Conversie en aandelen
Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/14.2.6:14.2.6 Inbreng vs. verrekening nader beschouwd
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/14.2.6
14.2.6 Inbreng vs. verrekening nader beschouwd
Documentgegevens:
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS364534:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Dortmond 1993, p. 899, waar hij stelt dat waar Santen spreekt van inbreng van een vordering hij verrekening met een vordering bedoelt.
En wel met vijftien artikelen (6:127-141 BW).
Zie hierover ook Kemperink 2006, p. 73-104 en Olaerts & Hamers 2003, p. 140-153.
Deze bevoegdheid van de pandgever zal in de voorwaarden waaronder de verpanding geschiedt doorgaans zijn beperkt.
Zie hierna onder 16.2.
In die zin zou deze figuur enigszins lijken op inbetalinggeving van een vordering, een wijze van afstand om baat.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In economische zin lijken inbreng door overdracht van de vordering van de aandeelhouder op de vennootschap en verrekening van deze vordering met de stortingsplicht op hetzelfde neer te komen.1 Dit zijn echter verschillende rechtsfiguren met verschillende rechtsgevolgen. Allereerst is inbreng van een vordering een storting anders dan in geld. In beginsel zouden daarop de regels omtrent inbreng anders dan in geld van toepassing zijn. Van Schilfgaarde, Bosse, Schoonbrood, Winter en Wezeman menen dat op een zodanige inbreng de wettelijke regels omtrent storting anders dan in geld niet van toepassing zijn, naar ik veronderstel omdat de uitkomst in economische zin dezelfde is als wanneer er verrekening zou plaatsvinden. Dat op zich zou naar ik meen echter niet tot gevolg hebben dat de inbrengregeling niet van toepassing zou zijn. Maar ook los van de vraag of bij inbreng van een vordering de wettelijke regeling omtrent storting anders dan in geld van toepassing is, heeft inbreng andere gevolgen dan verrekening. Door inbreng van de vordering zouden de regels van verrekening niet van toepassing zijn, maar in plaats daarvan die van vermenging doordat de hoedanigheid van schuldeiser en die van schuldenaar zich in één persoon verenigen.
Verrekening is relatief uitgebreid in de wet geregeld.2 Ten aanzien van vermenging kent de wet slechts één artikel (6:161 BW). Verrekening en vermenging zijn verschillende rechtsfiguren die op grond van hun afzonderlijke wettelijke regeling verschillende gevolgen hebben. Ik zal dat hierna uitwerken.3 Indien een aandeelhouder zijn vordering, bijvoorbeeld uit hoofde van een geldlening, inbrengt in de vennootschap, komen vordering en schuld in één persoon samen. Deze gaat dan teniet door vermenging in de zin van artikel 6:161 lid 1 BW. De vordering gaat ingevolge de wettelijke regeling echter niet door vermenging teniet (a) zolang de vordering en de schuld in van elkaar gescheiden vermogens vallen (b) in geval van overdracht overeenkomstig artikel 3:93 BW van een vordering aan toonder of order; en (c) indien de voormelde vereniging van hoedanigheden het gevolg is van een rechtshandeling onder ontbindende voorwaarde, zolang niet vaststaat dat de voorwaarde niet meer in vervulling kan gaan.
Bij inbreng van een vordering op de vennootschap ter storting op aandelen zal het vereiste onder (b) meestal geen rol spelen, nu het vrijwel altijd om een vordering op naam van de (toekomstig) aandeelhouder op de vennootschap zal gaan. Het vereiste onder (a) zou bijvoorbeeld een rol kunnen spelen indien de (toekomstig) aandeelhouder als beherend vennoot van een CV een vordering op de vennootschap heeft, waardoor de vordering in het afgescheiden CV vermogen valt, maar voor zich aandelen krijgt uitgegeven. De verbintenis tot betaling van de ingebrachte schuld blijft dan jegens de CV bestaan. Inbreng van een vordering op de vennootschap ter storting op aandelen zal doorgaans onvoorwaardelijk zijn en niet plaatsvinden onder een ontbindende voorwaarde als onder (c) genoemd. Het tenietgaan van de vordering door vermenging laat de op de vordering rustende rechten van derden echter onverlet (6:161 BW). Zou dus op de ingebrachte vordering een pandrecht rusten, dan heeft dit voor de pandhouder geen gevolg. Hij kan zijn rechten uitoefenen alsof deze vordering nog bestond. Hij zou de vordering op de vennootschap dus kunnen executeren als bestond deze nog. De gerechtigde tot de vordering/pandgever is beschikkingsbevoegd ten aanzien van de vordering en kan zijn vordering in de vennootschap inbrengen.4 Dit is anders bij verrekening, waar de inningsbevoegdheid toekomt aan de pandhouder.5
Los van de wettelijke verschillen tussen inbreng en verrekening is er nog een ander verschil in uitkomst: door inbreng van de vordering van de (toekomstig) aandeelhouder op de vennootschap gaat die vordering weliswaar door vermenging teniet, maar de vordering van de vennootschap op de aandeelhouder uit hoofde van zijn verplichting tot volstorting op de aandelen blijft bestaan. Dit is alleen anders als de aandeelhouder en de vennootschap overeenkomen dat deze stortingsverplichting door de inbreng van de vordering op de vennootschap tenietgaat.6 Dat is anders bij verrekening: doordat de schuldenaar (degene die de aandelen krijgt uitgegeven) zijn schuld uit hoofde van de stortingsplicht verrekent met zijn vordering op de vennootschap (bijvoorbeeld uit hoofde van geldlening), gaan beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop teniet (6:127 lid 1 BW).
Inbreng leidt in beginsel dus tot een andere uitkomst dan verrekening. Overigens dient bedacht te worden dat voor de inbreng van de vordering van de aandeelhouder op de vennootschap de desbetreffende leveringsvereisten in acht moeten worden genomen. In veel gevallen zal het hier een recht op naam betreffen dat dient te worden geleverd door middel van een daartoe bestemde akte, aldus artikel 3:94 BW.