Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/17.8.2.1
17.8.2.1 Aansprakelijkheid, relativiteit en rechthebbende
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366098:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2010/11, 32887, nr. 3 (MvT), p. 39 en nr. 6 (NnahV), p. 31, maar zie de nuancering daarbij in par. 3.6.
De tijdelijke beheerder handelt onrechtmatig, indien hij zijn beheeropdracht schendt. Zie Eikelboom 2011A, Josephus Jitta 2016, par. 7 en par. 17.4.5.
Zie art. 6:163 BW.
Zie par. 17.3.2 en 17.6.3.1.
Zie hierover HR 2 december 1004, NJ 1995, 288 m.nt. Maeijer (Poot/ABP). Zie ook HR 16 februari 2007, NJ 2007, 256 m.nt. Maeijer, JOR 2007/112 m.nt. Van Veen en Van Wechem (Tuin Beheer) en HR 2 november 2007, NJ 2008, 5 m.nt. Maeijer en JOR 2007/ 302 m.nt. Assink (Kessock/S.F.T. Bank).
Zie par. 17.6.3.3.
Of dat belang daadwerkelijk is geschaad hangt mede af van de belangen van de andere stakeholders dan de aandeelhouders.
Uit de wetsgeschiedenis van art. 2:357 lid 6 BW kan worden afgeleid dat tijdelijke beheerders aansprakelijk kunnen zijn jegens de vennootschap wegens onbehoorlijke taakvervulling.1 Mijns inziens kan ook sprake zijn van aansprakelijkheid jegens anderen wegens het schenden van de beheeropdracht, in het bijzonder jegens de oorspronkelijke aandeelhouder.
De sleutel jegens wie de tijdelijke beheerder aansprakelijk kan zijn, ligt mijns inziens in het relativiteitsvereiste.2 Dat houdt in dat het schenden van de beheeropdracht alleen leidt tot aansprakelijkheid voor zover deze opdracht strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden.3 Welke personen dit zijn, valt niet in zijn algemeenheid te zeggen, want dit hangt af de omstandigheden en de wijze waarop de ondernemingskamer de beheeropdracht heeft geformuleerd.4
Ook dient goed voor ogen te houden wie rechthebbende is op een eventuele vordering tot schadevergoeding jegens de tijdelijke beheerder. De oorspronkelijke aandeelhouder zal geen aansprakelijkheidsvordering kunnen instellen naar aanleiding van een schending van de beheeropdracht bestaande uit een schending van het belang van de vennootschap. Weliswaar daalt de waarde van de aandelen daardoor, maar een dergelijke schade komt in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking.5
Het relativiteitsvereiste is niet alleen van belang voor de vraag met welke belangen de tijdelijke beheerder rekening moet houden, maar ook voor de vraag welke schade voor vergoeding in aanmerking komt. Evident is dat de beheeropdracht ertoe strekt dat het vermogensrechtelijke belang van de oorspronkelijke aandeelhouder wordt beschermd tegen handelingen waarmee de beheerder zich de aan de aandelen verbonden economische voordelen toe-eigent.6 Er zijn echter ook randgevallen die in de toekomstige rechtspraktijk tot de nodige hoofdbrekens zullen leiden.
Denk aan de situatie dat belangrijke bestuursbesluiten op grond van de statuten de goedkeuring van de aandeelhoudersvergadering vereisen en de tijdelijke beheerder het tegen de zin van de oorspronkelijke aandeelhouder mogelijk maakt dat het bestuur besluiten neemt die (uiteindelijk) leiden tot verliezen. Het gaat hier niet om de vraag of de tijdelijke beheerder dit had mogen doen – als aan het relativiteitsvereiste wordt toegekomen is het een gegeven dat dit niet had gemogen – maar om de vraag of de beheer-opdracht ertoe strekt dergelijke schades te voorkomen. Enerzijds kan worden beoogd dat de beheeropdracht er niet toe strekt om een zo hoog mogelijke waarde van de aandelen te realiseren, maar enkel om behoorlijke besluitvorming mogelijk te maken. Anderzijds zou betoogd kunnen worden dat de beheeropdracht er toe strekt (het belang van) de vennootschap te beschermen tegen dergelijke besluiten.7