Einde inhoudsopgave
Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2010/7.4
7.4 Aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is
Mr. J.R. Sijmonsma, datum 17-05-2010
- Datum
17-05-2010
- Auteur
Mr. J.R. Sijmonsma
- JCDI
JCDI:ADS451575:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
W.A. Hoyng, Vier procesrechtelijke wensen, In het nu, wat worden zal (Schoordijkbundel), Kluwer 1991, p. 108. Burgerlijke Rechtsvordering (voorheen de losbladige Van den Dungen) geeft bij de uitleg van dit begrip bij het commentaar onder art. 843a Rv niet meer dan een weergave van HR 18 februari 2000, NJ 2001, 259 en de opmerking in de parlementaire geschiedenis van de op 1 januari 2002 in werking getreden vernieuwingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat het in de lijn van de met dit wetsvoorstel beoogde verruiming van art. 843a Rv ligt om in elk geval ook een verbintenis uit onrechtmatige daad als een rechtsbetrekking, als bedoeld in deze bepaling aan te merken. Vranken in Asser-Vranken Algemeen Deel 1995, nr. 24 droomt in 1995 van een verregaande informatieplicht van partijen. De tekst van art. 843a Rv zoals deze in 1995 bestond, bood volgens hem weinig mogelijkheden omdat de partij die de inzage vraagt, partij moet zijn bij de in een dergelijke akte opgenomen rechtsbetrekking. Slechts een ingrijpen van de wetgever kan ertoe leiden dat een ieder met een rechtmatig belang inzage in stukken kan vorderen op grond van art. 843a Rv.
Van den Reek, p. 47-48.
P.I.M. von Schmidt auf Altenstadt, Opening van zaken, TCR 2002, p. 12-13. M. Freudenthal, Internationale bewijsverkrijging: van Haagse en Europese samenwerking in NIPR 2002, p. 109-117 omschrijft de rechtsbetrekking niet, maar is stellig van mening dat het verzoek van de Engelse rechter in de zaak NI-ABN (HR 18 februari 2000, NI 2001, 259) onder het recht van 2002 wel ingewilligd zal kunnen worden.
M.M. van den Broek, Gedwongen overlegging due diligence rapport, V&O 2004, p. 124. Hij vervolgt dat nu de verkoper geen partij is geweest bij de overeenkomst van opdracht tussen de koper en de onderzoeker die het due diligencerapport heeft opgemaakt, de verkoper geen inzage in een due diligencerapport kan vorderen. Het is in dit kader volgens hem aanvechtbaar om als rechtsbetrekking voor ogen te hebben de ovemameovereenkomst. P. van Uchelen en B. Verbunt, Vordering tot overlegging van due diligence rapporten ex art. 843a Rv, Ondernemingsrecht 2005, hangen op p. 57de enge opvatting aan en zijn van mening dat A geen inzage kan vorderen in een door Z op verzoek van B opgemaakt rapport over een onderwerp waarbij ook A is betrokken (geweest) omdat A niet betrokken is bij de rechtsbetrekking tussen Z en B. Zie ook voor een beperkte opvatting S.C. de Lange, Due diligence openbaar. Exhibitieplicht in ovemamegeschillen, Fusie en Overname 2006, p. 14 en W.P. Wijers en A.I. Haasjes, Exhibitie in het (ondememings)recht, 0 & F 2006, p. 54-56. H. Uittien, Gedwongen verstrekking van due diligencerapportages, Tijdschrift voor de ondememingsrechtpraktijk 2007, p. 21 is van mening is dat een koper die wordt geconfronteerd met een vordering van een verkoper tot verstrekking van een due diligencerapport, succes dient te hebben met het verweer dat het rapport is opgesteld in zijn opdracht en dat de verkoper geen partij is bij de rechtsbetrekking tussen de koper en zijn adviseur die het rapport heeft opgesteld. In de rechtspraak wordt een vordering tot inzage in een due diligencerapport toegewezen met als redenering, kort gezegd, dat partijen een boekenonderzoek zijn overeengekomen (Rb Breda 14 januari 2004, JOR 2004, 70, hof Den Bosch 28 september 2004, JOR 2005, 23, m.nt. Van der Korst, Rb Amsterdam 13 april 2005, JOR 2005, 142, Rb Amsterdam 24 januari 2007, AZ7826 en Rb Utrecht 12 september 2007, BB3722, NJF 2007, 544). Afwijzend Rb Amsterdam 23 februari 1995, KG 1995, 136.
