Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.5.3
6.5.3 Voortgezette rechtsmacht; art. 9 Vo-BIlbis
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS439133:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bij de totstandkoming van HKbV 1996 heeft de Amerikaanse delegatie een nog verdergaande vorm van 'gecontinueerde' rechtsmacht voorgesteld: de rechter van de gewone verblijfplaats die voor de verhuizing van het kind een maatregel inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid heeft gegeven, heeft onder bepaalde omstandigheden gedurende twee jaar lang exclusieve rechtsmacht ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid. Dit voorstel heeft het niet gehaald. Zie het Toelichtend Rapport van P. Lagarde bij het HKbV 1996, onder nr. 41. Een dergelijke ruime `continuing jurisdiction' is te vinden in Section 202 van de Amerikaanse Uniform Child-Custody Jurisdiction and Enforcement Act (1997). Hierover: Robert G. Spector, 'The New Uniform Law with Regard to Jurisdiction Rules in Child Custody Cases in the United States with Some Comparisons to the 1996 Hague Convention on the Protection of Children', in: T. Einhom & K. Siehr (eds.), Intercontinental Cooperation Through Private International Law— Essays in Memory o fPeter E. Nygh, The Hague: T.M.C. Asser Press 2004, p. 357-384.
M.T. Rauscher, The European Legal Forum 2005, p. 39; U.P. Gruber, IPRax 2005, 297.
De eerste uitzondering op de hoofdregel is te vinden in art. 9 Vo-BIIbis. Op grond van dit artikel behouden de gerechten van de lidstaat van de vorige gewone verblijfplaats van het kind gedurende een periode van drie maanden, te rekenen vanaf de verhuizing van het kind naar een andere lidstaat, rechtsmacht tot het wijzigen van een in de vorige lidstaat voor de verhuizing gegeven beslissing inzake het omgangsrecht. De rechtsmacht wordt als het ware voortgezet voor een periode van drie maanden (`voortgezette' of 'gecontinueerde' rechtsmacht). Als voorwaarde geldt dat het kind legaal is verhuisd, dat wil zeggen niet is ontvoerd, en de persoon die ingevolge die beslissing het omgangsrecht heeft zijn gewone verblijfplaats behoudt in de lidstaat van de vorige gewone verblijfplaats van het kind.1 Voorts geldt dat het kind een nieuwe gewone verblijfplaats in een andere lidstaat moet hebben verkregen. De termijn van drie maanden ziet op de periode waarbinnen het verzoek tot wijziging bij de gerechten van de vorige gewone verblijfplaats van het kind aanhangig moet zijn gemaakt. In de praktijk kan het dus voorkomen dat de beslissing op een tijdig ingesteld wijzigingsverzoek pas na drie maanden volgt.2
Indien sprake is van voortgezette rechtsmacht, kunnen de gerechten van de lidstaat waar het kind zijn nieuwe gewone verblijfplaats heeft geen rechtsmacht ontlenen aan de hoofdregel van art. 8. Het is slechts dan weer bevoegd, indien binnen drie maanden geen wijzigingsverzoek bij het gerecht van de vorige gewone verblijfplaats is ingesteld of indien dit gerecht op basis van art. 9 uitspraak heeft gedaan. De voortgezette rechtsmacht van de vorige gewone verblijfplaats van het kind komt te vervallen als degene die het omgangsrecht heeft de rechtsmacht van de gerechten van de lidstaat van de nieuwe gewone verblijfplaats van het kind heeft aanvaard, door aan een procedure voor die gerechten deel te nemen zonder de bevoegdheid ervan aan te vechten (art. 9 lid 2). Van aanvaarding van rechtsmacht is in ieder geval sprake als degene die het omgangsrecht heeft zelf de procedure bij de gerechten van de lidstaat van de nieuwe gewone verblijfplaats van het kind aanhangig maakt of als hij zich niet beroept op de onbevoegdheid van de gerechten van deze lidstaat in een door de andere ouder aldaar ingestelde procedure.