Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.C.7
7. Civielrechtelijke integratie?
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS479839:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Deze term is ontleend aan H.F.A.M. Schuurmans, ‘Kavelruil’, p. 58.
Art. 1 lid 1 WILG, waarover tevens de onderdelen B.l.a en E.l.b. van dit hoofdstuk. Zie tevens A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, p. 122.
Vgl. art. 86 lid 2 WILG (de ‘onbevoegdheidsregeling’), waarover meer in onderdeel B.7 van dit hoofdstuk.
Zie art. 3:226 lid 4 BW. Het recht van gebruik en bewoning is een hoogstpersoonlijk recht.
D.L. Rodrigues Lopes, ‘Eigenaar en eigendom in de Landinrichtingswet’, in: Agrarisch recht 2001/5, p. 304. Zie tevens L. Oomens, ‘Ruilverkaveling’, p. 575, alsmede Asser-Mijnssen, van Velten & Bartels, 5* Eigendom en beperkte rechten, nr. 14.
Aldus R.A.V. van Haersolte, ‘De mens en het zijne’, in: WPNR (1961), 4701.
Zie bijv. Asser-Mijnssen, De Haan & Van Dam, 3-1 Algemeen goederenrecht, nr. 300.
In gelijke zin: P. de Haan, ‘Toedeling van beklemrechten bij ruil- en herverkaveling’, p. 234.
Zie nader onderdeel B.2.b van dit hoofdstuk. Zie voor de parallellen met art. 3:186 BW onderdeel G4 hiervoor.
Aldus B.F. Preller, ‘De Wet inrichting landelijk gebied en kavelruil’, in: LTB 2010/6-7, p. 3.
Zie in dit verband uitgebreid Asser-Hartkamp & Sieburgh 6-III*, Algemeen overeenkomstenrecht, nr. 648 e.v., alsmede onderdeel G.6.j.4 van het vorige hoofdstuk. Zie voor de mogelijke fiscale effecten van de conversie grenspost 2, hfdst. 11, onderdeel B.3.C.
HR 21 januari 1944, NJ 1944, 120 (Van de Water/ Van Hemme).
Zie voor de gevolgen van conversie voor de fiscale behandeling van de kavelruil hfdst 11, onderdeel B.3.d van de fiscale grenspost.
Nu aangetoond is dat de kavelruil een civielrechtelijk hart bevat, aangevuld met enkele ‘donororganen’, die de kavelruilovereenkomst zijn bijzondere ‘handelskenmerken’1 (de ‘eigen rechtssfeer’, de bijzondere kenmerken van de artikelen 86 en 87 WILG, de verhouding met het civielrechtelijke ruilbegrip, de haat-liefde verhouding met de rechtsfiguur verdeling, de afwezigheid van de titelzuivering en tot slot de mogelijke aansprakelijkheid op civielrechtelijk terrein) geven, is het tijd voor de volgende stap. Door de civielrechtelijke ‘roots’ van de kavelruil en de diverse in dit onderdeel gelegde dwarsverbanden vanuit en richting het privaatrecht, komt de vraag op in hoeverre de ogenschijnlijke civielrechtelijke integratie van de kavelruil ook echt doorgevoerd is. In welk opzicht is sprake van een echte symbiose tussen civiel recht en ‘kavelruil-recht’? Of is slechts sprake van enkele interessante parallellen, die weinig tot niets afdoen aan de ‘status aparte’ van de kavelruil? Om deze vragen te kunnen beantwoorden, zullen, in aansluiting op de hiervoor gelegde civielrechtelijke dwarsverbanden, in dit onderdeel enkele kenmerkende begrippen uit de kavelruilregeling nader dienen te worden beschouwd, waarna deze begrippen met hun civielrechtelijke ‘moeder’ worden vergeleken.
Wij vangen aan met de begrippen ‘eigenaar’ en ‘eigendom’. Het begrip ‘eigenaar heeft van de wetgever binnen de landinrichtingswetgeving een aparte definitie meekregen. Onder eigenaar wordt verstaan: degene die eigenaar is van de onroerende zaak en degene aan wie een recht van opstal, erfpacht, beklemming, vruchtgebruik, gebruik of bewoning met betrekking tot die onroerende zaak toebehoort.2 In vergelijking tot het goederenrechtelijke eigenaarsbegrip valt op dat de groep beperkt gerechtigden ‘beperkt’ is geformuleerd. Zo vallen onder meer de hypotheekhouder, de eigenaar van het heersende erf ingeval van een erfdienstbaarheid en de huurder buiten deze definitie.
De specifieke eigenaarsdefinitie uit de WILG leidt ertoe dat het begrip ‘eigenaar’ in landinrichtingssferen een speciale betekenis heeft. Ook de ‘eigenaar volgens het kadaster’ valt onder deze omschrijving.3 Voor kavelruil geldt dat de eigenaren partij kunnen zijn bij de overeenkomst. De ‘gebruiker en bewoner’ kan zijn recht niet vervreemden of bezwaren4 en kan dus formeel gezien niet (als inbrenger) deelnemen aan de kavelruil, hoewel het eigenaarsbegrip degene aan wie een recht van gebruik of bewoning toekomt wel met zoveel woorden als eigenaar betitelt. Los van deze ‘schoonheidsfout’ levert de specifieke eigenaarsdefinitie binnen de landinrichtingswetgeving geen onduidelijkheden op.