Van der Wiel, nrs. 50 en 51. Volgens T.S. Jansen, Art. 843a Rv in de ondememingsrechtpraktijk. Verboden te vissen, maar vragen mag, Tijdschrift voor de ondememingsrechtpraktijk 2009, p. 91-92 bestaan er rechtsbetrekkingen tussen partijen die met elkaar in onderhandeling treden (ook zo Rb Amsterdam 31 december 2008, BI-11550, NJF 2009, 85), tussen een rechtspersoon en degenen die krachtens wet en statuten bij de organisatie zijn betrokken, of tussen de betrokkenen onderling. Aan de hand van het voorbeeld dat een verzekeraar inzage kan vorderen in een in opdracht van de verzekerde opgesteld expertiserapport verdedigt hij hier een ruime leer. Hij signaleert wel een `catch 22' indien de exhibitie juist wordt gevraagd om een gestelde, door de andere partij ontkende, rechtsverhouding te bewijzen. Hij lijkt het eens te zijn met de jurisprudentie waarin in dit soort gevallen getoetst wordt aan het criterium of summierlijk van de ondeugdelijkheid van de grondslag van de vordering is gebleken.
Ekelmans, TCR p. 60-61. Hij twijfelt nog over het antwoord op de vraag of reeds voldoende is dat de bescheiden waarvan inzage wordt gevraagd, relevant kunnen zijn voor een rechtsbetrekking waarin de aanvrager partij is. In zijn boek blijft hij op p. 14-24 bij zijn mening en voegt daar nog aan toe dat hij het meest voelt voor het aanvaarden van ten minste de mogelijkheid dat ook bij derden informatie kan worden opgevraagd, vooral omdat derden ook als getuigen kunnen worden opgeroepen. Ook M.A.J.G. Janssen hangt een ruime opvatting aan in zijn noot onder Rb Den Haag 21 september 2005, AV7698, JBPR 2006, 25, waar hij verdedigt dat het voldoende is dat de gevraagde bescheiden relevant moeten kunnen zijn voor de rechtsbetrekking tussen de aanvrager en de houder van de stukken. Ook Haak en VerLoren van Themaat hangen een ruime opvatting aan in 'De mogelijkheden voor civielrechtelijke handhaving van de mededingingsregels in Nederland. Een inventarisatie in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken, Amsterdam, 3 november 2005, redactie M.F.I. Haak en I.W. VerLoren van Themaat' waar zij op p. 13 schrijven dat het verwarringwekkend is dat de Hoge Raad in het arrest van 18 februari 2000, NJ 2001, 259 heeft geoordeeld dat ook tussen de aanvrager en de houder van de bescheiden een rechtsverhouding moet bestaan, waarmee de Hoge Raad lijkt af te wijken van de wettekst, die slechts een rechtsbetrekking vereist waarbij de aanvrager zelf partij is. Westenberg bepleit in Van der Korst e.a., p. 44 een ruime opvatting. Hij vindt dat anno 2005/2006 een ruimhartiger opvatting op zijn plaats is dan de tot 2002 gehuldigde opvatting. Het gaat tenslotte om een processueel belang en als de rechter het stuk op grond van art. 22 Rv kan opvragen aan de hand van het criterium of het relevant is, moet een partij op de voet van art. 843a Rv met hetzelfde relevantiecriterium inzage kunnen vorderen. Aan de hand van de andere bestanddelen van art. 843a Rv kan vervolgens misbruik worden voorkomen. Volgens van der Korst op p. 96-97 past een ruime uitleg van de woorden `aangaande een rechtsbetrekking' goed in het sinds 1 januari 2002 in art. 21 Rv wettelijk neergelegde uitgangspunt van de waarheids- en volledigheidsplicht voor procespartijen. Het lijkt erop dat hij een beperkte interpretatie van deze woorden niet vindt passen, daar waar de rechter op grond van art. 22 Rv een discretionaire bevoegdheid heeft om stukken op te vragen. Ten slotte is een beperkte uitleg niet noodzakelijk omdat art. 843a Rv met de woorden 'bepaalde bescheiden' in lid 1 en 'gewichtige redenen' in lid 4 afdoende waarborgen bevat tegen onevenredige last en buitenproportionele wensen tot informatie.
