Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/10.2.1
10.2.1 Wat is het probleem?
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258725:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
OESO-richtlijnen 1.137-1.138, VN-richtlijnen B.2.4.7 en WCO Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing (24 juni 2015, geüpdatet in 2018), p. 57.
Het belang van de belasting- en douaneautoriteiten hangt ook samen met de belasting- respectievelijk invoertarieven die in het land van invoer gelden. In ontwikkelingslanden zullen de invoertarieven veelal hoger zijn dan in ontwikkelde landen, omdat in ontwikkelingslanden invoerrechten nog een substantieel deel uitmaken van de belastingmix, zie L. Pogorelova, Trade and Transfer Pricing, Intertax 40(1), p. 44-45.
De kostprijs na de verrekenprijsaanpassing wordt aan de hand van de volgende formule berekend: (verkopen -/- brutomarge) / 110%. De verkopen blijven 1.000.000 EUR. De brutowinstmarge van 230.000 EUR bestaat uit de algemene kosten (200.000 EUR) enerzijds en de brutowinstmarge (3% van 1.000.000 EUR) anderzijds. De 110% wordt gevormd door het percentage aan verschuldigde invoerrechten (10%) enerzijds en de kostprijs (100%) anderzijds. De kostprijs na de verrekenprijsaanpassing bedraagt derhalve: (1.000.000 -/- 230.000) / 110% = 700.000 EUR.
In het voorbeeld heb ik een ‘winst’ aangehouden van 0 EUR. Eigenlijk gaat het om een verlies van 80.000 EUR. Afhankelijk van de winstbelastingbepalingen in het land van invoer, kan dit verlies worden verrekend met winsten die in andere jaren zijn behaald of, onder voorwaarden en in Europeesverband, kan het verlies worden verrekend met winsten die door gelieerde entiteiten elders in de EU zijn behaald, mits het verlies niet verrekenbaar is in het land van invoer. Zie HvJ EG 13 december 2005, nr. C-446/03 (Marks & Spencer plc tegen David Halsey (Her Majesty's Inspector of Taxes)), ECLI:EU:C:2005:763.
Eventueel heeft de retroactieve interne verrekenprijsaanpassing ook gevolgen voor de verschuldigde winstbelasting en uitvoerrechten in het land van uitvoer.
Het voorbeeld illustreert de belangen van belasting- en douaneautoriteiten in het land van invoer. Voor winstbelastingdoeleinden moet echter ook in aanmerking worden genomen dat de verrekenprijsaanpassing in het land van invoer ook gevolgd kan worden door een spiegelbeeldige correctie in het land waar de verkoper van de ingevoerde goederen is gevestigd. Zie onderdeel 10.3.7.
WCO Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing (24 juni 2015, geüpdatet in 2018), p. 72-74 en onderdeel 10.4.2.2.
Zie bijvoorbeeld onderdeel 10.4.3.2.
Zie bijvoorbeeld onderdeel 10.4.3.3.
Zie bijvoorbeeld onderdeel 10.4.3.4.
L. Ping, Transfer Pricing and Customs Valuation: Exploring Convergence, GTCJ 2(3), p. 121-127; A. Bakker & B. Obuoforibo (eds.), Transfer Pricing and Customs Valuation – Two worlds tax as one, Amsterdam: IBFD 2009, p. 16-20.
Van oorsprong heeft de OESO een voorkeur voor de traditionele transactiemethoden.
Toch kan een vergelijking tussen de verrekenprijsmethoden en de douanewaardemethoden nut hebben. De voorwaarden die ten grondslag liggen aan de alternatieve waarderingsmethoden kunnen namelijk in bepaalde gevallen als algemene principes van de CVA worden opgevat die aan de basis liggen van de vaststelling van de douanewaarde ongeacht de waarderingsmethode die toepassing vindt. In het bijzonder kunnen deze algemene principes worden ingezet om vast te stellen of de prijs door de verbondenheid van partijen is beïnvloed bij de toepassing van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen, omdat de bewijslast van de aangever (om aan te tonen dat geen sprake is van prijsbeïnvloeding) vrij is. Zie onderdeel 10.3.6.
Artikelen 71 en 72 DWU. In hoofdstuk 11 wordt nader ingegaan op de vraag of bepaalde prijselementen aan de transactiewaarde moeten worden toegevoegd of daarvan moeten worden uitgesloten voor de vaststelling van de douanewaarde.
S. Ibáñez Marsilla, Towards customs valuation compliance through corporate income tax, World Customs Journal 5(1), p. 74 en onderdeel 10.3.6.
