Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/20.4.1
20.4.1 Huidige wettelijke regeling
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS486048:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Voetnoten
Voetnoten
Over de reden waarom dit recht uitdrukkelijk in de wet is opgenomen: Opzoomer 1876, p. 357 en 358.
Art. 678 BW (oud): ‘1. Ieder eigenaar kan zijnen nabuur noodzaken hunne aan elkander grenzende eigendommen af te scheiden. 2. De afscheiding moet ten gemeenen koste gedaan worden.’
Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), p. 163.
Toon Tellegen, Misschien wisten zijalles, Querido 1998, p. 124.
‘Myhomeismycastle!’, aldus Berger 2001, p. 64; Asser/Beekhuis 1990 (3-II), p. 159.
Reden waarom Opzoomer 1876 (p. 360) het vreemd acht dat in de wet niet een algemene, onbepaalde, verplichting tot afsluiting is opgenomen.
Vgl. Asser 1890, p. 120.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 198 en 201.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 201.
In het Burgerlijk Wetboek is ten principale bepaald:
‘De eigenaar van een erf is bevoegd dit af te sluiten.’
(art. 5:48; vgl. ook art. 679 BW (oud)).1 Eenzelfde regel treffen wij aan in het oude Burgerlijk Wetboek.2 Een eigenaar dient in beginsel de afsluiting te plaatsen op zijn eigen erf en de kosten daarvan zelf te voldoen.3 Wat is de reden van deze bevoegdheid tot afsluiting?
Intermezzo: doel van afsluiting?
‘Toen de eekhoorn wakker werd hoorde hij het geluid van timmeren. Hij sprong zijn bed uit, keek uit het raam en riep: “Hela!”.
Beneden zich zag hij een muur die dwars over het pad stond, niet ver van de beuk waarin hij woonde en aan de voet van die muur stond de bever die druk in de weer was een balkje op maat te knagen.
“Wat doe je daar?”, riep de eekhoorn.
De bever keek omhoog, zag de eekhoorn en zei: “Een schutting bouwen.”
“Waarom?”
“Dat leek me wel wat.”
“Maar waarvoor is die schutting?”
“Tja… waarvoor. Waarvoor is de lucht, waarvoor ben ik?” Daar had de eekhoorn geen antwoord op.’4
Uit deze regeling vloeit naar mijn oordeel voort dat afsluiting geschiedt om zich tegen ongewenst bezoek te beschermen. Of, om met Asser/Beekhuis te spreken:
‘om zich tegen feitelijke aanmatiging van anderen te beveiligen.’5
Het belang van de openbare orde en veiligheid, door Opzoomer genoemd als beginselen welke aan de onderhavige regeling ten grondslag liggen,6 treedt minder of wellicht zelfs geheel niet voor het voetlicht.7
Het opnemen van de bevoegdheid tot het aanbrengen van een afsluiting wordt daardoor gerechtvaardigd dat de lagere wetgevers als gevolg van deze regeling niet meer bevoegd zijn aan de eigenaren deze bevoegdheid te ontnemen.8 Wel kan middels erfdienstbaarheden of kwalitatieve verplichtingen en/of kettingbedingen aan een eigenaar de verplichting worden opgelegd om geen afsluiting aan te brengen.9