voor een partij om argumenten ter ondersteuning van haar zaak naar voren te brengen.13.
3.10
Dat een van de zojuist aangeduide gevallen van schending van art. 6 EVRM (schending van equality of arms, onvoldoende motivering, willekeur of onevenredige beperking) zich voordoet, houdt de klacht niet in. De steller van het middel poneert eenvoudig dat het recht op het horen van getuigen sinds Keskin/Nederland een ‘absoluut karakter’ draagt, en dat dit ook geldt in civiele procedures. Voor het laatste beroept hij zich ‘op de beschikbare rechtsliteratuur’, met vermelding in een voetnoot van één auteur, namelijk W.D.H. Asser in zijn boek uit de serie Asser Procesrecht, met vermelding van paragraafnummers.14.Wie deze paragrafen naslaat, komt echter tot de conclusie dat Asser Keskin/Nederland in het geheel niet bespreekt (wat vanwege het verschil tussen straf- en civiele zaken niet verwonderlijk is). Ook lees ik bij Asser niet het betoog dat uit art. 6 EVRM een ‘absoluut’ recht op het horen van getuigen in civiele zaken volgt of zou moeten volgen. Ook overigens zie ik voor een zodanige opvatting geen aanknopingspunt, ook niet op basis van het EU-Grondrechtenhandvest.
3.11
Het onderdeel bevat echter ook klachten die zich op nationaal procesrecht baseren.
3.12
Onder (i) en (iii) beroept [de partner en erfgenaam] zich op de regel dat een aanbod tot het leveren van tegenbewijs moet worden gehonoreerd en dat niet de eis mag worden gesteld dat dit aanbod gespecificeerd is.15.In het licht van die regel geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel onbegrijpelijk.
3.13
Deze klachten slagen mijns inziens. Het oordeel van het hof berust niet op de overweging dat [de partner en erfgenaam] de inhoud van (de akte van) de geldleningsovereenkomst onvoldoende heeft betwist.16.Voor zover de beslissing van het hof om het bewijsaanbod van [de partner en erfgenaam] te passeren is gebaseerd op een waardering van het bewijsmateriaal zoals in de processtukken reeds voorhanden (waaronder de e-mailwisseling van 20 augustus 2009, zoals besproken in rechtsoverweging 5.8), miskent het hof dat het [de partner en erfgenaam] ingevolge art. 151 lid 2 Rv vrijstaat om (nader) tegenbewijs te leveren, voordat een definitieve waardering van de bewijsmiddelen wordt gegeven.17.
3.14
Mijns inziens verandert de omstandigheid dat schriftelijke getuigenverklaringen van [de ex-echtgenoot] en [de hypotheekadviseur] in het geding waren gebracht en het hof de inhoud daarvan reeds had onderzocht, daaraan niets. Het zou mogelijk anders zijn als uit die verklaringen zou blijken dat de getuigen geen wetenschap (kunnen) hebben van voor de beslissing van de zaak relevante feiten,18.maar dat geval doet zich klaarblijkelijk niet voor. Het tegendeel ligt besloten in wat het hof over de schriftelijke verklaringen van [de ex-echtgenoot] en [de hypotheekadviseur] zegt. In rechtsoverweging 5.9 zegt het hof over de verklaring van [de ex-echtgenoot] dat ‘verder niet is toegelicht’ (cursivering toegevoegd) dat [de ex-echtgenoot] zich niet bewust is van een leningsovereenkomst en dat van een lening alleen sprake was om te voorkomen dat schenkingsrecht betaald moest worden. En in rechtsoverweging 5.10 zegt het met betrekking tot de verklaring van [de hypotheekadviseur] dat uit diens verklaring ‘nog niet volgt dat er tussen [de ouders] en [de dochter] geen sprake was van een overeenkomst van geldlening’ (idem). (Zou het aankomen op de opportuniteit van ’s hofs beslissing, dan zou ik menen dat in deze overwegingen juist zeer goede redenen besloten liggen om [de ex-echtgenoot] en [de hypotheekadviseur] wél als getuigen te willen horen. Volgens het voorgaande komt het daarop echter niet aan.)19.
3.15
Onder (ii) van het onderdeel is nog de rechts- en motiveringsklacht te lezen dat het oordeel van het hof dat het bewijsaanbod van [de partner en erfgenaam] ‘niet dienend’ is, al dan niet impliciet neerkomt op een ontoelaatbare bewijsprognose.