De volgende uitspraken volgen de beperkte opvatting van de Hoge Raad: Rb Amsterdam 22 mei 2000, KG 2000, 129 oordeelt in een zaak waarin aandeelhouders van World Online N V van deze N.V. en van haar 'oprichtster' Nina Brink en van de AMB-AMRO Bank stukken wensen te hebben op grond van een op de artikelen 6:162, 194 en 195 BW gebaseerde vordering, dat rechtsbetrekkingen gebaseerd op deze artikelen, geen rechtsbetrekkingen zijn in de zin van art. 843a Rv. Hartkamp schrijft in zijn conclusie bij HR 13 september 2002, AE3383, NJ 2003, 400, dat de Staat der Nederlanden, procederend tegen de economische eigenaar van een stuk grond, geen afschrift of uittreksel kan vorderen van de tussen de economische eigenaar en de juridische eigenaar opgemaakte verdelingsakte omdat de Staat bij die rechtsbetrekking niet zelf partij is geweest. Rb Amsterdam 4 september 2002, AG8155, JOR 2002, 176 is van oordeel dat Walmaro, een persoon die aandelen hield in Uni-Invest, geen inzage kan vorderen in een dadingovereenkomst die Uni-Invest met een andere aandeelhouder had gesloten waarbij een schadevordering was afgekocht die de andere aandeelhouder had ingesteld omdat er sprake was van wanbeleid bij Uni-Invest. Walmaro was volgens de rechtbank geen partij bij die dadingovereenkomst en aldus geen partij bij de rechtsbetrekking waarop het document ziet. De rechtbank oordeelde vervolgens wel dat het, mede gelet op aft. 2:92 BW, materieel- en procesrechtelijk onaanvaardbaar is als Uni-Invest Walmaro kennisname zou onthouden van de dadingsovereenkomst en verwees de zaak naar een rolzitting voor akte aan de zijde van Uni-Invest om een kopie van de op schrift gestelde overeenkomsten tussen Uni-Invest en de andere aandeelhouder over te leggen. Hof Den Bosch 27 maart 2003, JBPR 2003, 63, m.nt. Linssen: er bestaat geen rechtsregel die een getuige verplicht om stukken waarover hij verklaart, desgevraagd aan een partij ter hand te stellen. Rb Arnhem 29 september 2004, AR3532: verkopers van een huis vorderen na een door kopers gedaan beroep op een financieringsvoorbehoud overlegging van alle originele financieringsaanvragen met documentatie die zijn ingediend bij twee banken en de originele aangiften inkomstenbelasting over het jaar 2002. De rechtbank is van oordeel dat deze stukken niet de rechtsbetrekking betreffen waarin de verkopers partij zijn. De rechtbank gelast in hetzelfde vonnis de kopers op de voet van art. 22 Rv de complete financieringsaanvragen met bijlagen zoals die bij de beide banken zijn ingediend, twee weken voor de in het vonnis gelaste comparitie over te leggen. Rb Middelburg 18 januari 2006, AY7116 oordeelt in een vrijwaringzaak tussen B en C, waarin C op voet van art. 843a Rv van B inzage vordert in de processtukken in de hoofdzaak tussen A en B zodat hij, C, kan beslissen of hij zich zal voegen in de hoofdzaak of zal tussenkomen, dat C geen partij is in de hoofdzaak. De betreffende processtukken in de hoofdzaak zijn derhalve geen bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin C partij is. Hof Arnhem 29 augustus 2006, AY9096 oordeelt in een procedure waarin A van de gemeente Steenwijkerland inzage vordert in dossiers betrekking hebbende op de bouw van woningen op andere kavels dan de kavel die de gemeente aan A heeft verkocht, dat A geen partij is bij de rechtsbetrekking waarop die documenten betrekking hebben. Rb Dordrecht 3 mei 2007, BA5179 oordeelt in een zaak waarin ex-werkgever van der Gijp stelt dat een ex-werknemer X in strijd met een relatiebeding relaties van Van der Gijp benadert en daarom van X een overzicht van de mailing van X met de relaties van Van der Gijp vordert, dat Van der Gijp geen partij is bij de contacten tussen X en zijn relaties zodat de vordering moet worden afgewezen. Zie verder voor de enge opvatting Rb Zutphen 9 mei 2007, BB1491, Rb Rotterdam 4 juli 2007, BA9918, Rb Maastricht 3 oktober 2007, zaaknummer 120430 /HA ZA 07-551, Rb Den Haag 5 december 2007, BB9517, vermoedelijk ook Rb Rotterdam 9 januari 2008, BC4119, Hof Den Haag 11 april 2008, BD0694, NJF 2008, 245 (besproken door H.A. Dragstra, de exhibitieplicht in het arbeidsrecht, TRA 2009, p. 15-18), Rb Dordrecht 17 december 2008, BG7840, Rb Utrecht 21 januari 2009, B9 7517 (open www.boek9.nl, voer in het zoekvenster 7517 in) Rb Dordrecht 23 maart 2009, BH7581 wijst af een door een werkneemster tegen de werkgever ingestelde vordering tot inzage in een in opdracht van de werkgever opgestelde 'risico management audit'. Werkneemster is arbeidsongeschikt en stelt dat uit dit rapport blijkt dat de werkgever zijn zorgplicht onvoldoende is nagekomen en Hof Arnhem 31 maart 2009, B12138. Zie ook Rb Zwolle 25 februari 2009, BH9274 oordelend dat het enkele feit dat Cambrium aandelen houdt in iBiz terwijl iBiz aandelen Telebyte bezit en Cambrium in deze procedure van Telebyte inzage in stukken van Telebyte vordert, geen rechtsbetrekking doet bestaan tussen Cambrium en Telebyte.
