Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/8.1.1
8.1.1 Medezeggenschap: achtergronden en afbakening onderzoeksvraag
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS298792:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook Rood 2004, p. 241.
De WOR kent in artikel 35b ook medezeggenschapsrechten toe aan werknemers in kleinere ondernemingen, waarin geen OR en personeelsvertegenwoordiging bestaat, door de verplichting tot het houden van zgn. personeelsvergaderingen (Pvg). De Pvg blijft in dit hoofdstuk buiten beschouwing. Wel komen de ten behoeve van die (groep) werknemers geldende verplichtingen die voortvloeien uit artikel 7:665a BW aan de orde.
Hetzelfde geldt voor de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (artikel 12), die echter gezien het vrijwel ontbrekende belang voor de insolventierechtspraktijk verder buiten beschouwing blijft.
De Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (Wet CAO) blijft in dit boek goeddeels onbesproken. Zie Hufman 2015, paragraaf 3.8.2 voor een korte beschouwing over de gevolgen van surseance en faillissement voor Cao-bepalingen.
In artikel 3 lid 1 WMCO is geregeld dat het gaat om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van tenminste twintig werknemers in een tijdsbestek van drie maanden in een werkgebied van UWV.
Wet van 4 mei 1950, Stb. 174, in 1971 geheel vervangen (Stb. 1971, 54) en nadien nog vele malen, soms ingrijpend, gewijzigd; zie voor een uitputtend overzicht van de wetgevingsgeschiedenis: Rood 2013, p. 19-24.
Rood 2013, p. 19.
Uitgebreid hierover: Rood 2001.
Zie bijvoorbeeld een Groenboek van de Europese Commissie in 1975, Bulletin: 'Medezeggenschap van werknemers en structuur van de vennootschap', Suppl. 8/75.
Richtlijn 2002/14/EG van 11 maart 2002, PbEG 2002, L 80 van 23 maart 2002.
Artikel 19 lid 2 Grondwet: 'De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap'.
Bouwens, ArA 2018/1, p. 24.
Als het wetsvoorstel Wet Continuïteit Ondernemingen I wordt aangenomen komt daarin verandering, zoals in paragraaf 6.5 aan de orde is gekomen.
Daar komt bij dat de wetgever nadien wel een aantal andere specifieke uitzonderingen op het arbeidsrecht bij insolventie van de werkgever heeft geformuleerd, zoals de uitzondering op de regels aangaande overgang van onderneming in geval van faillissement (in artikel 7:666 BW) en het niet langer verschuldigd zijn van een transitievergoeding in geval van zowel surseance als faillissement (in artikel 7:673c BW).
Aldus artikel 2 lid 3 WMCO.
Onder medezeggenschapsrecht wordt in dit kader verstaan het geheel van regels volgens welke werknemers inspraak kunnen uitoefenen op de gang van zaken in een bedrijf.1 Dergelijke regels zijn met name opgenomen in de Wet op de ondernemingsraden (WOR) en toebedeeld aan vertegenwoordigers van de werknemers in de ondernemingsraad (OR) of in de personeelsvertegenwoordiging (PVT).2
Overigens kent ook Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek rechten aan de OR toe, namelijk het spreekrecht als bedoeld in artikel 2:107a lid 3 BW.3 Dit spreekrecht heeft de ondernemingsraad ook ten aanzien van besluiten tot benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders en commissarissen (artikelen 2:134a BW en 144a BW) en ten aanzien van het bezoldigingsbeleid (artikel 2:135 lid 2 BW). Belangrijk onderscheid is dat de medezeggenschapsrechten in de WOR betrekking hebben op (het reilen en zeilen binnen) de onderneming, terwijl bedoelde spreekrechten zien op de gang zaken betreffende de rechtspersoon c.q. vennootschap. Het begrip onderneming is in de WOR gedefinieerd als elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht; dat is betrekkelijk ruim geformuleerd. Het onderscheid tussen onderneming en rechtspersoon is mede van belang in het kader van faillissement, omdat een faillissement betrekking heeft op de rechtspersoon die in staat van faillissement wordt verklaard, terwijl de onderneming als zodanig het lot van de rechtspersoon niet per definitie deelt. In dit hoofdstuk ligt de nadruk op de medezeggenschap binnen de onderneming.
Niet alleen de OR, maar ook werknemersverenigingen kunnen invloed uitoefenen op besluitvorming binnen een onderneming. Meest in het oog springend is in het kader van dit onderzoek de Wet melding collectief ontslag (WMCO).4 In deze wet gaat het om belanghebbende verenigingen, oftewel vakorganisaties, die gekend moeten worden in het voornemen een groter aantal werknemers te ontslaan.5 Ook de artikelen 345 e.v. uit boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (het enquêterecht) en het SER-besluit Fusiegedragsregels 2015 bevatten regels betreffende medezeggenschap door het toekennen van bevoegdheden aan werknemersorganisaties.