3.16
Mijns inziens slagen ook deze klachten. Ik neem aan dat het hof met ‘niet dienend’ niet ter zake dienend bedoelt, namelijk in de zin dat het bewijsaanbod ziet op feiten die niet tot een beslissing van de zaak kunnen leiden als bedoeld in art. 166 lid 1 Rv. Het oordeel dat dit geval zich zou voordoen, is onbegrijpelijk en komt inderdaad neer op een bewijsprognose. De schriftelijke verklaringen van [de ex-echtgenoot] en [de hypotheekadviseur] gaan immers wel degelijk over een kwestie die voor de zaak potentieel van beslissende betekenis is, namelijk of mogelijk sprake is van schenking in plaats van geldlening. Uiteraard ziet ook het aanbod om hen te horen juist op die vraag. Het hof overweegt dat [de ex-echtgenoot] en [de hypotheekadviseur] niet bij het maken van de afspraken tussen [de ouders] en [de dochter] betrokken zijn geweest, maar dit neemt niet weg dat zij kunnen verklaren over wat zij van [de dochter] daarover hebben begrepen; ook zulke wetenschap-van-horen-zeggen komt in aanmerking.20.De werkelijke reden van ’s hofs beslissing lijkt te zijn (althans het gelukt mij niet een andere reden in oog te krijgen) dat het hof de schriftelijke verklaringen van [de ex-echtgenoot] en [de hypotheekadviseur] nog niet overtuigend vindt en veronderstelt dat dit ook met hun verklaringen als getuigen wel zo zal blijken te zijn. Welnu, dat geeft dan blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zie het arrest van uw Raad van 9 juli 2004:21.
‘de rechter [mag] niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod (…) voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte vooruit zou lopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden.’
3.17
De overige klachten van het middel behoeven geen bespreking meer.
4. Bespreking van het middel in het incidenteel beroep
4.1
Uitgaande van wat hiervoor over het principaal cassatieberoep is gezegd, is de voorwaarde die het cassatiemiddel in het incidenteel beroep bevat, vervuld.
4.2
Volgens Onderdeel A had het hof moeten onderkennen dat [de partner en erfgenaam] het bestaan van de geldleningsovereenkomst in zijn betoog heeft opgenomen en de geldlening daarmee erkend. Ook heeft het hof in rechtsoverweging 5.6 vastgesteld dat er een geldleningsovereenkomst is opgemaakt die door [de ouders] en [de dochter] is ondertekend. Volgens het onderdeel had het hof hierom ex art. 149 lid 1 Rv het bestaan van de geldleningsovereenkomst behoren vast te stellen.
4.3
Deze klachten berusten op verwarring. Het klopt dat [de partner en erfgenaam] in de gedingsstukken het bestaan van een ‘geldleningsovereenkomst’ heeft vermeld. De strekking daarvan is niet meer of anders dan dat [de partner en erfgenaam] erkent dat tussen [de ouders] en [de dochter] een akte is ondertekend die de verklaring inhoudt dat tussen hen een geldleningsovereenkomst tot stand was gekomen. De waarheid van die verklaring wordt door [de partner en erfgenaam] echter betwist. Volgens hem luidt die verklaring om fiscale redenen zoals zij luidt, en is tussen de partijen in werkelijkheid, en wel van de aanvang af, schenking van het bedrag van € 40.000 overeengekomen. Dit komt er dus op neer dat met de in de akte opgenomen verklaring een geldleningsovereenkomst is gesimuleerd. Kortom, [de partner en erfgenaam] heeft de door [de ouders] gestelde geldleningsovereenkomst niet erkend maar betwist. Het onderdeel faalt.
4.4
Volgens Onderdeel B rust, anders dan het hof heeft gemeend, volgens de hoofdregel van bewijslastverdeling van art. 150 Rv op [de partner en erfgenaam] de bewijslast van zijn stelling dat [de ouders] het uitgeleende bedrag aan [de dochter] hebben geschonken. Voor zover die klacht berust op de veronderstelling dat [de partner en erfgenaam] de stelling van [de ouders] dat de overeenkomst van geldlening bestaat, niet of onvoldoende heeft betwist, geldt daarvoor wat zojuist over onderdeel A is gezegd.
4.5
Ook overigens slaagt de klacht niet. In dit geding hebben [de ouders] aanspraak gemaakt op terugbetaling van € 40.000, vermeerderd met 4% rente per jaar, op de grond dat zij dat bedrag aan [de dochter] hebben uitgeleend en daarbij die rente zijn overeengekomen. Het zijn dus [de ouders] die zich beroepen op de rechtsgevolgen van de door hen gestelde overeenkomst van geldlening. Dat tussen [de dochter] en hen een akte is opgemaakt die een verklaring bevat die met hun stellingen overeenkomt, doet niet de bewijslast en het bewijsrisico op [de partner en erfgenaam] overgaan, maar heeft wel tot gevolg dat behoudens door [de partner en erfgenaam] te leveren tegenbewijs het bewijs van de geldleningsovereenkomst is geleverd. Tegenbewijs tegen een akte is niet meer dan het ontzenuwen van het bewijs dat in de akte besloten ligt.22.Art. 157 lid 2 Rv heeft dus niet een bewijslastomkering tot gevolg.
4.6
In het onderdeel is verder nog de klacht te lezen dat het hof het bewijsaanbod van [de partner en erfgenaam] als onvoldoende (ik begrijp: als onvoldoende gespecificeerd) had moeten passeren.
4.7
Ook deze klacht is tevergeefs voorgesteld. In cassatie kan wel geklaagd worden dat een bewijsaanbod door de rechter ten onrechte is gepasseerd, maar niet dat hij een bewijsaanbod niet heeft gepasseerd, en ook niet (zoals de klacht doet) dat hij het niet op andere gronden gepasseerd heeft dan waarop hij het gepasseerd heeft. De rechter kan immers ook zonder bewijsaanbod, dus ambtshalve, een partij tot getuigenbewijs toelaten (art. 166 lid 1 slot Rv). Daaruit volgt ook dat hij niet verplicht is om naar aanleiding van enig (verondersteld) gebrek in een bewijsaanbod, dat aanbod te passeren.
5. Conclusie
De conclusie strekt in het principaal beroep tot vernietiging en verwijzing en in het incidenteel beroep tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 14‑02‑2025
Vergelijk het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 9 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:197, onder 3.1 t/m 3.5.
Niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Zie conclusie van antwoord onder 17 en 18.
Producties 1 en 2 bij conclusie van antwoord.
Conclusie van antwoord onder 31.
Memorie van grieven onder 12.
De tekst van het onderdeel vermeldt rechtsoverwegingen 5.5 tot en met 5.13 als de door het onderdeel aangevallen overwegingen, maar gelet op de inhoud van de klachten van het onderdeel wordt alleen rechtsoverweging 5.13 aangevallen.
EHRM 19 januari 2021, 2205/16, NJ 2021/93 m.nt. W.H. Vellinga (Keskin/Nederland).
Punten 40, 42, 43, 56, 59, 61 en 76.
EHRM 15 maart 2016, 39966/09, AB 2016/132 m.nt. T. Barkhuysen & M.L. van Emmerik (Sijbers/Nederland), onder 50c. Vergelijk Guide on Article 6 of the European Convention on Human Rights: Right to a fair trial (civil limb), Council of Europe/European Court of Human Rights, 2024, par. 229.
EHRM 27 oktober 1993, 14448/88, NJ 1988/725 m.nt. W.H. Heemskerk (Dombo Beheer/Nederland).
EHRM 18 juni 2002, 24541/94 (Wierzbicki/Polen).
Asser Procesrecht/Asser 3 2023. De procesinleiding in cassatie verwijst naar par. 2.8, 5.3.3, 7.3.2 en 7.3.4.
Vaste rechtspraak. Zie laatstelijk HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:856, NJ 2021/216.
Ondanks de eerste zin van rechtsoverweging 5.7 lees ik het arrest zo niet. Ik bedoel dit niet als een suggestie om het in het vervolg anders op te schrijven, want gezien de stukken was een oordeel dat zich op de stelplicht baseerde, hier niet voorstelbaar, althans ongepast.
HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726, NJ 2022/87 m.nt. H.J. Snijders, onder 3.5.2.
Vergelijk HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6496, NJ 2012/97, onder 3.6; HR 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1149, onder 3.4.2.
Dat de in het bewijsaanbod van [de partner en erfgenaam] genoemde getuigen [de ex-echtgenoot] en [de hypotheekadviseur] inderdaad wetenschap hebben van relevante feiten volgt mijns inziens ook uit de inhoud hun schriftelijke verklaringen, producties 1 en 2 bij conclusie van antwoord.
Vaste rechtspraak sinds HR 26 november 1948, ECLI:NL:HR:1948:146, NJ 1949/149 m.nt. Ph.A.N. Houwing. In dezelfde zin HR 17 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9446, NJ 2003/721, onder 3.2.
HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270 m.nt. W.D.H. Asser, onder 3.6.
HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0613, NJ 2008/219 m.nt. C.J.M. Klaassen.
Beroepschrift 08‑04‑2024
PROCESINLEIDING VORDERINGSZAAK IN CASSATIE (art. 407 Rv)
PARTIJEN
Eiser tot cassatie is de heer [de partner en erfgenaam], wonende te [woonplaats], hierna te noemen ‘[de partner en erfgenaam]’.
Eiser kiest voor deze zaak domicilie te (2566 LB) Den Haag aan het adres Sportlaan 40 op het kantoor van Delissen Martens advocaten belastingadviseurs mediation, van wie de advocaat bij de Hoge Raad mr. M.J. van Basten Batenburg als zodanig voor hem optreedt en namens hem deze procesinleiding ondertekent en indient.
Verweerders in cassatie zijn:
- —
de erfgenamen van wijlen de heer [de vader], die bij leven woonde te [woonplaats], hierna te noemen ‘[de vader]’1.
en
- —
mevrouw [verweerster 2], die woont in [woonplaats], hierna te noemen ‘[verweerster 2]’.
Verweerders hebben in de vorige instantie domicilie gekozen op het kantoor van de advocaat mr. J. Brakke (AAN Advocaten), met als kantooradres Gildenveld 29 te (3892 DD) Zeewolde.
CASSATIEBEROEP
[de partner en erfgenaam] stelt beroep in cassatie in tegen het (eind)arrest van 9 januari 2024 gewezen in hoger beroep door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) met zaaknummer 200.320.623/01 tussen [de partner en erfgenaam] als appellant en (wijlen) [de vader] en [verweerster 2] als geïntimeerden.
BEVOEGDE RECHTER
De Hoge Raad der Nederlanden, gevestigd te (2511 EK) Den Haag aan het adres Korte Voorhout 8, is de bevoegde rechter die kennisneemt van het cassatieberoep.
Verschijnen verweerders
Verweerders in cassatie kunnen, vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, ten laatste verschijnen op vrijdag zeventien mei tweeduizendvierentwintig (17-05-2024). De enkelvoudige civiele kamer behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden om 10.00 uur.
