Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/16.3.3.2
16.3.3.2 De keuze voor civielrechtelijke handhaving door de OK
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS371194:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel beide aspecten nauw samenhangen heb ik omwille van de overzichtelijkheid ervoor gekozen om de keuze voor civielrechtelijke handhaving en de keuze voor de OK afzonderlijk te bespreken.
Met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, dat een bijzonder handhavingskader kent op basis van zelfregulering (§ 5.3.5).
Kamerstukken II, 2005/06, 30 419, nr. 3, p. 6. Vgl. Nieuwe Weme 2004, p. 229.
Idem.
Nieuwe Weme 2004, p. 229.
Volgens de AFM is een bestuurlijke boete juist eenvoudiger te executeren, zie AFM 2005 – Consultatiereactie overnamerichtlijn, p. 2-3. Onduidelijk is waar zij dit op baseert. Vgl. Nieuwe Weme 2004, p. 229, die vanwege problemen bij de tenuitvoerlegging van bestuursrechtelijke sancties, vooral bij buitenlandse partijen, juist pleitte voor civielrechtelijke handhaving (onder verwijzing naar Kamerstukken II, 1999/00, A (herdruk), p. 3; nr. 3, p. 10; nr. 4, p. 9 en nr. 6, p. 19-20.
Zie hierover nader Boswijk/Jansen/Widdershoven 2008, p. 128-134.
In die zin Willems 2009, p. 574 en Willems 2008, p. 982.
Idem Scheltema/Scheltema 2009, p. 82 e.v.
Op grond van deze wet kunnen de bevoegde toezichthouders voorschriften van privaatrechtelijke aard, afkomstig uit de Wet oneerlijke handelspraktijken en neergelegd in boek 6 BW, bestuursrechtelijk handhaven, zie nader Lieverse 2010, p. 29 en Van Boom 2008, p. 13-17.
Vgl. Marccus/CEPS 2012 – Takeover Bids Directive Assessment Report, p. 262. Het aldaar gegeven overzicht is overigens op punten onjuist. Zo wordt ten onrechte gesuggereerd dat naar Nederlands recht een boete kan worden opgelegd in geval van schending van de verplicht bod-regels.
Dit argument is eerder gebruikt om civielrechtelijke handhaving van de meldingsplicht van het tegenwoordige hoofdstuk 5.3 Wft te verdedigen, zie Kamerstukken II, 1995/96, 24 626, nr. 3, p. 8.
Kamerstukken II, 2005/06, 30 419, nr. 3, p. 4-5. Zie voorts onder andere Willems 2009, p. 575;Eumedion 2006 – Reactie implementatie 13e richtlijn; Commissie Vennootschapsrecht 2004 – Advies overnamerichtlijn; De Kluiver 2003, p. 98 en Van Solinge/Nieuwe Weme 1999, p. 543. Zie ook de concept-Memorie van Toelichting bij het voorontwerp van 15 maart 2005, p. 22 waarin wordt gesteld dat de vaststelling van overwegende zeggenschap is voorbehouden aan de burgerlijke rechter.
Aldus De Vlaam 2006, p. 601 (voetnoot 21).
Vgl. Nieuwe Weme 2004, p. 230 en Hijmans van den Bergh/Van Solinge 2000, p. 167.
Civielrechtelijke handhaving is het meest geschikt om niet-naleving van de biedplicht te redresseren; tegen bestuursrechtelijke handhaving als alternatief bestaan verschillende bezwaren (sub I). De argumenten voor het aanwijzen van de OK, deels voortkomend uit de keuze voor civielrechtelijke handhaving1, overtuigen enkel voor wat betreft de voorkeur boven de gewone, civiele rechter (sub II).
I. De keuze voor civielrechtelijke handhaving
Net als de meeste onderzochte landen2 is in Nederland gekozen voor civielrechtelijke handhaving van de biedplicht. Daarvoor bestaan goede argumenten. In de eerste plaats is civielrechtelijke handhaving doorgaans effectiever dan bestuursrechtelijke handhaving. Dat geldt met name indien een calculerende partij het voordeel van niet-naleving van de biedplicht groter acht dan het nadeel van de op te leggen straf.3 In het verlengde hiervan achtte de wetgever van belang dat het onterechte profijt van de overtreder door een civielrechtelijke maatregel kan worden geneutraliseerd.4 Van een civielrechtelijke maatregel zal daarom ook een sterkere preventieve werking uitgaan.5 Onduidelijk is bovendien in hoeverre een bestuurlijke sanctie in het buitenland executeerbaar is.6 Weliswaar is er sprake van grensoverschrijdende samenwerking tussen toezichthouders, op zowel Europees als internationaal vlak, maar dit betreft vooral zaken als informatieverschaffing en het waarborgen van de vertrouwelijkheid van die informatie.7 Een in mijn ogen minder sterk – in de literatuur aangedragen – argument is dat regelgeving die civielrechtelijk van aard is, niet door bestuursrechtelijke sancties geëffectueerd moet kunnen worden.8 In de eerste plaats lijkt mij dit als onderscheidend criterium niet toereikend; niet iedere gedragsregel tussen private partijen, zoals de biedplicht, behoort vanzelfsprekend tot het privaatrecht.9 In de tweede plaats denkt de wetgever daar anders over, zoals onder meer blijkt uit de Wet handhaving consumentenrechten.10
Het voorgaande verzet zich niet tegen aanvullende bestuursrechtelijke handhaving, waarvoor in de meeste onderzochte landen is gekozen (§ 5.9 sub IV).11 In Nederland zou dat naar mijn mening ook moeten gebeuren door de AFM aan te wijzen als handhavingsinstantie (zie nader § 16.3.4.3).
II. De keuze voor de OK
i. In plaats van de AFM
De keuze voor de OK boven de AFM is in de eerste plaats ingegeven door de wens naleving van de biedplicht door middel van civielrechtelijke sancties af te dwingen (zie sub I). Die wens dwingt echter om verschillende redenen niet tot een rol voor de OK (§ 16.3.4.3). In de tweede plaats is niet voor de AFM gekozen omdat degenen die het meest in hun belang worden getroffen zelf in rechte dienen te kunnen optreden, zonder afhankelijk te zijn van de toezichthouder.12 Met een eigen toegang bij de rechter heeft men deze eigen verantwoordelijkheid willen onderstrepen.13 Zoals eerder al aan de orde kwam is dit argument niet overtuigend (§ 16.2.3.3 sub V). Ten slotte is in de literatuur betoogd dat het beantwoorden van de vraag of in een bepaald geval sprake is van controle en of derhalve een verplicht bod moet worden uitgebracht een zaak voor de rechter is, niet voor de toezichthouder.14 Een vergelijkbaar argument is dat de OK belast zou moeten worden met de handhaving van de biedplicht omdat het hier gaat om bescherming van minderheidsaandeelhouders.15 Ook dit overtuigt niet. In het eerstgenoemde lees ik geen argument. Het tweede argument snijdt meer hout, maar vind ik niet doorslaggevend.
ii. In plaats van de gewone civiele rechter
De OK heeft mijns inziens terecht de voorkeur gekregen boven de gewone civiele rechter16.17 De OK beschikt bij uitstek over de benodigde specifieke expertise met betrekking tot openbare biedingen en is bovendien ook bevoegd in vergelijkbare procedures, zoals de toelaatbaarheid van beschermingsconstructies en het uitkoop- en uittreedrecht na een openbaar bod (art. 2:359c en 2:359d BW).