In tegenstelling tot het begrip ‘eigenaar’ wordt het begrip ‘eigendom’ niet nader gedefinieerd binnen de contouren van de landinrichting. Daarom dient te worden teruggegrepen op de goederenrechtelijke definitie. Eigendom wordt in art. 5:1 lid 1 BW omschreven als het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben.5 Als ‘kernbepaling’ van ons rechtstelsel is het ook niet aan de ‘landinrichtingswetgever’ om een eigen definitie van het begrip ‘eigendom’ te ontwerpen. Het positieve recht kan immers niet zomaar de betekenis van het begrip eigendom vaststellen.6
Het volgende begrip dat aandacht behoeft is het fenomeen toedeling. De civilist zal dit begrip niet onmiddellijk herkennen, maar via de route van artikel 3:80 lid 3 BW zal hij het begrip uiteindelijk kunnen plaatsen. Toedeling is in civielrechtelijke zin te plaatsen als bestuursrechtelijke vorm van overgang van registergoederen, vallend onder de ‘restdefinitie’ van artikel 3:80 lid 3 BW (‘en voorts op de overige in de wet voor iedere soort aangegeven wijzen van rechtsverkrijging‘). Hoewel bij toedeling primair gedacht wordt aan de toedeling via herverkaveling, 7 vindt bij kavelruil, via de akte van kavelruil, eveneens toedeling plaats. Verkrijging krachtens kavelruil is derhalve een verkrijging onder bijzondere titel ex artikel 3:80 lid 3 BW. Voor de identificeerbaarheid van de toedeling bij herverkaveling en kavelruil als verkrijging onder bijzondere titel verdient het overigens aanbeveling kavelruil en herverkaveling uitdrukkelijk te noemen in laatstgenoemd artikellid.8
Vervolgens richten wij, vanuit de toedeling, het civielrechtelijke vizier op het (woordelijk bijna gelijke) begrip toetreding. Indachtig de toetredersregeling uit artikel 85 lid 2 WILG, 9 komt de (civielrechtelijke) vraag op of hier een parallel te trekken is met de toetredersregeling uit het huwelijksvermogensrecht (artikel 1:90 lid 4 BW). Door middel van deze laatste regeling kan de bestuursbevoegde echtgenoot door toetreding partij worden bij de obligatoire rechtshandeling, aangegaan door de niet-bestuursbevoegde echtgenoot. De ‘toetreder’ kan daaraan vervolgens ook rechten jegens de derde ontlenen. De parallel in beide vormen van toetreding zit in het feit dat door de toetreding de status van partij bij de obligatoire rechtshandeling verworven wordt. Wanneer een echtgenoot toetreedt tot een akte van levering, heeft de toetreding tevens het karakter van bekrachtiging in de zin van art. 3:58 BW (convalescentie), aangezien de niet-bestuursbevoegde echtgenoot niet beschikkingsbevoegd is. Dit is een verschil met de toetreder in kavelruil-sferen: de toetreder aan de kavelruil neemt deel aan een meerpartijen-overeenkomst, waarbij iedere partij verantwoordelijk is voor zijn/haar eigen beschikkingsbevoegdheid. Mocht er onverhoopt toch sprake zijn van een (beschikkings)onbevoegde deelnemer, dan wordt de oplossing voor dit probleem niet, zoals in het huwelijksvermogensrecht, gevonden in de toetreding van de bevoegde partij, maar door de werking van artikel 86 lid 2 WILG, die als een soort ‘bekrachtiging ex lege’ werkt. De remedie van artikel 86 lid 2 WILG is echter enkel effectief indien de onbevoegdheid voortspruit uit een (onterechte) registratie van de onbevoegde partij als eigenaar in de openbare registers. Voor andere vormen van beschikkingsonbevoegdheid wordt geen soelaas geboden. In die optiek is het toepassingsgebied van de huwelijksvermogensrechtelijke regeling van artikel 1:90 lid 4 een stuk ruimer.
De toetredingsmogelijkheid in de WILG is derhalve enkel bedoeld om deel te kunnen nemen aan een (kavelruil)project, niet om een mogelijk ongeldige rechtshandeling te bekrachtigen, zoals bij zijn huwelijksvermogensrechtelijke naamgenoot het geval is. Niettemin is het initiële rechtsgevolg van beide vormen van toetreding gelijk: door toetreding ontstaat een binding aan de obligatoire rechtshandeling, ongeacht of dit een kavelruilovereenkomst, een akte van levering of een andere obligatoire rechtshandeling betreft.