Waar gaat de zaak over ?
Het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat in cassatie centraal staat dateert van 9 januari 2024 en is gewezen na een hoger beroep van [de partner en erfgenaam] tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 28 september 2022.2.
De kern van de zaak is weergegeven in het arrest onder rov. 2.
[de ouders] c.s. spreken [de partner en erfgenaam] aan als erfgenaam van hun dochter [de dochter] tot terugbetaling van een bedrag dat zij stellen aan hun dochter te hebben geleend.
[de partner en erfgenaam] verweert zich door aan te voeren dat geen sprake is van een lening maar van een schenking.
De rechtbank en het hof oordeelden in het nadeel van [de partner en erfgenaam].
[de partner en erfgenaam] komt thans van het arrest in cassatie en voert rechts- en motiveringsklachten aan tegen de overwegingen van het hof.
Cassatiemiddel
[de partner en erfgenaam] voert tegen het voormelde arrest van het hof het navolgende middel van cassatie aan:
Schending van het recht, en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, omdat het hof heeft overwogen en beslist als vermeld in het arrest waarvan beroep, ten onrechte, vanwege na te melden in onderling verband en samenhang te beschouwen redenen, weergegeven in de diverse hierna te noemen klachtonderdelen.
Klachten
Het middel valt uiteen in de hierna vermelde klachtonderdelen A, B en C.
Onderdeel A
Het hof geeft in zijn overwegingen 5.5 tot en met 5.13 blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 151 lid 2 Rv, in samenhang bezien met artt. 166 Rv jo 353 lid 1 Rv, alsmede jurisprudentie van uw Hoge Raad, door het bewijsaanbod van [de partner en erfgenaam] tot het horen van enkele getuigen te passeren, althans is het oordeel onbegrijpelijk, onvoldoende inzichtelijk en niet aanvaardbaar. Meer in het bijzonder voert [de partner en erfgenaam] de volgende subonderdelen aan:
- (i)
Het hof miskent in voornoemde overwegingen dat het bewijsaanbod van [de partner en erfgenaam] een aanbod tot het leveren van tegenbewijs is, dat in beginsel volgens uw Hoge Raad dient te worden gehonoreerd.
- (ii)
Het hof legt in rov. 5.13 — al dan niet impliciet — een niet door uw Hoge Raad toegestane prognose van de bewijslevering ten grondslag aan zijn overweging dat het bewijsaanbod van [de partner en erfgenaam] niet dienend (niet relevant) is.
- (iii)
Het hof verbindt in rov. 5.13 — al dan niet impliciet — een specificatie-eis aan het bewijsaanbod van [de partner en erfgenaam], hetgeen volgens vaste jurisprudentie van uw Hoge Raad niet is toegestaan bij een aanbod tot het leveren van tegenbewijs.
- (iv)
Het passeren van het bewijsaanbod door het hof in rov. 5.13 is in strijd met het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM en/of art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (‘het Handvest’), doordat het hof de getuigen zoals voortgebracht door [de partner en erfgenaam] weigert te horen, terwijl hun verklaringen van beslissende betekenis in het geding kunnen zijn, althans tot een ander feitelijk oordeel zouden kunnen leiden. Tevens heeft het hof door aldus te beslissen het fundamentele recht op hoor en wederhoor miskend.
- (v)
Het passeren van het bewijsaanbod van [de partner en erfgenaam] door het hof in rov. 5.13 is onvoldoende gemotiveerd omdat het hof niet kenbaar ingaat op de essentiële stelling van [de partner en erfgenaam] dat de getuigen de waarachtigheid van de akte van geldlening via hun verklaringen kunnen ondergraven.
Toelichting op de klachtonderdelen van onderdeel A
Inleiding
De klachten van onderdeel A hebben betrekking op het passeren van het bewijsaanbod van [de partner en erfgenaam], dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is gedaan. Via het bedoelde bewijsaanbod wenst [de partner en erfgenaam] de getuigen [ex-echtgenoot] en [hypotheekadviseur] te horen, die verklaringen kunnen afleggen over de relevante vraag of de akte van geldlening — die door het hof is aanvaard als dwingend bewijs van de stelling van [de ouders] c.s. dat sprake is van een lening tussen hen en hun overleden dochter [de dochter] — waarachtig is of niet.3. De centrale stelling van [de partner en erfgenaam] in dit geding is dat er feitelijk geen sprake is geweest van een leningsovereenkomst, maar van een eenmalige schenking die, teneinde renteaftrek te faciliteren en schenkbelasting te voorkomen, is gegoten in het vat van een geldleningsovereenkomst.4.
Teneinde die stelling te bewijzen heeft [de partner en erfgenaam] zich beroepen op de getuige [ex-echtgenoot], de voormalige partner van [de dochter], die een schriftelijke verklaring heeft afgelegd welke in eerste aanleg in het geding is gebracht.5. [ex-echtgenoot] verklaart daarin onder meer dat hij in de periode 2010–2021 jaarlijks geholpen heeft met het opstellen van de aangifte inkomstenbelasting van [de dochter]. Het steeds opgegeven bedrag van € 1.600,-- aan aftrekbare rente betaalde [de dochter] echter niet aan haar ouders, maar diende te worden beschouwd als betaald en geschonken, zo verklaart [ex-echtgenoot]. Tevens verklaart [ex-echtgenoot] zich niet bewust te zijn geweest van een leenovereenkomst. Volgens [ex-echtgenoot] was het bedrag van € 40.000,-- geschonken maar opgenomen in de belastingaangifte als langlopende lening omdat er anders schenkingsrecht over betaald moest worden. Dit zou volgens [ex-echtgenoot] later verrekend worden met de erfenis van [de dochter]s ouders.6.