Hof Den Haag 20 mei 2003, S&S 2004, 59. De voorzieningenrechter Rotterdam 25 november 2004, NJF 2005, 2 geeft ook een ruime uitleg waar deze eiseres ICS, die bepaalde stukken nodig heeft ten behoeve van een in de Verenigde Staten tussen haar en Citibank gevoerde procedure, op de voet van art. 843a Rv tegen gedaagde de Staat der Nederlanden (die bepaalde bescheiden onder Ocean strafvorderlijk in beslag had genomen) toestemming tot inzage geeft van onder Ocean in beslag genomen stukken betrekking hebbend op de rechtsverhouding Ocean en een zekere P. Hij verwerpt het verweer van de Staat dat ICS geen partij is omdat als rechtsbetrekking ook dienen de rechten en verplichtingen die als gevolg van de uit hoofde van de overeenkomst tussen Ocean en P gedane betalingen zijn ontstaan tussen P als kaarthouder, de City Bank als issuer, ICS als acquirer en Ocean als acceptant, welke rechten en verplichtingen mede worden bepaald door de inhoud van de overeenkomt tussen Ocean en P. Er wordt hoger beroep en vervolgens cassatie ingesteld (hof Den Haag op 4 mei 2006, AW8455 resp. HR 21 december 2007, BB9133, NI 2008, 31), maar art. 843a Rv komt in die instanties niet meer aan de orde (zie over deze zaak ook hoofdstuk 13). Rb Amsterdam 24 augustus 2005, AU4935: kinderen van erflater vorderen inzage in bankafschriften van een bankrekening in Luxemburg die op naam staat van de vriendin van de erflater. Het staat vast dat inkomsten van erflater bij zijn leven op een Duitse bankrekening werden uitbetaald en dat die bij het overlijden van erflater op een Duitse bankrekening op naam van die vriendin stonden. Die vriendin had in eerste instantie het saldo van deze op haar naam staande rekening verzwegen. De rechtbank oordeelt dat de kinderen recht hebben op informatie over de bankrekening omdat zij ten aanzien van het saldo van die rekening moeten worden beschouwd als partijen bij de rechtsbetrekking van de vriendin tot die bank. Een onrechtmatige daad is een rechtsbetrekking ex art. 843a Rv aldus Rb Den Haag 21 september 2005, (B9 954, te vinden via www.boek9.nl, in zoekvenster invoeren 954), Rb Zwolle 30 maart 2006, AY5714, Rb Haarlem 2 februari 2007, AZ7827, AG Spier bij HR 22 februari 2008, BB5626, Rb Utrecht 18 maart 2009, BH6128, Rb Amsterdam 3 juli 2008, B9 6521 (open www.boek9.nl, voer in het zoekvenster 6521 in) en Rb Rotterdam 3 juni 2009, BI9158.Rb Middelburg 6 juli 2006, AZ0501: CdMR is een stuwadoorsbedrijf welk bedrijf duizenden nieuwe auto's voor doorvervoer op haar terrein heeft staan. Haar buurman is Scheldepoort BV, een reparatiewerf. Op die werf wordt in opdracht van Scheldepoort BV door Den Breejen BV geverfd. CdMR stelt in een procedure tegen Scheldepoort BV en Den Breejen BV dat een groot aantal van bij haar opgeslagen auto's is vervuild door verfnevel afkomstig van schilderwerkzaamheden op de werf. Er wordt door CdMR conservatoir beslag tot afgifte gelegd op stukken betrekking hebbend op verfspecificaties en stukken die Den Breejen BV ter zake die verfwerkzaamheden aan de werf ter beschikking heeft gesteld. De rechtbank oordeelt dat de bescheiden zien op de door CdMR gestelde onrechtmatige daad en dat niet ondenkbaar is dat deze daad zich ook ten aanzien van Den Breejen BV kan uitstrekken zodat aan het vereiste van een rechtsbetrekking waarvan partijen deel uitmaken, is voldaan. Rb Utrecht 12 september 2007, BB3722, NJF 2007, 544 overweegt dat uit de woorden 'aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij zijn' al blijkt dat alleen vereist is dat de bescheiden betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij verzoeker partij is, en dat niet vereist is dat ook degene tot wie het verzoek zich richt, partij bij de betreffende rechtsbetrekking is. Rb Maastricht 12 maart 2008, BC6796 (de wijzend rechter was de schrijver van dit boek) oordeelt in een procedure waarin een ex-echtgenote van de Rabobank inzage vordert in de op naam van haar ex-man bij die bank staande rekeningen en de door haar ex-man met de bank gesloten geldleningen, dat er sprake is van een rechtsbetrekking in de zin van art. 843a Rv tussen man-vrouw en bank. Waar de vrouw aandeelhouder is van de Holding en in gemeenschap was gehuwd met de enige andere aandeelhouder van de Holding, trekt de rechtbank de conclusie dat er ook sprake is van een rechtsbetrekking tussen die Holding, de vrouw en de bank, zodat de bank ook wat dat betreft inzage moet verschaffen in het verloop van de bankrekeningen van de Holding en de geldleningen van de Holding. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een rechtsbetrekking in de zin van dit artikel tussen de vrouw en de vier BV's waarvan alle aandelen in bezit van de Holding zijn. De huwelijksgoederengemeenschap is wat dat betreft een te ver verwijderd verband. Een ruime opvatting is ook te vinden in Rb Den Bosch 16 april 2008, BC9695, JA 2008, 68 m.nt. J. Ekelmans, NJF 2008, 228, Rb Rotterdam 4 juni 2008, BD9249, Hof Amsterdam 17 juni 2008, BE2917 oordelend dat bescheiden als een aandeelhoudersregister waaruit blijkt hoeveel aandelen de man in een bepaalde periode toen het huwelijk tussen partijen nog bestond, had, bescheiden zijn aangaande de gemeenschap van goederen die partijen toen hadden en daarmee dus vallen onder het criterium 'een rechtsbetrekking waarin de vrouw partij is', Rb Haarlem 18 juni 2008, BD6490 oordelend dat het verweer van Broersma dat Arvato geen partij is bij de bescheiden waarvan inzage wordt gevraagd, stoelt op een restrictieve uitleg van art. 843a Rv, namelijk dat het zou gaan om bescheiden waarbij de eiser en de houder van de bescheiden zelf beide rechtstreeks als partij betrokken zijn, welke uitleg de rechtbank niet volgt, Rb Haarlem 16 juli 2008, BD7632 herhaalt deze overweging, Rb Zutphen 23 juli 2008, BD8506 waar gedaagde inzage moet geven in zijn nutsvoorzieningengebruik van zijn vakantiehuis aan de gemeente (zie voor soortgelijk geval hof Arnhem 3 november 2009, NJF 2010, 25: de bescheiden bevattende gegevens omtrent het nutsverbruik, zijn bescheiden aangaande de verhouding tussen de gemeente en S waarin aan de orde is of dwangsommen zijn verbeurd omdat S het zomerhuis permanent heeft bewoond en betreft daarmee een rechtsbetrekking in de zin van art. 843a Rv. S dient ook inzage te verschaffen in de nutsverbruikgegevens van het huis waarin hij beweerdelijk met een ander in die tijd woonde), Rb Amsterdam 11 september 2008, BF0587, hof Amsterdam 25 november 2008, NJF 2009, 31 (uitvoerig genoemd aan het slot van hoofdstuk drie) en Hof Amsterdam 2 december 2008, BG9050, NJF 2009, 39, oordelend dat procespartijen in een zodanige rechtsbetrekking met hun arbiters staat dat zij van arbiters inzage in het zittingsproces-verbaal kunnen vorderen. In cassatie stelt de Hoge Raad voorop dat persoonlijke aantekeningen van de secretaris van het scheidsgericht of de arbiters zelf die tijdens of na de zitting zijn gemaakt van hetgeen tijdens de zitting is gezegd en voorgevallen, en waarin informatie is neergelegd over hetgeen door de partijen en de arbiters met betrekking tot de inhoud of de behandeling van de zaak op de zitting is meegedeeld, bescheiden zijn aangaande de rechtsbetrekking die tussen partijen in de arbitrage aan de orde is. Zij kunnen ook de rechtsbetrekking tussen de arbiters, hun secretaris en de partijen betreffen (HR 29 januari 2010, BK2007). Zie ook voor een ruime opvatting Rb Rotterdam 10 juni 2009, BJ8968, NJF 2010, 30 betreffende inzage in een door een procespartij met derden gesloten vaststellingsovereenkomsten.
Rb Zutphen 17 januari 2007, BA4428. Soortgelijk Rb Amsterdam 5 oktober 2006, AY9545 en Rb Haarlem 2 februari 2007, AZ7827 overwegende dat er voldoende aanknopingspunten zijn om aannemelijk te achten dat bestuurders van XSGrand zonder zakelijke grond gelden aan XSGrand hebben onttrokken hetgeen onrechtmatig ten opzichte van MBlox kan worden genoemd. Zie ook Rb Zwolle 15 mei 2006, AY5717, Rb Arnhem 26 oktober 2007, BB8052, hof Den Haag 22 november 2007, BB8556, NJF 2008, 3, Rb Den Haag 20 februari 2008, B9 5659 (open www.boek9.nl, voer in het zoekvenster 5659 in), Rb Rotterdam 29 juli 2008, BD9031, Rb Arnhem 3 september 2008, BF0614 oordelend dat onvoldoende is onderbouwd dat de verslagen waarvan inzage wordt gevorderd informatie bevatten aangaande de rechtsbetrekking tussen beide partijen en Rb Utrecht 28 november 2008, BG5823.
