Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/16.2.3
16.2.3 Het verband tussen de accuraatheid van de beurskoers en de allocatie van middelen
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS581464:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Fox e.a. (2003), p. 40: 'the new empirical evidence suggests that the efficiency of the real economy (the actual production of goods and services) is enhanced when share prices become more accurate.'
Aldus Fox e.a. (2003), p. 7. Zij verwijzen o.m. naar Banoff (1984), p. 176-184 en naar Romano (2001), p. 71-72 en 78-79.
Banoff en Romano baseren zich hierbij, aldus Fox e.a. (2003), p. 7, op de werking van de in hoofdstuk 14 besproken ECMH en het CAPM.
Zie Romano (2001), p. 79. Zij schrijft dat 'risk that is priced is market risk, and hence, investor wealth is not affected by a reduction in firm-specific risk.' De achterliggende verklaring daarvoor is, zoals Fox e.a. (2003), p. 7, noemen, dat 'a security with higher firm specific risk will not be priced in the market to produce a higher expected return since there is no need to provide an extra reward to induce the holding of risks that can be diversified away.'
Deze door Banoff en Romano uitgedragen opvatting — tegenstanders van het opleggen van publicatieverplichtingen aan beursvennootschappen — noemen Fox e.a. (2003), p. 7, de 'irrelevance position'.
Fox e.a. (2003), p. 8, merken op dat de tegenstanders van het opleggen van publicatieverplichtingen aandeelhouderschap lijken te zien als 'simply a method for investors to store wealth and the stock market simply a facility for the trading of financial assets, hedging, diversification, and pooling of risk.'
Daar komt bij dat door een aantal auteurs ook wordt aangenomen dat zelfs onder toepassing van het CAPM 'better disclosure regulation has the effect of decreasing firms' cost of capital by generally lowering the covariance between a firm's future cash flows and the future cash flows of the other firms.' In deze zin: Hail/Leuz (2006), p. 487, daarbij verwijzend naar Lambert/Leuz/Verrecchia (2005).
Vergroting van de accuraatheid van de beurskoersen kan daarnaast gevolgen hebben voor de verdeling van welvaart. Op het belang hiervan in relatie tot 'vertrouwen' in de werking van de effectenmarkt, kom ik hierna — in § 4 — terug.
Dit geldt overigens zowel in de primaire markt als in de secundaire markt. In de primaire markt in directe zin, omdat het aantrekken van nieuw kapitaal door beursvennootschappen tegen meer accurate beurskoersen, zal leiden tot investeringen in meer rendabele projecten. Ook in de secundaire markt leiden meer accurate beurskoersen van effecten echter tot een efficiëntere allocatie van middelen, omdat hierdoor de 'agency-kosten' zullen afnemen. Op deze, meer indirecte, bijdrage van meer accurate beurskoersen kom ik in § 3 terug. Hierover ook Fox e.a. (2003), p. 8-12 en Fox (2005), p. 32.
Vervolgens is empirisch onderzocht of een verband kan worden gevonden tussen het door beursvennootschappen behaalde rendement op investeringen en de prijsbeweging van de beurskoersen van de effecten van die beursvennootschappen. Uit dit onderzoek blijkt dat een vergroting van de accuraatheid van de beurskoersen van effecten de allocatie van middelen in de reële economie daadwerkelijk bevordert.1
Deze conclusie moge wellicht als een voor de hand liggende uitkomst klinken; juist op dit punt bestaat een belangrijk verschil van inzicht tussen de aanhangers van het opleggen van publicatieverplichtingen aan beursvennootschappen en degenen die daarvan geen voorstander zijn. Een (groot) deel van de tegenstanders van het opleggen van deze verplichtingen meent namelijk dat verbetering van de accuraatheid van beurskoersen, doordat meer informatie bekend wordt, alleen kan zien op risico's die aan de beursvennootschap zelf zijn gerelateerd.2 Dergelijke risico's kunnen binnen een effectenportefeuille echter worden (weg)gediversifieerd. Een verandering van de aan de beursvennootschap gerelateerde risico's leidt, zo betogen de tegenstanders van het opleggen van publicatieverplichtingen, echter niet tot een wijziging van de intrinsieke waarde van die effecten.3 De reden hiervoor wordt gevormd door het CAPM. Het CAPM veronderstelt dat de intrinsieke waarde van een effect wordt bepaald door enerzijds de te verwachten (toekomstige) opbrengsten van het effect en anderzijds de te verwachten niet weg te diversifiëren marktrisico's.4 Mocht derhalve het opleggen van publicatieverplichtingen de mate van accuraatheid van beurskoersen al vergroten, dan zal dit niet opwegen tegen de kosten van deze verplichtingen. Een dergelijke — eventuele — verbetering van de accuraatheid van de beurskoersen van die effecten zal immers in die beurskoersen niet tot uitdrukking komen.5
Voorstanders van het opleggen van publicatieverplichtingen aan beursvennootschappen hebben tegen het bovenstaande ingebracht dat de tegenstanders van het opleggen van publicatieverplichtingen ten onrechte veronderstellen dat de toekomstige opbrengsten van een effect als een vaststaand gegeven moeten worden beschouwd.6 De "cash flow" van een beursvennootschap is echter — zo wordt door voorstanders van het opleggen van publicatieverplichtingen terecht opgemerkt — geen constante grootheid. De "cash flow" kan aan veranderingen onderhevig zijn.7 De beurskoersen van effecten op de effectenmarkt, en verbetering van de accuraatheid daarvan, kunnen hierdoor de reële economie wel degelijk beïnvloeden. Onder andere omdat vergroting van de accuraatheid van de beurskoersen tot gevolg heeft dat verschaffers van kapitaal zullen, of in ieder geval kunnen, kiezen voor de meest efficiënte allocatie van hun middelen. Dit leidt uiteindelijke tot een vergroting8 van de (maatschappelijke) welvaart.9