Ook beriep [de partner en erfgenaam] zich op een verklaring van [hypotheekadviseur], van hypotheekadviseur ‘Flevo Finance’, die nadrukkelijk verklaart dat bij het verstrekken van de hypotheek aan [de dochter] er geen sprake was van een lening van de ouders, omdat anders de hypotheek niet door de bank verstrekt kon worden. De lasten van een lening zouden namelijk de hoofdsom van de hypotheek verlagen.7.
De twee schriftelijke verklaringen van [ex-echtgenoot] en [hypotheekadviseur] zoals in het geding gebracht door [de partner en erfgenaam] laten zien dat beide getuigen feitenkennis hebben omtrent de uitvoering van de geldleningsovereenkomst en zij in dat kader wetenschap hebben van feiten en omstandigheden die er op wijzen dat uiteindelijk geen sprake was van een lening maar van een schenking. Beide getuigen zijn weliswaar niet aanwezig geweest bij het opstellen van de leenovereenkomst maar kunnen kennelijk wel verklaren over de waarheidsgetrouwheid van die akte, gelet op de uitvoeringspraktijk van [de dochter], zoals die plaatsvond in de periode erna, 2010–2021.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overwoog in haar vonnis dat de getuigenverklaringen geen eigen waarnemingen bevatten, maar verklaringen van horen zeggen zijn, via [de dochter]. Aan de verklaringen kon volgens de rechtbank geen vermoeden worden ontleend dat sprake was van een schenking. Zo verklaart [hypotheekadviseur] niet dat [de dochter] tegen hem gezegd heeft dat zij gelden geschonken heeft gekregen van haar ouders. Ook [ex-echtgenoot] zou volgens de rechtbank enkel zijn eigen interpretatie van de gang van zaken vermelden. [ex-echtgenoot] verklaart alleen ten aanzien van de rente dat [de dochter] hem heeft aangegeven dat dit diende te worden beschouwd als betaald en tegelijk geschonken. Dat wordt door [ex-echtgenoot] echter niet verklaard over de hoofdsom, aldus de rechtbank. Tenslotte overweegt de rechtbank dat ook zonder het betalen van aflossing en rente sprake kan zijn van een lening.8.
Het bewijsaanbod in hoger beroep
Hoewel de rechtbank het niet expliciet overweegt, wordt het bewijsaanbod van [de partner en erfgenaam] dus gepasseerd.9. In hoger beroep trekt [de partner en erfgenaam] onder grief 1 ten strijde tegen de voormelde overweging van de rechtbank, en daarmee tegen het passeren van het terzake relevante bewijsaanbod. Onder meer voert [de partner en erfgenaam] aan dat uit de verklaring van [ex-echtgenoot] nu juist blijkt dat hij weet dat [de dochter] het aflosbedrag vermeerderd met de door haar verschuldigde rente niet daadwerkelijk betaalde maar deze betaling als schenking door haar ouders mocht opvatten.10. De verklaring van [hypotheekadviseur], zo betoogt [de partner en erfgenaam], bevestigt die constructie en geeft ook aan dat het van belang was dat het ging om eigen middelen van [de dochter]. Indien het bedrag enkel geleend zou zijn, zou [de dochter] geen hypothecaire financiering hebben kunnen krijgen omdat haar eigen vermogen dan te laag was geweest. Het bewijsaanbod in hoger beroep is weliswaar beknopter geformuleerd dan dat in eerste aanleg, maar in samenhang bezien met hetgeen onder grief 1 is aangevoerd is het voldoende begrijpelijk.11.
Betekenis van de getuigenverklaringen
Zowel de verklaring van [ex-echtgenoot] als die van [hypotheekadviseur] ziet op het ontzenuwen van de waarheidsgetrouwheid van de inhoud van de leningsovereenkomst door de kennis van beiden over de oorsprong en de uitvoering van die afspraak centraal te stellen. De twee getuigen zijn, blijkens hun verklaringen, bij de uitvoering en/of de totstandkoming van de constructie betrokken geweest. [de partner en erfgenaam] heeft ter zitting van de rechtbank daarnaast verklaard dat [hypotheekadviseur] ook zijn financieel adviseur is en hij — [hypotheekadviseur] — zich goed kon herinneren dat dit zo gebeurd is.12. Beide getuigen spreken in hun verklaringen niet over wat [de dochter] precies tegen hen gezegd heeft, maar dát er communicatie heeft plaatsgevonden tussen de getuigen en [de dochter] kan wel worden geconcludeerd. Dat het verklaringen ‘van horen zeggen’ zou betreffen, namelijk informatie vernomen van [de dochter], kan niet doorslaggevend zijn, omdat [de dochter] immers één van de partijen is bij de (gestelde) geldleningsovereenkomst en haar verklaringen daarover jegens [ex-echtgenoot] en/of [hypotheekadviseur] gewicht in de schaal kunnen leggen bij de beantwoording van de vraag of die overeenkomst de materiële waarheid weerspiegelt. Het door het hof vastgestelde feit dat geen aanspraak is gemaakt door [de ouders] c.s. op betaling en aflossing van de bedoelde lening,13. kan in dat verband mede van gewicht worden geacht, omdat dit een indicatie kan zijn dat in werkelijkheid niet van een lening kan worden gesproken. De verklaringen van [ex-echtgenoot] en [hypotheekadviseur] zouden kunnen bijdragen aan het ontzenuwen van het dwingende bewijs van het bestaan van een geldleningsovereenkomst. Mede gelet op de insteek en het verloop van het hiervoor geschetste partijdebat had het hof het aanbod tot het horen van de getuigen niet mogen weigeren.
