Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.4.4.2:9.4.4.2 Recente ontwikkelingen
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.4.4.2
9.4.4.2 Recente ontwikkelingen
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS576393:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Raad voor de Rechtspraak advies, nr. 2.
Asser, Groen & Vranken 2006, p. 70. Zie HR 11 februari 2005, NJ 2005, 442 m.nt DA, JBPr 2005, 21 m.nt E.F. Groot (Frog People Mover/Floriade); Zie ook HR 6 februari 1998, NJ 1999, 478 m.nt. HJS (M./AMEV) en HR 13 september 2002, 1(112004, 18 m.nt. HJS (Uiterlinden/Van Zijp & Uiterlinden).
Asser, Groen & Vranken 2006, p. 71.
Asser, Groen & Vranken 2006, p. 71.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Raad voor de Rechtspraak pleit in zijn advies naar aanleiding van het interimrapport van de fundamente herbezinners voor een beperking van de toegang tot het voorlopig getuigenverhoor.1 Partijen gebruiken het voorlopig getuigenverhoor volgens de Raad voor de Rechtspraak vaak als fishing expedition zonder uitzicht te hebben op een mogelijke procedure. Tevens wordt het voorlopig getuigenverhoor gebruikt omdat hiermee tegen de laagste kosten kan worden geprocedeerd. De inrichting van het voorlopig getuigenverhoor verhindert volgens de Raad een doeltreffend en doelmatig gebruik. Het voorlopig getuigenverhoor heeft volgens de Raad vaak een minimaal of onduidelijk resultaat, terwijl de rechter en partijen daar veel tijd in hebben moeten steken.
De Commissie verbetervoorstellen heeft een drietal voorstellen tot verbetering gedaan. In de eerste plaats het in de wet beperken van het voorlopig getuigenverhoor tot alleen die gevallen waarin niet kan worden gewacht op een eventuele bewijsopdracht in de procedure. In de tweede plaats het in de wet beperken van het voorlopig getuigenverhoor tot zaken met een belang groter dan € 5.000. In de derde plaats het verhogen van het griffierecht voor verzoeken tot voorlopig getuigenverhoor of voorlopig bericht of verhoor van deskundigen.
Eventuele invoering van de verbetervoorstellen zal geen echte verbetering teweeg brengen. De fundamente herbezinners twijfelen ook over het nut van de verbetervoorstellen. Zij wijzen daarbij op het feit dat de mogelijkheden om onnuttige voorlopige getuigenverhoren tegen te houden door de Hoge Raad aanzienlijk zijn vergroot doordat de criteria voor afwijzing van een voorlopig getuigenverhoor nader zijn gedefinieerd en thans even ruim zijn als voor de afwijzing van een verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigen-bericht.2 Het komt neer op het feit dat
'voorafgaande aan of tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek de rechter extra informatie kan vragen aan de verzoekende partij teneinde meer duidelijkheid over het bewijsthema en meer inzicht in de te verwachten duur en omvang van de verhoren c.q. het deskundigenonderzoek te verkrijgen en bij gebreke van de verschaffing daarvan, het verzoek als strijdig met de goede procesorde kan afwijzen.’3
Op grond van de bestaande jurisprudentie is het dan ook voor de rechter mogelijk een beleid te voeren dat nuttig geachte voorlopige bewijsverrichtingen toelaat, terwijl partijen worden aangemoedigd eventuele verzoeken tot voorlopige bewijsverrichtingen deugdelijk te onderbouwen.4 Ingeval een procedure reeds aanhangig is heeft de rechter een discretionaire bevoegdheid om op het verzoek te beslissen. Bij de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht kan de rechter een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor afwijzen indien het voorlopig getuigenverhoor wordt gebruikt als fishing expedition naar mogelijke bedrijfsgeheimen, indien de te bewijzen feiten door de gelaedeerde niet concreet genoeg zijn gesteld of in het geval de verzoeker geen of onvoldoende belang heeft bij het verzoek. Zie ook de genoemde vier omstandigheden in § 9.4.4.1 (verzoek in strijd met de goede procesorde, de verzoeker heeft geen of onvoldoende belang bij het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor (artikel 3:303 BW), verzoeker maakt misbruik van de bevoegdheid een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken, het verzoek stuit af op een ander door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar).