Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/2.3.1
2.3.1 Algemene definities van religie
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633720:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Dale, Groot woordenboek van de Nederlandse taal, 14e druk.
http://www.cultureelwoordenboek.nl/index.php?lem=9806, laatst geraadpleegd op 29 november 2021.
De Hart 2014, p. 127.
Derkse 2013, p. 131, 132; J. Prij 2013, p. 190.
Van de Donk & Plum 2006, p. 37.
Van de Donk & Plum 2006, p. 38, 39.
Bowie 2006, p. 19.
Bowie 2006, p. 25.
Van de Donk & Plum 2006, p. 39, 40; De Hart 2014, p. 127.
Beyer 2006, 4; Chryssides & Geaves 2007, p. 14.
Hijmans 1994, p. 8.
Chryssides & Geaves 2007, p. 14-20
Chryssides & Geaves 2007, p. 20.
Dat wil zeggen, datgene waarom de mens zich het meeste en tot het uiterste bekommert het allerbelangrijkste en het onvoorwaardelijke. Het gaat om problemen van lijden en dood, de frustraties en tragedies van het leven (Hijmans, 1994, p. 9).
Evans, Carolyn 2003, p. 63.
Chryssides & Geaves 2007, p. 23-25.
Greenawalt 1984, p. 808, 810.
Evans, Carolyn 2003, p. 63, 65.
Chryssides & Geaves 2007, p. 26-31.
Chryssides & Geaves 2007, p. 33.
Deze groep onderzoekers bestond uit M. Thung, L. Laeyendecker, G. van Tillo, G. Dekker, Q. Munters, A. van Otterloo en P. Vrijthof (Hijmans 1994, p. 11).
Deze componenten worden veelal aangeduid als ‘waarden, geloof en interpretaties’; zie Hijmans 1994, p. 11, 25, 26.
Hijmans 1994, p. 206, 207.
Greenawalt 1984, p. 767, 768.
Evans, Carolyn 2003, p. 63, 64.
Wilson & Deane JJ, in Church of the New Faith v. Commisioner for Pay-Roll Tax, 154 C.L.R. 120, 1983, te raadplegen via http://uniset.ca/other/cs6/154CLR120.html (laatst geraadpleegd op 29 november 2021).
Derkse 2013, p. 131.
Smaling & Alma 2010, p. 28, 11
Van der Burg 2005, p. 21.
De Hart 2013, p. 163.
Ganzevoort 2011, p. 96, 113, 114.
De Hart 2014, p. 128; Bowie 2006, p. 20.
De Hart 2013, p. 26.
De Hart 2014, p. 114.
Van de Donk & Plum 2006, p. 40.
Van Dale geeft als betekenis van religie onder meer godsdienst of een bepaald systeem van godsdienst.1 Het Cultureel woordenboek definieert religie als:
“Een meestal al eeuwen lang bestaand stelsel van verhalen, rituelen en gedragsvoorschriften, gebaseerd op een geloof in een God, of Goden, en meestal ook in een bovenaards voortbestaan na de dood. De vier grote hedendaagse religies zijn Jodendom, Christendom, Islam en Hindoeïsme.”2
Opvallend is dat deze definitie het boeddhisme niet vermeldt bij de grote religies, terwijl het boeddhisme wat betreft grootte het jodendom overtreft.
De notie van ‘religie’ is aan verandering onderhevig. Eerder hanteerden de Romeinen religio als aanduiding voor hun eigen cultus. Later nam het christendom deze term over.3 De herkomst van het woord ‘religie’ is onduidelijk. Etymologisch zijn twee oorsprongen daarvoor aan te wijzen. Allereerst is de Latijnse term religio volgens de christelijke schrijver Lucius Caelius Lactantius (250-320 na Christus) terug te voeren op het werkwoord religare, dat verbinden, opnieuw binden, goed binden betekent. Religie zou dan verwijzen naar een verband of verbond, een band in woord en daad tussen het aardse en het hemelse, tussen de mens(en) en een vererenswaardig, bovenmenselijk iets of iemand.4 Marcus Tullius Cicero (106-43 voor Christus) voerde de term echter terug op het Latijnse werkwoord relegere, dat ‘weer opnemen’, ‘herlezen’ en ‘bedenken’ betekent.5 Daarmee typeerde hij religie als het voortdurend en ijverig in acht nemen van alles wat op de verering van de goden betrekking heeft.
