Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/9.7.2.1:9.7.2.1 Bewijs dat de verdachte heeft verborgen of verhuld
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/9.7.2.1
9.7.2.1 Bewijs dat de verdachte heeft verborgen of verhuld
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS499574:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het verbergen of verhullen door de verdachte van (het bestaan van) fysiek bewijs, kan tot gevolg hebben dat de autoriteiten dit bewijs enkel met diens actieve medewerking kunnen verkrijgen, bijvoorbeeld door het gebruik van cryptografie.1 Willen de autoriteiten over de versleutelde gegevens kunnen beschikken, dan zal de verdachte de gegevens moeten ontsleutelen of de sleutel moeten aanreiken.2
Uitlokken open vraagstelling van de autoriteiten
Het verhullen door de verdachte van (het bestaan van) mogelijk belastend bewijsmateriaal, kan ook ertoe leiden dat de autoriteiten daarvan geen weet hebben of althans daarover in onzekerheid verkeren en bij de verdachte naar het materiaal moeten ‘vissen’. Vgl. de gedwongen verkrijging van rekeninginformatie waarop een bankgeheim rust. Vanwege dit geheim (of beter: verhullen) zijn de autoriteiten vaak niet in staat om buiten de verdachte om te verifiëren of sprake is van een geheime rekening.
Vgl. de zaken Funke en J.B. Daarin konden de autoriteiten de verlangde informatie enkel van de klagers verkrijgen. Hoewel de omstandigheden in deze zaken hier wel aanleiding toe geven, houdt het EHRM daarin geen rekening met de (niet ondenkbare) mogelijkheid, dat klagers moedwillig belastend bewijs in de vorm van documenten hebben willen wegmaken of -houden. Een voor de hand liggende verklaring is dat de Franse en Zwitserse regering daarover voor het Hof niets hebben gesteld. Een andere, meer speculatieve verklaring is bijvoorbeeld dat het ging om documenten die klagers voor eigen gebruik onder zich hadden (en niet voor toezichtsdoeleinden).3