Het recht op medezeggenschap is in de wet geïntroduceerd in 1950 met de invoering van de WOR.6 In de periode van wederopbouw, waarin Nederland toen verkeerde, werd deze wet gezien als middel om het arbeidsklimaat in de onderneming te verbeteren en daardoor de productiviteit te vergroten.7 Gaandeweg, met name vanwege de democratiseringstendens in de daaropvolgende decennia, is het begrip medezeggenschap echter anders ingevuld. Medezeggenschap voor werknemers werd meer en meer beschouwd als tegenhanger van de zeggenschap van de werkgever, die mensen voor zich laat werken in ondergeschiktheid.8 De Europese Commissie vervulde hierin een belangrijke rol door aan te geven dat zij medezeggenschap als een op bedrijfsdemocratische gronden gebaseerd essentieel onderdeel van de structuur van bedrijven zag.9 Volgens deze opvatting hebben werknemers belangen bij het functioneren van de bedrijven waar zij werkzaam zijn, die even groot of zelfs groter kunnen zijn dan de belangen van de aandeelhouders. Dit heeft ook geleid tot concrete Europese regelgeving, zoals de Richtlijn uit 2002 die strekt tot "de vaststelling van een kader betreffende de informatie en de raadpleging van werknemers in de Europese Unie".10
Rood heeft deze ontwikkeling in goedkeurende zin beschreven door te stellen dat zij voldoet aan een 'eis van simpele rechtvaardigheid' dat in een bedrijf een bepaalde mate van democratie bestaat.Rood 2004, p. 19. Hij wees ook op het feit dat medezeggenschap haar bestaansrecht inmiddels mede ontleent aan de Grondwet, waarin in artikel 19 lid 2 is vastgelegd dat wettelijke regels omtrent medezeggenschap dienen te worden gesteld.11 Ook Bouwens spreekt van een "fundamenteel democratisch recht" en wijst in dit verband tevens op het EU-Grondrechtenhandvest (artikel 27) en het Europees Sociaal Handvest (artikel 21).12 Recht op medezeggenschap is daarmee een sociaal grondrecht geworden dat zwaar weegt.
In dit hoofdstuk staat centraal de vraag of (dreigende) insolventie van de werkgever beperkende invloed heeft op de hier bedoelde medezeggenschapsrechten van werknemers en, zo ja, welke effecten dat dan zijn en in hoeverre deze ongewenst kunnen worden genoemd. Daartoe wordt – zoals steeds, in lijn met de onderzoeksvragen – onderzocht welke regels er zijn (in Nederland en in Europa), wat de ratio daar achter is en in welke mate deze door (dreigende) insolventie van een werkgever worden beïnvloed. Daarbij wordt nagagaan of sprake is van tegenstrijdigheden tussen genoemde regels met een medezeggenschapsrechtelijk karakter enerzijds en regels uit het insolventierecht anderzijds. Voor zover deze medezeggenschaprechten niet goed aansluiten op dan wel botsen met de regels uit met name de Faillisementswet zal worden nagegaan welke efficiënte en aanvaardbare oplossingen hiervoor bijvoorbeeld door aanpassing van de regels zijn te vinden.
Uitgangspunt bij de beantwoording van deze vragen is het gegeven dat in de Faillissementswet geen bepalingen zijn opgenomen die specifiek zien op de gevolgen van faillissement of surseance voor de medezeggenschapsrechten van werknemers en hun vertegenwoordigers. Op het eerste oog is dat logisch, omdat de Faillissementswet is ingevoerd in een tijd dat in Nederland voor het fenomeen medezeggenschapsrechten van werknemers nog geen vruchtbare voedingsbodem bestond. Niettemin moet geconstateerd worden dat ook latere wijzigingen van de Faillissementswet nimmer hebben geleid tot specifieke, aan het medezeggenschapsrecht gerelateerde regels. Vice versa zijn in de WOR evenmin speciale regels opgenomen die exclusief zien op de situatie dat sprake is van (dreigende) insolventie; de termen faillissement en surseance komen nergens in deze wet met zoveel woorden voor.13
Door het ontbreken van enige speciale andersluidende wetsbepaling dringt zich op het eerste gezicht de conclusie op dat medezeggenschapsrechten uit de WOR dus onaangetast blijven, indien een werkgever in insolvente staat komt te verkeren. De WOR kwam er immers op het moment dat de Faillissementswet al meer dan een halve eeuw bestond en voorzag klaarblijkelijk niet in afwijkingen c.q. uitzonderingen.14 Op die conclusie valt echter wel wat af te dingen, zoals in dit hoofdstuk zal blijken.
In de WMCO is overigens wel voorzien in een expliciete bepaling, die een deel van deze wet (en een ander deel dus niet) van toepassing verklaart op het doen eindigen van arbeidsovereenkomsten ten gevolge van faillissement van de werkgever.15 Op de betekenis en de gevolgen van die toepasselijkheid wordt later teruggekomen.