Het recht op het horen van getuigen
Reeds in het Hoge Raad arrest van 2 mei 199714. is duidelijk gemaakt dat partijen in hun recht getuigen te horen die zij willen horen niet snel beknot kunnen worden.15. Zowel [ex-echtgenoot] als [hypotheekadviseur] zijn beiden vanaf de eerste aanleg in deze procedure de cruciale getuigen aan de zijde van [de partner en erfgenaam]. In de lijn met art. 166 lid 1 Rv zou mogen worden verwacht dat deze getuigen door [de partner en erfgenaam] mogen worden gehoord, omdat hij immers tegenbewijs moet leveren tegen voorshands geleverd (dwingend) bewijs aan de zijde van [de ouders] c.s. [de partner en erfgenaam] wenst de materiële waarheid boven tafel te krijgen en aan te tonen dat de geldleningsovereenkomst een constructie betrof, met als doel het vermijden van schenkingsbelasting en het creëren van een fiscale aftrekpost.16. De getuigen [ex-echtgenoot] en [hypotheekadviseur] zouden die insteek kunnen bevestigen aan de hand van hetgeen zij wisten over de wijze waarop partijen zijn omgegaan met de op papier gesloten lening. Een bewijsaanbod dat voldoende specifiek is, dient in principe te worden ingewilligd, zo volgt uit vaste jurisprudentie van uw Hoge Raad, en het oordeel van het hof over het honoreren van een bewijsaanbod mag geen prognose van de waarde van de getuigenverklaringen bevatten.17. Uw Hoge Raad overwoog in het standaardarrest ‘Oz/[naam 1]’:
‘Uitgangspunt bij de beoordeling van het middel is dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv., een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt aangegeven wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard. Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. De rechter mag echter niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen, aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte vooruit zou lopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden.’ 18.
Een in eerste aanleg gegeven toelichting op een bewijsaanbod kan in hoger beroep van belang zijn.19. Een gebrek aan toelichting op wat een getuige kan verklaren is voorts niet bepalend voor de vraag of een bewijsaanbod al dan niet kan worden gepasseerd.20. In de onderhavige procedure ziet grief 1 van [de partner en erfgenaam] op het passeren van zijn bewijsaanbod door de rechtbank, zodat de toelichting op dat bewijsaanbod zoals vermeld in de gedingstukken uit de eerste aanleg eveneens door het hof in zijn overwegingen had moeten worden meegewogen. Een aanbod tot tegenbewijs behoeft bovendien, naar vaste rechtspraak van uw Hoge Raad, niet te worden gespecificeerd.21. Volgens uw Hoge Raad dient een dergelijk tegenbewijsaanbod ‘in beginsel’ te worden gehonoreerd.22. De beslissing van het hof in de onderhavige zaak is met voorgaande rechtspraak niet in lijn, omdat uit rov. 5.13 kan worden afgeleid dat het hof het bewijsaanbod (i) niet relevant acht én (ii) onvoldoende toegelicht.
De dragende en beslissende overwegingen van het hof in dit verband zijn de rov. 5.7–5.13 van het arrest, waarin in rov. 5.13 expliciet het bewijsaanbod voor het leveren van getuigenbewijs wordt behandeld en verworpen. Het hof overweegt:
‘Nog daargelaten dat [de partner en erfgenaam] niet heeft toegelicht wat zij meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij al in hun schriftelijke verklaringen hebben vermeld, ziet dat aanbod eraan voorbij dat [ex-echtgenoot] en [hypotheekadviseur] niet bij het maken van de afspraken tussen [de ouders] c.s. en [de dochter] betrokken zijn geweest. Het hof gaat dan ook aan dat aanbod als niet dienend voorbij. Met al het voorgaande faalt het eerste bezwaar.’
