De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.6.4.2:8.6.4.2 Reële executie: algemeen
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.6.4.2
8.6.4.2 Reële executie: algemeen
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS364839:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 152 lid 2 Rv. Vgl. HR 5 december 2003, NJ 2004, 75.
Rutgers, Burgerlijke Rechtsvordering (Lobl.), Deventer: Kluwer, 2012, aant. 4 bij art. 157 Rv.
Parl. Gesch. Boek 3 (Vermogensrecht in het algemeen), p. 899.
Art. 151 lid 2 Rv.
Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II, nr. 125 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I*, nr. 290.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 3:300 BW bepaalt onder meer dat, indien iemand jegens een ander is gehouden een rechtshandeling te verrichten, de rechter op vordering van de gerechtigde kan bepalen dat zijn uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van degene die tot de rechtshandeling gehouden is. Hierna wordt besproken wat men daarmee opschiet.
Een akte heeft in beginsel vrije bewijskracht.1 Dat is echter anders in de rechtsverhouding tussen (de rechtsopvolgers van) degene van wie de akte afkomstig is en degene(n voor wie de akte bestemd is. In die verhouding levert een akte, zo blijkt uit art. 157 lid 2 Rv, “ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat.” Rutgers2 licht deze moeilijk geformuleerde bepaling als volgt toe:
“De materiële bewijskracht is terug te voeren op het volgende uitgangspunt: wie een schriftelijke verklaring ondertekent (bijvoorbeeld een kwitantie) geeft hiermee te kennen dat hij wil worden gehouden voor iemand tegenover wie de inhoud van de verklaring als waar geldt. Anders gezegd: de ondertekenaar van een akte schept aldus bij voorbaat bewijs tegen zichzelf.”
Bij reële executie geldt de rechterlijke uitspraak als een akte van de veroordeelde. Dat roept de vraag op wat er in het geval van reële executie moet worden geacht te staan in (de uitsprak met dezelfde kracht als) de akte. Anders gezegd: wat moet de uitspraak die vatbaar is voor reële executie bewijzen? Uit de tekst van art. 3:300 BW blijkt dat niet. De wetsgeschiedenis3 biedt op dit punt echter duidelijkheid: de uitspraak treedt in de plaats van de achterwege gebleven verklaring. Deze achtergebleven verklaring is kennelijk de wilsverklaring die zou zijn afgelegd als de verplichte rechtshandeling zou zijn verricht.4 De uitspraak bewijst dus in opvolgende procedures tegen de veroordeelde dat hij deze (wils)verklaring heeft afgelegd. Hoewel de veroordeelde in dergelijke opvolgende procedures strikt genomen recht heeft op tegenbewijs,5 zal deze daarin mijns inziens niet kunnen slagen, althans niet op de grond dat hij de desbetreffende verklaring niet daadwerkelijk heeft afgelegd. Anders zou reële executie immers geen enkele zin hebben.
Omdat een uitspraak door middel van reële executie in de plaats treedt van de wilsverklaring is het veelal meer dan een bewijsrechtelijk instrument. Het is ook constitutief voor de desbetreffende rechtshandeling. Een rechtshandeling komt immers tot stand door het afleggen van een wilsverklaring.6 Althans als het gaat om een rechtshandeling van het standaard type. In par. 15.2.1.3 zal ter sprake komen dat het nemen van een besluit een rechtshandeling van eigen aard is die (juist op dit voor reële executie cruciale punt) afwijkt van het standaard type.7
De wetgever heeft onder ogen gezien dat niet alle rechtshandelingen zich lenen voor reële executie. Daarom is in art. 3:300 BW vastgelegd dat reële executie niet mogelijk is indien de aard van de rechtshandeling zich daartegen verzet.
Het bovenstaande betekent dat een geslaagde reële executie een fictie creëert. Weliswaar heeft de veroordeelde de desbetreffende rechtshandeling feitelijk niet verricht en heeft hij ook niet verklaard dat hij dat wel zou hebben gedaan, maar in de juridische werkelijkheid geldt dat de veroordeelde dat wel gedaan heeft en dat hij het tegendeel – ondanks hetgeen in de realiteit is geschied – in rechte niet zal kunnen aantonen.
Een voorbeeld: een partij wordt veroordeeld om mee te werken met contractovername8 en deze veroordeling is uitvoerbaar door middel van reële executie. De desbetreffende uitspraak heeft dan dezelfde kracht als een akte waarin de veroordeelde verklaart dat hij meewerkt aan deze contractovername. Doordat deze uitspraak in de plaats treedt van een verklaring van de veroordeelde dat hij meewerkt aan de contractovername, heeft de veroordeelde ook meegewerkt aan de contractovername. In een opvolgende procedure tussen (de rechtsopvolger van) de veroordeelde en de oorspronkelijke en/of nieuwe contractuele wederpartij zal (de rechtsopvolger van) de veroordeelde er niet in slagen om te bewijzen dat de contractovername niet heeft plaatsgevonden.
Art. 430 lid 3 Rv bepaalt dat vonnissen en beschikkingen niet tenuitvoer kunnen worden gelegd, dan na betekening tegen de partij tot wie de executie zich zal richten. Dit geldt ook voor tenuitvoerlegging door middel van reële executie. De op basis van het enquêterecht gewezen beschikkingen werken echter in de regel reeds zonder dat deze is betekend. Een tijdelijk aangestelde bestuurder is in functie vanaf de dag van de beschikking en niet vanaf de dag dat die beschikking wordt betekend. Betekening is echter wel vereist voor de tenuitvoerlegging van proceskostenveroordelingen en dwangsommen. Of betekening vereist is in geval van reële executie van beschikkingen van de ondernemingskamer, is mij niet duidelijk.