In de optiek van de Amerikaanse antropoloog Talal Asad is een universele definitie van religie niet mogelijk.6 Ook zijn Britse vakgenoot Bowie waarschuwt dat gangbare definities van religie veelal gebaseerd zijn op Europese talen en culturen en niet noodzakelijkerwijs een equivalent in andere werelddelen hebben.7 In het besef dat “religion as a category is fluid and contextual, and that any attempt to define the subject matter too narrowly risks giving a positivist stamp to what in fact is an interpretative process”, komt zij niet aan een definitie toe.8
Toch zijn er vele honderden religiedefinities in omloop. Zo kent de moderne sociologie zowel substantiële of essentiële definities als functionalistische definities.9 De eerste categorie tracht af te bakenen wat religie is, waarbij de focus ligt op transcendentie (dat wat de mens overstijgt, het bovennatuurlijke). De tweede categorie probeert te beschrijven wat religie doet (vooral voor haar aanhangers) en welke sociale en psychologische doelen ze dient, waarbij een toespeling naar het transcendente ontbreekt.10 Of zoals Hijmans dat verwoordt: “Religie is dat, wat als zodanig werkt, ongeacht de precieze inhoud daarvan.”11 Voorbeelden van substantiële definities zijn die van Tylor en Otto, twee antropologen van begin 20e eeuw: het geloven in (Tylor) of het ervaren van (Otto) het bovennatuurlijke.12 Een functionalistische definitie is afkomstig van de godsdienstsocioloog Yinger die religie in 1970 omschrijft als “a system of beliefs and practices by means of which a group of people struggles with these ultimate problems of human life. It expresses their refusal to capitulate to death, to give up in the face of frustration, to allow hostility to tear apart their human aspirations”.13 De ‘ultimate problems of human life’ hebben betrekking op vragen naar het waarom van het menselijk bestaan, van het lijden en van de dood.
Voortbordurend op de definitie van Tylor definieert de theoloog Tillich religie als “the state of being grasped by ultimate concern” of “by the ground of our being,” waarbij religie de innerlijke respons is op de externe ‘ultimate concern’14 of op ‘de grond van ons bestaan’. Deze ‘ultimate concern’ geeft betekenis en richting aan iemands leven, waarbij ‘concern’ duidt op een diepe beweegreden die ‘ultimate’ is, dat wil zeggen fundamenteel van aard, onwrikbaar, iets waarover niet te onderhandelen valt.15 Juist door het gebruik van deze neutrale termen is deze definitie niet beperkt tot het christendom maar toepasbaar op een breed scala aan religies. Aan de andere kant is deze definitie volgens Chryssides en Geaves vooral gericht op de harde kern van “serieuze gelovigen” en niet op de doorsneegelovige.16 Carolyn Evans illustreert de beperkingen van deze definitie aan de hand van twee contrasterende voorbeelden ontleend aan het werk van Greenawalt.17 Het geloof van een joodse gevangene staat hem toe om in extreme situaties niet-koosjer voedsel te nuttigen, zodat de religieuze voedselvoorschriften volgens de definitie van Tillich niet ‘ultimate’ zijn. Daarentegen zou de drugsverslaving van een junkie, waarvan niets hem kan afbrengen, volgens deze definitie meer aan het ‘ultimate’-vereiste voldoen. Het hanteren van de ‘ultimate concern’-definitie zou volgens Carolyn Evans hier leiden tot de absurde uitkomst dat het naleven van de joodse voedselvoorschriften geen ‘ultimate concern’ betreft – het is immers niet onwrikbaar – en dus niet als religie kan worden aangemerkt en de drugsverslaving daarentegen wel. Het Amerikaanse hooggerechtshof heeft niettemin gebruik gemaakt van het werk van Tillich.18
De godsdienstfilosoof Swart geeft een definitie in termen van zeven dimensies en spreekt liever van wereldbeelden die zowel religies als ideologieën omvatten. Met een wereldbeeld bedoelt hij een allesomvattende kijk op de wereld en het handelen daarnaar.19 Chryssides en Geaves delen niet zijn mening dat er geen duidelijk onderscheid bestaat tussen religie en ideologie. Het wezenlijke verschil tussen religie enerzijds en bijvoorbeeld communisme, nationalisme, humanisme en sport anderzijds zien zij in het feit dat de wereldbeschouwing van religie betrekking heeft op het bovennatuurlijke en het heilige alsook doelen biedt buiten de stoffelijke wereld.20
Daarnaast bestaat ook een combinatie van een substantiële en functionele definitie. Zo hanteerde de ‘Dutch Working Group’21 in de jaren zeventig van de vorige eeuw een omschrijving van religie als een zingevingssysteem met vier componenten. Deze kunnen qua inhoud en onderlinge samenhang veranderen. De vier componenten zijn: hoogste waarden, het geloof in een laatste werkelijkheid, opvattingen over lijden en dood en opvattingen over het leven als zodanig.22 Ook Hijmans kiest voor een combinatiedefinitie door religie te omschrijven aan de hand van een bovenmenselijke en bovenwereldlijke inhoud en als een zoektocht naar menselijke zingeving zonder de beperking tot de kerkelijke vorm.23
In plaats van een definitie komt Greenawalt met een ‘analogical concept of religion’. Hij geeft een lijst van karakteristieke kenmerken van religie. Dit zijn kenmerken die opduiken in gevallen waarbij in een samenleving algemeen aanvaard is dat er evident sprake is van religie. Zijn lijst bevat onder meer: geloof in God, een allesomvattende kijk op de wereld en menselijke doelen, geloof in het hiernamaals, verbondenheid met God via rituele handelingen en gemeenschappelijke en individuele gebeden; een bepaalde visie op morele verplichtingen die voortspruit uit een opvatting van de goddelijke natuur, het gebruik van heilige teksten, en een organisatie die dit faciliteert.24 Elke levensovertuiging legt hij vervolgens naast deze lijst. Hoe meer kenmerken van die levensovertuiging overeenkomen met die van zijn lijst, hoe groter de kans dat er sprake is van religie. Zo’n analoge aanpak zou volgens Carolyn Evans kunnen bijdragen aan een meer inclusieve benadering van het begrip religie. Zij verwijst in dat verband naar het werk van twee Australische rechters Wilson en Deane, die een soortgelijke lijst hebben samengesteld van karakteristieke kenmerken van religie in Australië.25 In het besef dat die kenmerken kunnen variëren afhankelijk van de veranderingen in de maatschappij, beschrijven zij de vijf belangrijkste kenmerken van religie als volgt:
“There is no single characteristic which can be laid down as constituting a formularized legal criterion, whether of inclusion or exclusion, of whether a particular system of ideas and practices constitutes a religion within a particular State of the Commonwealth. The most that can be done is to formulate the more important of the indicia or guidelines by reference to which that question falls to be answered. Those indicia must, in the view we take, be derived by empirical observation of accepted religions. They are liable to vary with changing social conditions and the relative importance of any particular one of them will vary from case to case. We briefly outline hereunder what we consider to be the more important of them. In so doing, we are conscious of the fact that we are, of necessity, venturing into a field which is more the domain of the student of comparative religion than that of the lawyer.
One of the most important indicia of ‘a religion’ is that the particular collection of ideas and/or practices involves belief in the supernatural, that is to say, belief that reality extends beyond that which is capable of perception by the senses. If that be absent, it is unlikely that one has ‘a religion’. Another is that the ideas relate to man’s nature and place in the universe and his relation to things supernatural. A third is that the ideas are accepted by adherents as requiring or encouraging them to observe particular standards or codes of conduct or to participate in specific practices having supernatural significance. A fourth is that, however loosely knit and varying in beliefs and practices adherents may be, they constitute an identifiable group or identifiable groups. A fifth, and perhaps more controversial, indicium … is that the adherents themselves see the collection of ideas and/or practices as constituting a religion.”26
Samengevat gaat het in hun visie om kenmerken die ontleend zijn aan empirische waarneming van gevestigde religies, waaronder geloof in het bovennatuurlijke, een opvatting over de menselijke natuur en de plaats van de mens in het universum, een bepaalde gedragscode volgen en een identificeerbare groep aanhangers.
Bij de definitie die Van Dale geeft (godsdienst of een bepaald systeem van godsdienst) plaatst Derkse de kanttekening dat sommige religies geen godsdienst zijn omdat het daarin niet om verering van een god of goden gaat (bijvoorbeeld bij voorouderaanbidding) of omdat een goddelijke dimensie ontbreekt (bijvoorbeeld bij sommige takken van boeddhisme). Verder zijn er ook religies met goden maar zonder een systeem of geloofsleer, bijvoorbeeld sommige vormen van het hindoeïsme.27
Smaling & Alma bezien godsdienst als een bepaalde soort van religie, en religie weer als een bepaald soort levensbeschouwing (een reflectief-cognitieve gerichtheid), voor zover er sprake is van enige reflectie daarbij. Zowel religie als godsdienst kan ook ruimer opgevat worden dan in de zin van een levensbeschouwing. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het belijden van een godsdienst door het bijwonen van liturgische diensten en rituelen, het bezoeken van een kerk en bidden zonder enige handeling van beschouwelijke of reflectieve aard.28 Ook volgens Van der Burg omvat religie niet alleen een levensoriëntatie maar ook een praktijk, zoals rituelen, kerkdiensten en pastoraat.29
Religie heeft verschillende dimensies en kan in de godsdienstsociologie onder meer duiden op “het geloof in een god of hogere macht, de ervaring van een buitenzintuigelijke werkelijkheid, kennis van een godsdienstige traditie, deelname aan kerkelijke samenkomsten, de volvoering van rituele handelingen, het handelen volgens bepaalde ethische beginselen.”30
Ganzevoort hanteert de volgende definitie van religie: “A transcending pattern of meaning arising from and contributing to the relation with what is held to be sacred.” Met ‘transcending’ doelt hij dan niet op transcendentie maar op “the processes of transcending the boundaries of our human existence” en het ‘sacred’ hoeft niet noodzakelijkerwijs te verwijzen naar het ‘Divine’.31
Een gangbare definitie met vijf elementen is afkomstig van de Amerikaanse antropoloog Geertz, die religie beziet als een betekenissysteem of een wereldbeeld met een daarmee verbonden levensstijl:
“(1) a system of symbols (2) which acts to establish powerful, pervasive and long-lasting moods and motivations in men (3) by formulating conceptions of a general order of existence and (4) clothing these conceptions with such an aura of factuality that (5) the moods and motivations seem uniquely realistic.”32
Uit onderzoeken naar perceptie van religie blijkt dat westerse samenlevingen religie ervaren als “een collectieve identiteit en sociale relaties, de onderschrijving van geloofswaarheden, banden met een levensbeschouwelijke gemeenschap en georganiseerde rituelen en praktijken.”33 Religie lijkt steeds meer te verwijzen naar situaties van een collectieve, geïnstitutionaliseerde, traditionele beleving van geloof.34
Het is duidelijk dat het moeilijk, zo niet onmogelijk is om alle religies en religieuze verschijnselen in één definitie te vangen. In de praktijk worden de woorden religie, godsdienst en geloof als synoniemen gebruikt.35