Het hof beschouwt het bewijsaanbod van [de partner en erfgenaam] als niet relevant, omdat [ex-echtgenoot] en [hypotheekadviseur] niet bij het maken van de afspraken tussen partijen [de ouders] c.s. en [de dochter] betrokken zijn geweest. Deze overweging miskent dat [de partner en erfgenaam] niet heeft gesteld dat [ex-echtgenoot] en [hypotheekadviseur] bij het maken van de afspraken aanwezig zijn geweest, maar heeft betoogd dat de geldleningsovereenkomst zoals opgesteld feitelijk een schenking betreft teneinde renteaftrek te faciliteren en schenkbelasting te voorkomen en dat de werkelijkheid anders is dan de akte van geldlening doet voorkomen.23. Relevant is daarom de vraag of [ex-echtgenoot] en [hypotheekadviseur] nader kunnen verklaren in die zin dat het afbreuk doet aan de materiële waarde van de (akte van) geldlening. Dat zou kunnen worden afgeleid uit hun kennis over de achtergronden van de (akte van) geldlening, en hoe de partijen bij die overeenkomst daaraan uitvoering hebben gegeven. De rov. 5.9 en 5.11 van het arrest dienen kennelijk als ondersteunende overwegingen voor het passeren van het bewijsaanbod in rov. 5.13, maar die overwegingen hebben een gelijke strekking als rov. 5.13. Wat de getuige [ex-echtgenoot] betreft overweegt het hof dat in zijn verklaring niet is toegelicht dat het bedrag van € 40.000,-- alleen als lening was opgenomen in de belastingaangifte van [de dochter] om te voorkomen dat schenkingsrecht moest worden betaald en dat dit zich niet verhoudt met wat [de dochter] in haar belastingaangifte verantwoordde. Een toelichting op wat een getuige kan verklaren komt neer op een impliciete specificatie-eis, die nadrukkelijk niet is toegestaan bij een aanbod tot tegenbewijs. Ook moet deze overweging worden aangemerkt als een vorm van prognotisering van de bewijsvoering, omdat getuigen die niet aanwezig waren bij het maken van de akte naar het oordeel van het hof niets relevants zouden kunnen zeggen over de waarheidsgetrouwheid van de in die akte neergelegde afspraken. Die opvatting is zowel onjuist als onbegrijpelijk.
Fundamenteel recht
Het horen van getuigen in een civiele procedure is een fundamenteel recht van een procespartij, dat voortvloeit uit, althans te baseren is op de artt. 6 EVRM en 47 Handvest. Het passeren van een dergelijk aanbod tot het horen van getuigen in het kader van de bewijsvoering door de rechter levert daarom een schending op van het recht op een eerlijk proces.
Doordat [de partner en erfgenaam] de door hem zowel in eerste aanleg als in hoger beroep centraal gestelde getuigen niet kan horen wordt de waarheidsvinding geweld aangedaan en is [de partner en erfgenaam] belemmerd in zijn recht aan te tonen dat geen sprake is van een daadwerkelijke lening, zoals de akte van geldlening impliceert, maar van een verhulde schenking van het in de akte genoemde bedrag door [de ouders] c.s. aan [de dochter], welk bedrag na haar overlijden vervolgens ten onrechte op basis van die akte wordt ingevorderd bij de erfgenaam van [de dochter], [de partner en erfgenaam]. De getuigen die [de partner en erfgenaam] wenst te horen kunnen deze onwaarachtigheid van de akte van geldlening aan het licht brengen.
Sedert de uitspraak van het EHRM in de ‘Keskin’ zaak24. staat ter discussie of het recht op het horen van getuigen een absoluut karakter heeft en geldt voor iedere gerechtelijke procedure, dus ook die voor de civiele rechter. Gelet op de beschikbare rechtsliteratuur moet aangenomen worden dat dit het geval is.25. Een stelling kunnen bewijzen vormt namelijk in civielrechtelijke procedures evengoed een essentieel onderdeel van en een fundamentele waarborg voor een eerlijk proces en is tevens van belang voor de kwaliteit van de beslissing over het geschil door de rechter.26. [de partner en erfgenaam] stelt dan ook dat het hof dit absolute karakter van het recht op bewijsvoering door getuigen heeft miskend door zijn terzake gedane bewijsaanbod te passeren en grief 1 niet te honoreren. Ook los van de verplichting die de Nederlandse wet op de rechter legt is dan ook sprake van een rechtsplicht [de partner en erfgenaam] toe te laten tot de door hem gewenste bewijsvoering. Dat fundamentele rechten als het onderhavige recht op getuigenverhoor slechts betrekking zouden kunnen hebben op strafrechtelijke of bestuursrechtelijke geschillen is een gedachte die overigens op geen enkele wijze steun vindt in het Europese recht.
Onderdeel B
De motivering van het hof in de rov. 5.7 tot en met 5.13 is, in onderlinge samenhang bezien, onbegrijpelijk, althans niet voldoende inzichtelijk teneinde aanvaardbaar te kunnen zijn in het licht van de stellingen van partijen zoals ingenomen in de gedingstukken.
Toelichting op klachtonderdeel B
In rov. 5.11 overweegt het hof dat het de schriftelijke verklaring van getuige [ex-echtgenoot] relevant acht in het nadeel van [de partner en erfgenaam] waar het de opmerking van [ex-echtgenoot] betreft dat [de dochter] feitelijk geen rente aan haar ouders betaalde omdat dat als ‘betaald en tegelijk geschonken’ werd beschouwd, en het hof mede op grond daarvan de stelling van [de partner en erfgenaam] verwerpt dat het niet aflossen door [de dochter] een aanwijzing is dat [de dochter] geen geld van haar ouders zou hebben geleend. De verklaring van [ex-echtgenoot] over het niet betalen van rente wordt echter niet door het hof genoemd of gewogen in de rov. 5.9/5.13, noch wordt daarin betrokken de stelling terzake van de kant van [de partner en erfgenaam].27.