WCO Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing (24 juni 2015, geüpdatet in 2018), p. 64-65.
Zie nader onderdeel 10.3.5.
Indien een intragroepstransactie wordt aangegaan waarbij goederen ten invoer worden aangegeven, wordt zowel een douanewaarde vastgesteld als een interne verrekenprijs. Zowel bij de vaststelling van de douanewaarde bij verbonden partijen alsmede de vaststelling van verrekenprijzen bij gelieerde partijen, is het doel om een prijs vast te stellen die ook zou zijn vastgesteld, indien partijen niet met elkaar waren verbonden respectievelijk gelieerd. Ondanks dit gezamenlijk doel, heeft de vaststelling van de douanewaarde een andere wettelijke basis dan de vaststelling van interne verrekenprijzen. Dat brengt het risico met zich dat voor de douanewaarde een andere prijs wordt gehanteerd dan voor de interne verrekenprijzen. Van belang om in dat kader in ogenschouw te nemen is dat de belasting- en douaneautoriteiten in het land van invoer een tegenstrijdig belang zullen hebben; de belastingautoriteiten hebben belang bij een lage interne verrekenprijs, waar douaneautoriteiten dat hebben bij een hoge douanewaarde.1 Ik zal dat met een voorbeeld inzichtelijk maken.2
Figuur 10.1 – Voorbeeld tegenstrijdig belang belasting- en douaneautoriteiten.
In het voorbeeld zoals weergegeven in figuur 10.1 verkoopt een in Zwitserland gevestigde principaal goederen aan een in Nederland gevestigde en aldaar winstbelastingplichtige LRD tegen een intragroepsprijs van 8.000 EUR. De LRD geeft de goederen aan voor het vrije verkeer in Nederland, waarbij zij de douanewaarde bepaalt aan de hand van de intragroepsprijs van 8.000 EUR. De producten worden daaropvolgend doorverkocht tegen 10.000 EUR. In het boekjaar worden 100 producten verkocht. Dit levert een brutowinstmarge op van -/-80.000 EUR. De beoogde winst van 30.000 EUR, gebaseerd op en zakelijke nagestreefde winstmarge (3% van het omzetrendement van 1.000.000 EUR), wordt niet behaald. In plaats daarvan wordt een verlies van 80.000 EUR geleden. Derhalve zal een neerwaartse retroactieve interne verrekenprijsaanpassing moeten plaatsvinden, waarbij de intragroepsprijs wordt bijgesteld naar 7.000 EUR.3 Indien het winstbelastingtarief 25% bedraagt zijn de gevolgen voor het bedrag aan verschuldigde winstbelasting respectievelijk het bedrag aan verschuldigde invoerrechten in het land van invoer als volgt:
Het bedrag aan verschuldigde winstbelasting zal toenemen met 7.500 EUR ((0 EUR +/+ 30.000 EUR) * 25%).4
Het bedrag aan verschuldigde invoerrechten zal afnemen met 10.000 EUR (70.000 EUR -/- 80.000 EUR).
In het land van invoer zal in totaal 2.500 EUR minder belasting/invoerrechten verschuldigd zijn (7.500 EUR -/- 10.000 EUR).5 De belastingautoriteiten zullen een dergelijke aanpassing meer voorstaan dan de douaneautoriteiten gelet op de gederfde invoerrechten.6 Dit verschil is echter overkomelijk, te meer nu in toenemende mate, aangemoedigd door de WDO, een dialoog plaatsvindt tussen de stakeholders betrokken bij de vaststelling van de douanewaarde en verrekenprijzen.7 Dat neemt niet weg dat bepaalde landen thans geen teruggaaf van betaalde invoerrechten verlenen in het geval van een neerwaartse verrekenprijsaanpassing, terwijl zij in de omgekeerde situatie – bij een opwaartse verrekenprijsaanpassing – wel additionele invoerrechten zullen heffen. Daarnaast wordt het op onjuiste wijze aangeven van de douanewaarde in Nederland overeenkomstig artikel 10:5 Adw aangemerkt als strafbaar feit en worden rentes in rekening gebracht over de additioneel af te dragen invoerrechten ten gevolge van een opwaartse verrekenprijsaanpassing. De reden dat landen verschillende posities innemen heeft te maken met het gebrek aan wettelijke bepalingen die de samenloop tussen de vaststelling van de douanewaarde en de vaststelling van verrekenprijzen faciliteren. Het verschil in de grondslag (lees: wetgeving) waarop de douanewaarde en verrekenprijzen worden vastgesteld lijkt echter door richtsnoeren8, reconciliatieprogramma’s9 en/of gezamenlijke APA/BWI-programma’s10 overbrugd te kunnen worden. Daarbij moet wel aandacht uitgaan naar diverse verschillen die bestaan tussen de vaststelling van de douanewaarde en de vaststelling van interne verrekenprijzen.11 Ik benoem de verschillen hierna op hoofdlijnen en ga er verder op in onderdeel 10.3 op in.