Als laatste wordt het begrip titel onder de loep genomen. Civielrechtelijk is de titel veelal de overeenkomst die tot de overdracht verplicht. Kavelruil is een zodanige overeenkomst.10 Het belang van de kwalificatie van een overeenkomst als kavelruil is, in relatie tot het titel-leerstuk, aan de orde gekomen tijdens de parlementaire behandeling van de WILG. Het woord is, voor een van de laatste malen in het kader van dit onderzoek, aan Kamerlid Slob:
“Ik vraag aandacht voor een aantal aspecten die essentieel zijn voor de beantwoording van de vraag of een overeenkomst kan worden gekwalificeerd als kavelruil (…). Blijkt de overeenkomst ten onrechte als zodanig te zijn aangemerkt, dan is bij de toedeling van de onroerende zaak en de uitvoering van de overeenkomst sprake van een ongeldige titel van levering met het gevolg dat de boogde eigendomsovergang niet heeft plaatsgevonden.”
De civielrechtelijke vereisten aan kavelruil, opgenomen in de artikelen 85-88 WILG en artikel 31a BILG, bepalen derhalve of een overeenkomst de status ‘kavelruil’ verdient. Mocht dit niet het geval zijn, dan is er geen sprake van kavelruil. Het civiele recht bepaalt dan de verdere lotgevallen van de transactie.
De opmerking van Slob dat sprake zou zijn van een ongeldige (nietige) titel van levering is juist. De nadere gevolgtrekking, dat de beoogde eigendomsovergang niet zou hebben plaatsgevonden, is echter minder juist. De symbiose tussen civiel recht en de kavelruil brengt met zich dat tevens het leerstuk van de conversie op een ‘bij nader inzien toch geen kavelruil’ van toepassing is.11Artikel 3:42 BW schiet de omgevallen kavelruil derhalve te hulp. Alvorens de concrete uitwerking van de conversie te beschrijven, breng ik een oud arrest van de Hoge Raad, bekend als het ‘conversie- arrest’ in herinnering.12 De Hoge Raad concludeerde aldaar:
“dat in de tweede plaats zij opgemerkt, dat, indien de met een rechtshandeling beoogde rechtsgevolgen wegens haar nietigheid niet bereikt kunnen worden en zij niettemin de bestanddeelen van een andere rechtshandeling, voor welker geldigheid de vereischten wel aanwezig zijn, in zich bevat, een redelijke wetstoepassing medebrengt, dat de nietige rechtshandeling worde omgezet (geconverteerd) in de geldige rechtshandeling, zoo aannemelijk is, dat zij die handelden, ten tijde van de handeling, voor het geval het beoogde rechtsgevolg niet bereikbaar ware, het wél bereikbare zouden hebben gewild eer dan den toestand, welke het gevolg van nietigheid zonder meer zoude zijn; dat toch de wettelijke bepalingen omtrent de nietigheid van rechtshandelingen geenszins vorderen, dat partijen elkander niet, voorzoover hun opzet geoorloofd was, vermogen te houden aan hetgeen zij blijkens hun overeenkomst in economisch opzicht wilden bereiken; dat, gezien deze beschouwingen, ten deze bij de verdeeling der algeheele gemeenschap van goederen geschil zal kunnen rijzen, of niet, gegeven de nietigheid van het voorwaardelijk bedingen van de gemeenschap van winst en verlies, deze bij notarieele acte aangegane overeenkomst met toepassing van den gevonden regel moet worden omgezet in het hierboven geschetste voorwaardelijk verrekeningsbeding, hetwelk tusschen partijen in economisch opzicht dezelfde gevolgen heeft als het nietig gebleken beding;”
Geabstraheerd van de huwelijksvermogensrechtelijke context van dit arrest kan worden gesteld dat van conversie sprake is wanneer een nietige rechtshandeling van rechtswege wordt vervangen door een geldige, lijkend op wat partijen bedoeld hebben. In een kavelruiltraject kan, langs deze lijnen geredeneerd, conversie (mogelijk) tot gevolg hebben dat de vermeende overeenkomst van kavelruil automatisch wordt omgezet in een (of meerdere) koop- en/of ruilovereenkomsten. De automatische werking van de conversie brengt met zich dat de civielrechtelijke titel in stand blijft: deze is en blijft kavelruil, ondanks de ongeldigheid ervan.13
Resumerend kan, mede op grond van het voorgaande, worden gezegd dat de kavelruil met de hakken over de sloot geslaagd is voor zijn inburgeringscursus. De kavelruil is ingebed in het civiele recht, waardoor de raakvlakken legio zijn, maar dikwijls blijkt dat, ondanks de civielrechtelijke ‘inbakering’, de kavelruil te allen tijde zijn eigen cultuur behoudt en in ere houdt. De kavelruil zal daarom nooit volledig integreren in de civielrechtelijke ‘maatschappij’. Een LAT-relatie lijkt het hoogst haalbare. Wat wel duidelijk is, is dat de kavelruil niet zonder het civiele recht kan: zonder de civielrechtelijke dwarsverbanden en parallellen zou de kavelruil zich in een niemandsland bevinden en verworden tot een juridische paria, behorend tot noch het publiekrecht, noch het privaatrecht. De kavelruil mag derhalve dankbaar zijn voor de warme aandacht en belangstelling uit civielrechtelijke hoek. Dat hoeft echter niet te betekenen dat hij zijn afkomst behoeft te verloochenen.