Rb Amsterdam 28 maart 2007, B G3882, ook gepubliceerd onder BA3125: de inschrijver is slechts uit dien hoofde partij bij de daaruit tussen haarzelf en de NOS (de aanbesteder) voortvloeiende rechtsbetrekking en niet ook bij die tussen de NOS en elk van haar concurrenten. Ook zo Rb Dordrecht 12 maart 2009, BH5742 oordelend dat 'de stukken van de overige inschrijvers in beginsel geen onderdeel geacht kunnen worden van een rechtsbetrekking waarin Urbis partij is. Voor een uitzondering op dit beginsel zou plaats kunnen zijn indien het in de rede ligt te veronderstellen dat de inschrijving van OD205 of één of meer van de overige inschrijvers op dezelfde gronden als de inschrijving van Urbis ongeldig is.'
Rb Zwolle-Lelystad 11 mei 2007, BA5021. Rb Breda 31 juli 2008, BD9054 wijst af een vordering tot inzage door de curator van failliet Rynart Transport bv tegen X, bedrijfsjurist van de Rynart Groep ter zake de laptop van X waarbij de curator een vermoeden heeft dat de failliet fraude heeft gepleegd wegens afwezigheid van een rechtsbetrekking zonder verdere motivering.
Rb Zwolle-Lelystad 6 juli 2007, BB9222.
1-11( 18 september 2009, B15906, NJ 2009, 566, m.nt. J.W. Zwemmer.
IR 23 september 2005, JOR 2005, 264, m.nt. P. van der Korst.
De woorden 'aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn' zijn ingevoegd bij de invoering van het nieuwe bewijsrecht op 1 april 1988. Uit hoofdstuk 2 blijkt dat de wetgever nauwelijks of geen uitleg over deze zinsnede heeft gegeven. In de literatuur is hierover wel het nodige te vinden. Hoyng schrijft dat art. 843a Rv ook de mogelijkheid biedt om van derden afschriften van stukken te vragen. Dit betekent volgens hem dat ook afschriften van geschriften kunnen worden gevraagd waaruit de namen van toeleveranciers respectievelijk afnemers blijken. Het woord 'aangaande' heeft immers een zeer ruime betekenis en omvat stellig ook het bekend worden uit geschriften van een tot dan toe onbekende doch vermoede rechtsbetrekking.1 Van den Reek stelt dat de exhibitieplicht niet met een zekere opportunistische willekeur tegen een ieder kan worden ingezet. Art. 843a Rv eist dat tussen partijen een -vermeende- juridische gebondenheid, een rechtsbetrekking, moet bestaan. Hierbij kan worden gedacht aan alle verbintenissen uit de wet en aan verbintenissen uit overeenkomst.2 Menken maakt duidelijk dat degene tegen wie de vordering ex art. 843a Rv wordt ingesteld, niet degene hoeft te zijn tegenover wie de eiser van het bewijsmiddel gebruik wenst te maken zodat die derde geen partij hoeft te zijn bij de rechtsbetrekking waar eiser op doelt.3 Von Schmidt auf Altenstadt noemt het vereiste een vergaande en oneigenlijke beperking en uit alles wat hij daarover schrijft blijkt dat hij die beperking afwijst. De beperking is volgens hem oneigenlijk omdat deze ook niet wordt aangelegd bij de vraag of een getuige moet worden gehoord. De vereisten 'rechtmatig belang' en 'bepaalde bescheiden' zijn voldoende om misbruik zoals vistochten te voorkomen.4 Volgens Van den Broek ziet het woord rechtsbetrekking in art. 843a Rv op de rechtsbetrekking in het kader waarvan het stuk waarvan inzage wordt gevraagd, is opgemaakt.5 Het komt Van der Wiel voor dat de Hoge Raad op 18 februari 2000, NJ 2001, 259 (NI-ABN) de enge opvatting heeft aanvaard, dat eiser partij moet zijn bij de rechtsbetrekking waarvan de gevorderde bescheiden de neerslag vormen. Voor art. 843a Rv zoals luidend sinds 2002 is volgens hem een ruimere opvatting denkbaar en wenselijk. Er wordt volgens hem, indien een eiser van mening is dat er tegen hem onrechtmatig is gehandeld, juist inzage in de betreffende bescheiden gevraagd om te kunnen vaststellen óf er onrechtmatig is gehandeld. Het bestaan van een rechtsbetrekking in de zin van art. 843a Rv moet aldus wel worden aangenomen. Hij is verder van mening dat indien partij A bijvoorbeeld op acceptabele gronden van mening is dat partij B tegen hem onrechtmatig heeft gehandeld door een overeenkomst met C te sluiten, de bescheiden die de weerslag vormen van de relatie B-C betrekking kunnen hebben op de vraag of er tussen A en B een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad is ontstaan. Het bescheid waar het om gaat (de schriftelijke overeenkomst tussen B en C), is weliswaar primair een bescheid betrekking hebbend op de rechtsbetrekking B-C, maar het heeft tevens betekenis voor de inhoud van de rechtsbetrekking A-B. Aldus moeten de woorden 'aangaande een rechtsbetrekking' zo worden opgevat, dat deze zien op alle stukken, die voor het bepalen van de inhoud van een rechtsbetrekking van betekenis zijn.6 Ekelmans is van mening dat, nu het begrip rechtsbetrekking niet is uitgewerkt, het logisch lijkt dat daaronder iedere rechtsbetrekking valt. Op grond van de parlementaire geschiedenis van het in 2002 vernieuwde art. 843a Rv komt hij tot de conclusie dat de beperkte interpretatie dat houder en aanvrager beiden rechtstreeks als partij bij de bescheiden betrokken dienen te zijn, niet meer houdbaar is. De bescheiden waarvan inzage wordt gevraagd, dienen relevant te kunnen zijn voor de rechtsbetrekking tussen aanvrager en houder.7 De jurisprudentie laat dezelfde tweedeling tussen een enge opvatting en een ruime opvatting van het begrip 'rechtsbetrekking' zien als de literatuur, waarbij in beide opvattingen regelmatig HIR 18 februari 2000, NJ 2001, 259, NI-ABN als peilbaken wordt gebruikt. Kort gezegd is in dat arrest aan de Hoge Raad de vraag voorgelegd of de ABN bank verplicht kon worden om in een zich in Engeland afspelende rechtszaak tussen NI en Clinger inzage te geven in bankrekeningen van anderen dan NI en Clinger en wel Catalyst en Mykanos. De Hoge Raad overweegt dat het oordeel van de rechtbank dat NI niet kan worden aangemerkt als partij in de rechtsbetrekking tussen de bank en de rekeninghouders Catalyst en Mykanos niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat Clinger aanzienlijke geldbedragen van NI naar zich zelf heeft doen vloeien en de omstandigheid dat er aanwijzingen zijn dat een aantal van die betalingen is verricht op de rekeningen van Catalyst en Mykanos, brengen op zich zelf niet mee dat sprake is van een rechtsbetrekking tussen NI en de bank.8 De eerste uitspraak waarin een ruime opvatting omtrent de inhoud van het woord 'rechtsbetrekking' wordt gegeven, is van het hof Den Haag.9 In deze zaak geeft Mullglen, eigenaar van het schip Pacelli aan Visser opdracht om de Pacelli te repareren. Gedurende de uitvoering van die reparatiewerkzaamheden door Visser ontstaat schade aan het schip door brand. De schade die Mullglen niet van haar verzekeraar vergoed krijgt, wenst Mullglen te verhalen op Visser. In kort geding met als gedaagden Visser en haar verzekeringsmakelaar Sluyter stelt Mullglen dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de brandschade ook gedekt is onder een door Visser afgesloten scheepsaanbouwverzekering, waarbij Mullglen als medeverzekerde onder de polis kan worden aangemerkt en uit dien hoofde een zelfstandig vorderingsrecht jegens die verzekeraar heeft. Mullglen vordert, kort gezegd, vervolgens afgifte van de betreffende polis op grond van art. 843a Rv. Het hof is van oordeel dat de polis kan worden aangemerkt als een bescheid aangaande een rechtsbetrekking waarin Mullglen partij is. Die rechtsbetrekking in de zin van art. 843a Rv is volgens het hof in dit geval het samenstel van de tussen Mullglen en Visser gesloten reparatieovereenkomst, de als gevolg van de brand ontstane vordering van Mullglen op Visser en de door Visser ten behoeve van alle door haar te sluiten overeenkomsten gesloten polis. De vordering tegen Visser én Sluyter wordt vervolgens toegewezen.