Ten eerste wordt voor de douanewaarde onderzocht of sprake is van prijsbeïnvloeding indien partijen zijn verbonden, waar de toetsing van het arm’s-length-beginsel bij verrekenprijzen plaatsvindt indien sprake is van gelieerde partijen (onderdelen 7.5.5.2 en 10.3.2). Het onderscheid tussen ‘verbonden’ en ‘gelieerde partijen’ acht ik marginaal. De situaties waarin partijen zijn verbonden staan limitatief opgesomd in artikel 127 UDWU en lijken een ruimer bereik te hebben dan het begrip ‘gelieerde personen’. Verbondenheid volgt namelijk reeds uit een familieband of uit de zeggenschap of controle die een partij over de ander heeft. Een tweede verschil houdt verband met de verschillende waarderingsmethoden die gehanteerd worden (onderdelen 6.2 en 10.3.6). De methoden voor de vaststelling van de douanewaarde kennen een onderlinge subsidiariteitsband en vinden op basis van een strikte hiërarchie toepassing (onderdeel 6.2.2), waarbij primair wordt aangesloten bij de transactiewaarde van de ingevoerde goederen (onderdeel 5.4). Voor de vaststelling van verrekenprijzen kan vrijelijk worden gekozen tussen diverse methoden, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt tussen traditionele transactiemethoden en transactionele winstmethoden.12 Voor een vergelijking is het vooral van belang om de verrekenprijsmethoden af te zetten tegenover de transactiewaarde van de ingevoerde goederen, omdat ten aanzien van deze methode getoetst moet worden of sprake is van prijsbeïnvloeding indien partijen zijn verbonden (onderdeel 10.3.6.1).13 Ik merk daarbij op dat geen enkele verrekenprijsmethode één-op-één aansluit bij de transactiewaarde van de ingevoerde goederen, vanwege onder andere het feit dat onder voorwaarden bepaalde prijselementen bijgeteld moeten worden bij de transactiewaarde of ervan moeten worden uitgesloten.14 Indien deze verschillen echter inzichtelijk zijn gemaakt, zouden deze overkomelijk moeten zijn.15 Een ander verschil, waar ten derde op kan worden gewezen, betreft het uit elkaar lopen van de navorderingstermijnen.16 Het uit elkaar lopen van navorderingstermijnen is in het bijzonder relevant indien een aantal jaar na de invoer van goederen blijkt dat er een retroactieve verrekenprijsaanpassing doorgevoerd moet worden om de interne verrekenprijzen in lijn met het arm’s-length-beginsel vast te stellen. De vraag is of deze aanpassing nog kan worden meegenomen voor het definitief vaststellen van de douanewaarde. In dat kader merk ik op dat de navorderingstermijn in het douanerecht in beginsel drie jaar bedraagt en bij een douaneschuld die is ontstaan ingevolge een handeling die strafrechtelijk vervolgbaar was, afhankelijk van de EU-lidstaat, vijf tot tien jaar.17 De vraag is of een retroactieve opwaartse verrekenprijsaanpassing die volgt op een belastingaudit buiten de driejaarstermijn, een douaneschuld doet ontstaat ‘die is ontstaan ingevolge een handeling die strafrechtelijk vervolgbaar was’ en zodoende onder de verlengde termijn valt. Ik kom hier nader op terug in onderdeel 10.3.7.5.3. Tot slot, ten vierde, kan worden gewezen op het feit dat de douanewaarde op product-per-product- en transactie-per-transactieniveau wordt vastgesteld (onderdeel 10.3.5), waar verrekenprijzen ook op geaggregeerd niveau kunnen worden vastgesteld waarbij bijvoorbeeld een verrekenprijs ziet op een gehele productgroep en interne verrekenprijzen voor een langere periode worden vastgesteld.18 Deze verschillen lijken in toenemende mate overkomelijk door in het bijzonder technologische toepassingen die het mogelijk maken om interne verrekenprijzen op product- en transactieniveau vast te stellen (onderdeel 10.3.9).