Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.6.4
7.6.4 Verhouding tot art. 359, tweede lid, Sv
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS619054:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, waarin de ‘nadere’ motiveringseisen van art. 359 lid 2 Sv zijn geplaatst naast de motiveringseisen die ‘gelden’ o.g.v. art. 359a lid 3 en vgl. de rechtspraak over verweren als bedoelde in art. 358 lid 3 Sv: HR 3 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8658, NJ 2008/330 en HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4829, NJ 2009/60.
HR 4 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0281, NJ 2008/581 (stelling van verdachte dat hij zijn bekennende doch onjuiste verklaring bij de politie onder druk heeft afgelegd, te weten onder dreiging met een nietmachine te worden geslagen, uitmondend in het betoog van de raadsman dat de verdachte moet worden vrijgesproken bij gebrek aan overtuigend bewijs).
Zie HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6142, NJ 2012/545; HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT2052, NJ 2012/253 m.nt. Mevis en HR 19 februari 2013, ECLI:NL: HR:2013:BZ1383, NJ 2013/148.
In HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, werd overwogen dat het ontbreken van een nadere motivering van de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt niet tot cassatie hoeft te leiden als (i) de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijv. in de bewijsvoering, waarin die nadere motivering besloten ligt; (ii) in het licht van het verhandelde ter terechtzitting daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de toereikendheid en begrijpelijkheid van de motivering; of (iii) dit verzuim van ondergeschikte betekenis is.
HR 25 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7666.
Zie HR 17 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8824, NJ 2007/253 (in oordeel besloten waarom van nadeel en dus van strafvermindering op de voet van art. 359a Sv geen sprake kan zijn) en HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1795 (in oordeel ligt besloten dat van vormfout geen sprake is geweest).
Het op 1 januari 2005 in werking getreden art. 359, tweede lid, Sv dat voor de rechter, kort gezegd, de verplichting schept om in zijn uitspraak te antwoorden op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van het OM of de verdediging indien hij daarvan afwijkt, heeft geen gevolgen voor verweren als bedoeld in art. 359a Sv. Voor verweren die strekken tot toepassing van een in die bepaling genoemd rechtsgevolg wegens een vormfout in het voorbereidend onderzoek en de plicht tot beantwoording daarvan, zijn de daarvoor in de rechtspraak ontwikkelde eisen blijven gelden. Het nieuwe art. 359, tweede lid, Sv doet daaraan toe noch af.1
Dat betekent dat een verweer dat op zichzelf voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, te weten dat het duidelijk, beargumenteerd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht, geen verweer in de zin van art. 359a Sv oplevert, indien in dat verweer niet aan de hand van de factoren van art. 359a, tweede lid, Sv is gemotiveerd welk rechtsgevolg als bedoeld in art. 359a, eerste lid, Sv moet volgen,2 terwijl ook art. 359, tweede lid, Sv voor een dergelijk verweer geen antwoordplicht schept. Ook betekent het dat voor de motivering van de verwerping van een verweer in de zin van art. 359a Sv niet de eisen gelden die worden gesteld aan de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv.3
Dat betekent ook dat de soepelheid die onder de in het standaardarrest over art. 359, tweede lid, Sv genoemde omstandigheden in cassatie kan worden betracht ten aanzien van het ontbreken van een uitdrukkelijke respons op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt,4 in beginsel niet op gaat voor verweren als bedoeld in art. 359a Sv.5 Maar, de gevallen waarin ondanks het ontbreken van een deugdelijke verwerping van een verweer als bedoeld in art. 359a Sv van cassatie kan worden afgezien, vertonen natuurlijk wel vaak gelijkenis met de in het standaardarrest over art. 359, tweede lid, Sv genoemde gevallen.6
Art. 359a Sv heeft kortom een eigen stelsel wat betreft de eisen aan verweer en motivering van de beslissing, waarin de invoering van art. 359, tweede lid, Sv geen verandering heeft gebracht.