Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/8.9
8.9 Afsluitende opmerkingen
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268479:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook het advies van de Raad van State van 14 november 2012, p. 11. Vanwege het ceremonieel karakter zal dit in versterkte mate gelden voor het afleggen van de eed.
Soeharno merkt op dat de laatste jaren de nadruk op het externe karakter van het tuchtrecht sterker is geworden: het tonen dat de groep vanwege de eigen, disciplinerende, normhandhavende kracht, betrouwbaar is (J.E. Soeharno, ‘Een nieuw panopticon. Over het doel van tuchtrecht’, AA 2016, afl. 7/8, p. 2014, p. 497). Atema ziet deze “imagoverbetering” als voornaamste voordeel van het tuchtrecht (J. Atema, ‘Het bankierstuchtrecht: een terug- en vooruitblik’, FRP 2017/ 600).
Vrijwel alle auteurs die zich hebben gebogen over de bankierseed en het bancair tuchtrecht hebben zich de vraag gesteld naar het nut en de noodzaak van deze initiatieven. Deze vraag kan ook worden gesteld vanuit het perspectief van het financieel toezichtrecht.
De bankensector is immers een zwaar gereguleerde sector waarop reeds intensief toezicht wordt gehouden. Dit toezicht ziet onder meer op de verplichting tot het voeren van een beheerste en integere bedrijfsvoering, uit welke verplichting volgt dat banken beschikken over een adequaat (integriteits-)beleid en zorgdragen voor de naleving van dit beleid. Ook beschikken de toezichthouders over eigen bevoegdheden om individuele bankmedewerkers aan te spreken die verantwoordelijk zijn voor door de bank begane overtredingen, zoals het opleggen van een persoonlijke boete, een persoonlijke last, waarschuwing of een functieverbod, of het doen “heenzenden” van beleidsbepalers, interne toezichthouders of leden van de tweede echelon die niet langer aan de geschiktheids- of betrouwbaarheidseisen voldoen.
Toch vult, in mijn ogen, het bancair tuchtrecht het toezicht op een aantal belangrijke punten aan. In de eerste plaats ligt er meerwaarde in de persoonlijke bevestiging, de persoonlijke verbintenis om zich aan de Gedragsregels te houden. Bankmedewerkers, beleidsbepalers en interne toezichthouders tekenen er zelf voor dat zij de integriteits- en zorgvuldigheidsnormen zullen naleven en dat zal anders voelen dan het moeten nakomen van bepaalde verplichtingen, uitsluitend omdat dit volgt uit de wet. Door het afleggen van de bankierseed en door te verklaren dat de Gedragsregels zullen worden nageleefd wordt het niet alleen een juridische verplichting maar ook een persoonlijke belofte en inzet om de Gedragsregels na te leven.1
Daarnaast kan de combinatie van bankierseed en tuchtrecht een belangrijk effect hebben op de cultuur binnen de bank. Uit onderzoek van DNB en de AFM uit 2016 bleek bijvoorbeeld dat het afleggen van de eed in veel gevallen wordt ingebed in een breder cultuur- en integriteitsprogramma waar bijvoorbeeld ook dilemmasessies en extra integriteitstrainingen deel van uitmaken. Dit kan leiden tot een verhoogde bewustheid van de eigen verantwoordelijkheden en gedrag.2 Op die manier kunnen bankierseed en tuchtrecht reeds “aan de voorkant” een belangrijk effect bereiken, dat wil zeggen voordat tuchtrechtelijk (of bestuursrechtelijk) ingrijpen daadwerkelijk nodig is.
Ook kan de uitoefening van het tuchtrecht zelf, waaronder de publicatie van uitspraken, een belangrijk extern effect sorteren. Op deze manier maakt de sector duidelijk aan het publiek dat zij zichzelf reguleert, zich onderwerpt aan onafhankelijke tuchtrechtspraak en dat wordt opgetreden tegen ongewenst gedrag. Ook is zichtbaar dat zorgvuldigheid, integriteit en het centraal stellen van de belangen van de klant belangrijke waarden zijn in de bancaire sector die, zoals blijkt uit opgelegde sancties en beroepsverboden, in de praktijk serieus worden genomen. Dit zal naar verwachting bijdragen aan het herstel van het vertrouwen in de sector.3
Zo dienen tuchtrecht en toezicht een vergelijkbaar einddoel, te weten het bewaken van de kwaliteit en integriteit van de sector en het borgen van het maatschappelijk vertrouwen, maar hebben beide systemen ook hun eigen karakter en methoden om deze doelen te verwezenlijken. Vanuit het perspectief van de toezichthouder is daarbij van belang dat het tuchtrecht door de bancaire sector zelf wordt georganiseerd. Zelfregulering heeft, ook in de visie van de toezichthouder, de voorkeur boven handhaving en ingrijpen van bovenaf. Tuchtrecht en toezicht kunnen elkaar daarom aanvullen en versterken.
In bepaalde gevallen kan optreden door zowel de tuchtrechter als de toezichthouder jegens dezelfde persoon echter ongewenst zijn. Bijvoorbeeld omdat dit kan leiden tot een onevenredige belasting van betrokkenen, dubbele procedures en/of een dubbele sanctionering. De wetgever heeft in dit verband opgemerkt dat “dubbeling” en (ongewenste) samenloop tussen toezicht en tuchtrecht zoveel mogelijk moeten worden voorkomen, bijvoorbeeld door het inrichten van “een adequate filterfunctie”. Voor zover de wetgever hiermee doelt op het instellen van een (regulier) overleg tussen de tuchtrechter en de toezichthouders, waarbij bijvoorbeeld afspraken worden gemaakt over de volgtijdelijkheid van elkaars optreden, dan staat het wettelijk systeem van geheimhoudingsplichten en privacyregelgeving hieraan in de weg. Het ligt daarmee op de weg van betrokkene zelf om de tuchtrechter over parallelle trajecten te informeren. De tuchtrechter kan er vervolgens voor waken dat het totaalpakket aan sancties waarmee betrokkene als gevolg van dezelfde gedragingen wordt geconfronteerd, evenredig is. Andersom ligt dit lastiger, nu de invoering van het tuchtrecht niet af kan doen aan de verantwoordelijkheden en taakvervulling van DNB en de AFM op grond van de Wft, al zullen de toezichthouders een eventueel eerder ingrijpen door de tuchtrechter wel kunnen meewegen bij de vraag of aanvullend optreden noodzakelijk is. Dubbele procedures kunnen echter niet zonder meer worden voorkomen.
Tot slot kunnen zowel toezicht als tuchtrecht mijns inziens effectiever functioneren wanneer tuchtrechtinformatie op een duidelijker en meer gestructureerde manier in het toezicht kan worden betrokken, en kan hierdoor een evenredige sanctionering van toetsbare personen beter worden geborgd. In dit hoofdstuk is hiertoe een aantal voorstellen gedaan.