Zonder nadere toelichting, die in het arrest ontbreekt, valt niet in te zien dat aan het onderdeel van de verklaring van [ex-echtgenoot] over het niet betalen van rente door het hof geen relevantie zou behoren te worden toegekend bij het oordeel over de tegenbewijsvoering van [de partner en erfgenaam]. Het voorgaande klemt voorts nog sterker omdat het hof in rov. 5.12 als feit vaststelt dat [de ouders] c.s. tot het overlijden van [de dochter] geen aanspraak hebben gemaakt op betaling van rente en/of aflossing. In het licht van deze feitelijke vaststelling kon het hof het tegenbewijsaanbod van [de partner en erfgenaam] niet passeren zoals het gedaan heeft, omdat voor het hof duidelijk moet zijn geweest dat zowel [ex-echtgenoot] als [hypotheekadviseur] feitelijke informatie kunnen verschaffen over de achtergronden van het niet aflossen van de lening en het betalen van de rente, waarbij die rente door [de dochter] nadrukkelijk in haar belastingaangifte werd opgenomen.
In zoverre is het passeren van het bewijsaanbod van [de partner en erfgenaam] door het hof niet voldoende inzichtelijk gemotiveerd.
Onderdeel C
Indien (één van) de voorgaande onderdelen (slaagt of) slagen, kan het dictum van het bestreden arrest evenmin in stand blijven, nu dat voortbouwt op het oordeel in de door de klachtonderdelen A en B aangevallen overwegingen.
Vordering
[de partner en erfgenaam] vordert dat uw Hoge Raad het arrest waartegen bovenstaand middel van cassatie is gericht vernietigt, met zodanige verdere uitspraak als uw Hoge Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Den Haag, 8 april 2024
M.J. van Basten Batenburg
Advocaat bij de Hoge Raad
bijlagen:
A] eindarrest hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 9 januari 2024
B] tussenarrest hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 21 februari 2023
C] vonnis rechtbank Midden-Nederland (Lelystad) d.d. 28 september 2022
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 08‑04‑2024
Blijkens het thans in cassatie bestreden arrest van het Gerechtshof is de heer [de vader] tijdens het hoger beroep overleden, nog voor het eindarrest is gewezen. De procedure is echter niet geschorst. Zie arrest rov. 5.1.
Het arrest is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder kenmerk ECLI:NL:GHARL:2024:197.
Arrest, rov. 5.6 en 5.7.
CvA, randnummer 9.
CvA, randnummer 14 en 15.
CvA, randnummer 15, verklaring [ex-echtgenoot].
CvA, randnummer 16.
Vonnis rechtbank, rov. 3.3.
Het bewijsaanbod is vermeld in de CvA onder randnr. 33.
MvG onder randnummer 10.
MvG onder randnummer 33.
Proces-verbaal zitting rechtbank, p. 5, 2e alinea van onderen.
Arrest, rov. 5.12.
ECLI:NL:HR:1997:ZC2362, NJ 1998/237 met noot H.J. Snijders.
Asser Procesrecht 3, ‘Bewijs’, 3e druk, Deventer 2023, nr. 228, p. 340.
MvG onder randnummer 10.
HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270 met noot W.D.H. Asser {‘Oz/Rozen’}. Voorts HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49, rov. 3.4.1 waarin ook het ‘prognoseverbod’ wordt genoemd. Recent: A-G Rank-Berenschot in de conclusie van 11 juni 2021, ECLI:NL:PHR:2021:595, vanaf 2.11 voor een overzicht van deze materie.
Voor een overzicht van meer dan honderd HR uitspraken van na ‘Oz/[naam 1]’ zie het lezenswaardige artikel van T. van Aerde ‘Zestien jaar Oz/[naam 1]: een rustig bezit?’ TCR 2020, p. 83–97.
HR 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2047, NJ 2016/408 en JBPR 2016/65 met noot F.J.P. Lock; HR 18 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9861, NJ 2008/243.
HR 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2047 rov. 3.7.4, NJ 2016/408 en JBPR 2016/65 met noot F.J.P. Lock.
HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7245, NJ 2012/96 rov. 3.3.
HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2565, NJB 2017/1988, rov. 3.4.2.; vgl. conclusie A-G Huydecoper 3 december 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU7245, onder punt 16.
Vgl. HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0613, NJ 2008/219.
EHRM 19 januari 2021, ‘Keskin vs The Netherlands’, app. 2205/16 zoals besproken door A-G Spronken in NJB 2021/494; vgl tevens de overzichtsarresten van de Hoge Raad in de strafzaken HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1219, NJ 2017/441.
Asser Procesrecht 3, ‘Bewijs’, 3e druk, Deventer 2023, nrs. 2.8, 5.33, 7.32 en 7.34.
HR 29 maart 1995, NJ 1998/414 en verwijzing naar de EHRM uitspraak {‘[naam 2]/UK’} van 21 september 1994.
CvA randnummers 14 en 17; MvG nr. 10 en 11.