In het kader van het bestanddeel 'rechtsbetrekking' wordt regelmatig aan de rechter de vraag voorgelegd in hoeverre het bestaan van die rechtsbetrekking al zeker moet zijn. Een mooi voorbeeld is de volgende zaak: Sutfene kookt zelf voor haar bewoners, maar draagt dit over aan Atlant waarbij Atlant keukenpersoneel van Sutfene overneemt. Sutfene is niet tevreden over de kwaliteit van het eten en zegt de overeenkomst op. Atlant stelt in de daarop volgende bodemprocedure dat zij met Sutfene afspraken heeft gemaakt inzake de terugname van personeel, waarbij het volgens Atlant ook van belang is welke personeelsafspraken Sutfene met haar nieuwe cateraar, Albron, heeft gemaakt. Atlant vordert op voet van art. 843a Rv afschriften van stukken betreffende de afspraken tussen Sutfene en Albron over de betrokken medewerkers. De rechtbank wijst de vordering af omdat in geschil is of er tussen Sutfene en Atlant concept-beëindigingsovereenkomsten bestaan over de (terug)overname van werknemers, maar ook bij welke partij deze werknemers in dienst zijn, zodat een rechtsbetrekking tussen Atlant en Albron nog niet kan worden aangenomen.10 In aanbestedingsprocedures wordt met enige regelmaat door een inschrijver aan wie niet is gegund, inzage gevraagd in stukken onder de aanbesteder. Dergelijke vorderingen worden afgewezen.11 Buiten het kader van ruime of enge opvatting valt de volgende zaak waarin een gedaagde is veroordeeld om aan eiseres alimentatie te betalen, waarna eiseres in kort geding veroordeling van gedaagde vordert om alle justificatoire bescheiden waaruit zijn inkomen en vermogenspositie blijkt, over te leggen. De rechtbank is van oordeel dat art. 843a Rv
`slechts (is) geschreven in verband met het vaststellen van een rechtsbetrekking. In het onderhavige geval staat die rechtsbetrekking tussen partijen echter vast. In de echtscheidingsbeschikking is immers de hoogte van de alimentatie reeds vastgesteld'.
De vordering wordt afgewezen.12
Een bijzonder geval is verder aan de orde geweest bij de rechtbank Zwolle-Lelystad. In deze zaak stelt JMB een vordering te hebben op Boeren BV. De fiscus legt op grond van een belastingaanslag op Boeren BV conservatoir beslag onder Boeren BV. Gevolg van dit beslag is dat Boeren BV niet aan JMB kan betalen, waardoor JMB kennelijk in grote problemen komt. JMB vordert in een geding tegen alleen de fiscus onder meer een verklaring dat de fiscus in redelijkheid niet tot de aanslag had kunnen komen en een gebod aan de fiscus om stukken aan Boeren BV ter beschikking te stellen. De rechtbank geeft het gebod niet omdat de grondslag van het gevorderde gebod art. 843a Rv is, maar dit artikel recht geeft op inzage van stukken aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser zelf partij is.13
De Inspecteur der Belastingen ziet zich graag in rechtsbetrekking tot verschillende personen staan, en het is goed te verdedigen dat de betrekking tussen de Inspecteur der Belastingen en de belastingplichtige een rechtsbetrekking in de zin van art. 843a Rv is. De vraag rijst dan ook of de Inspecteur naast de weg van art. 47 AWR ook een vordering ex art. 843a Rv zou kunnen indienen. Voor de praktijk is een antwoord op die vraag nauwelijks relevant omdat art. 47 AWR de Inspecteur meer mogelijkheden biedt dan art. 843a Rv. De enige reden die de Inspecteur tot voor kort nog had om eventueel de weg van art. 843a Rv te kiezen, was gelegen in het feit dat het onduidelijk was of aan een vordering tot inzage ex art. 47 AWR een dwangsom kon worden verbonden. Deze vraag is door de Hoge Raad op 18 september 2009 beantwoord.14 Volgens de Hoge Raad kan uit het stelsel van de AWR niet worden afgeleid dat het volgen van de privaatrechtelijke weg door het instellen van een vordering tot nakoming van de in art. 47 AWR verwoorde opgaveverplichting op straffe van verbeurte van een dwangsom is uitgesloten. De Hoge Raad is van oordeel dat alle in de AWR voorziene sancties op het niet nakomen van de opgaveverplichting niet kunnen waarborgen dat de gegevens daadwerkelijk worden verschaft, zodat de effectuering van deze plicht door middel van het opleggen van een dwangsom de publiekrechtelijke weg niet doorkruist.
Het behoeft geen nadere toelichting dat de Inspecteur der Belastingen graag inzage wenst in due diligencerapporten. De vraag of die inzage op grond van art. 47 AWR kan worden afgedwongen is ook al aan de Hoge Raad voorgelegd. De Hoge Raad is van oordeel dat de Inspecteur op grond van art. 47 AWR geen inzage kan vorderen in een due diligencerapport omdat het tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te rekenen beginsel van fair play zich er tegen verzet dat een Inspecteur van zijn bevoegdheid ex art. 47 AWR gebruik maakt om kennis te krijgen van rapporten en andere geschriften van derden voor zover zij ten doel hebben de fiscale positie van de belastingplichtige te belichten of hem daaromtrent te adviseren.15