Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/4.1
4.1 Inleiding
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS592168:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 2.2.3.
Zie § 2.3.2.
Zie § 2.7.1.
Zie § 2.6.3.
Zie § 2.7.2.
Zie § 2.7.4.
Zie § 2.8.2.
Brunner 1981a, p. 210 t/m 217 en 233 t/m 236.
Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 64 e.v.; Hijma & Olthof 2017, nr. 397; Klaassen 2017, nr. 33 e.v.; Hartlief e.a. (Hartlief) 2018, nr. 218 brengt de deelregels naar voren vanwege de ‘bekendheid die zij in de literatuur genieten’; Brunners deelregels worden ook nogal eens naar voren gebracht om inspiratie uit te putten voor de toerekening van veroorzaakte gevolgen buiten het civiele aansprakelijkheidsrecht: Dijkshoorn 2011a, p. 66 t/, 78 bij het planschaderecht; Di Bella 2014, p. 78 t/m 82 bij bestuursrechtelijke besluitenaansprakelijkheid van de overheid; en Witjens 2011, p. 69 t/m 76 bij strafrechtelijke aansprakelijkheid. Boonekamp geeft in GS Schadevergoeding, art. 6:98 BW, aant. 4.3 een overzicht van relevante factoren, zonder dit als toepassing van Brunners benadering te presenteren.
184. Als derde en laatste onderwerp van deze verkennende en voorbereidende beschouwingen behandel ik de heersende opvattingen over schadetoerekening. In de vorige eeuw heeft men geworsteld met de wijze waarop getoetst diende te worden of tussen een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de daarvoor veroorzaakte schade ook het vereiste ‘juridisch causale verband’ aanwezig is, en later met de vraag of deze schade kan worden toegerekend. Nadat in de vorige eeuw verschillende scherpere criteria onbevredigend waren gebleken, werd uiteindelijk teruggevallen op het meest open criterium denkbaar: de redelijkheid.
Tot begin twintigste eeuw gold voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad de voorwaarde dat de veroorzaakte schade een ‘rechtstreeks gevolg’ van de onrechtmatige daad was. De aansprakelijkheid vanwege wanprestatie werd begrensd door de regeling van art. 1283 en 1284 (oud) BW.1 Omdat deze regels tot een willekeurige en te sterke begrenzing van aansprakelijkheid leidden, ging de Hoge Raad vanaf eind jaren twintig voor buitencontractuele en contractuele aansprakelijkheid het criterium hanteren of de veroorzaakte schade als het ‘redelijkerwijze te verwachten gevolg’ van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis kon gelden.2 Geleidelijk begon men echter in te zien dat van allerlei andere omstandigheden van het geval afhing of aan dit criterium was voldaan.3 Het driemanschapsontwerp implementeerde dit inzicht in een toets van waarschijnlijkheid/voorzienbaarheid van de schade waarin de rechter naar eigen inzicht kon bepalen welke graad van waarschijnlijkheid in de voorliggende situatie voldoende was.4 Kort na de publicatie van het driemanschapsontwerp betoogde Köster dat zowel de relativiteitsleer als de leer van de adequate veroorzaking een toverformule aanreikte, beide leren dezelfde vraag betroffen en het beter was om de rechter vrij te laten in het begrenzen van aansprakelijkheid voor de door een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis veroorzaakte schade aan de hand van een algemene redelijkheidsregel die paste bij de aard van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust en de aard van de schade.5 De Hoge Raad ging in 1970 vervolgens in Waterwingebied Leeuwarden opnieuw om en verzette voor de tweede keer in de twintigste eeuw de bakens op het gebied van de schadetoerekening: vanaf dit arrest paste hij in plaats van de leer van de adequate veroorzaking de leer van de redelijke toerekening toe.6 Het gewijzigd ontwerp uit 1976 volgde, in navolging van de Hoge Raad, Kösters voorstel gedeeltelijk: de relativiteitsbepaling bleef behouden, maar de waarschijnlijkheidstoets werd vervangen door een goeddeels aan Köster ontleende formule waarin aan de hand van de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade, en andere factoren, beoordeeld diende te worden of de veroorzaakte schade aan de laedens kan worden toegerekend.7
Het omgaan van de Hoge Raad in Waterwingebied Leeuwarden8 en het voor de schadetoerekening beslissend maken van de redelijkheid, bracht klemmend de vraag naar voren onder welke omstandigheden het redelijk is om de veroorzaakte schade toe te rekenen. Op die vraag had Köster geen antwoord gegeven. Het gewijzigd ontwerp noemde de aan Köster ontleende oriëntatiepunten, de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade, maar hield verder geen duidelijke toerekeningsregels in.
In het juridisch vacuüm dat zo ontstond, presenteerde Brunner in Verkeersrecht in 1981,9 ongeveer tien jaar na het omgaan van de Hoge Raad, zijn deelregelbenadering. In deze benadering werden bij de beoordeling van de toerekenbaarheid van de veroorzaakte schade diverse factoren betrokken: de waarschijnlijkheid van de schade, de verwijderdheid van de schade, het doel van de geschonden norm, de mate van schuld van de laedens, de aard van de activiteit, de aard van de schade en de draagkracht van de laedens en van de gelaedeerde. Elke factor leidde tot een deeloordeel dat ‘meer’ of ‘minder’ kan worden toegerekend. Afweging van die deeloordelen moest leiden tot een antwoord op de vraag in hoeverre de veroorzaakte schade toerekenbaar is. De benadering vormde een mengsel van al eerder in de twintigste eeuw bestaande opvattingen over relevante omstandigheden (waarschijnlijkheid en verwijderdheid) en een eigen interpretatie van Brunner van de door de wet genoemde factoren (de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade).
In de literatuur heeft deze – flexibele en op het eerste gezicht zeker niet onaantrekkelijke – deelregelbenadering een grote vlucht genomen. Hoewel Brunner deze benadering had bedoeld als tussenstation op weg naar het eindstation waarin voor verschillende categorieën gevallen duidelijke toerekeningsregels zijn gegeven, wordt in literatuur vrij algemeen instemmend op deze benadering gewezen als de methode om te bepalen of veroorzaakte schade aan de laedens kan worden toegerekend in de zin van art. 6:98 BW. In het bijzonder worden de in de deelregelbenadering gelegde verbanden tussen bepaalde factoren en de toerekenbaarheid van schade doorgaans onderschreven.10 Inmiddels – bijna vier decennia na Brunners publicatie – laat zich de vraag stellen hoe de deelregelmethode als geheel, de daarin gelegde verbanden en het daarin hanteren van bepaalde factoren gewaardeerd moet worden.
185. In het navolgende vang ik aan met een nadere verkenning van de deelregelbenadering. Ik ga daarbij in op de achtergrond en de werking van de methode, bespreek in het algemeen haar verhouding tot de rechtspraak en de literatuur en laat zien dat de toepassing van deze methode zelfs eenvoudig te beantwoorden toerekeningsvragen vrijwel onoplosbaar kan maken (§ 4.2). De diverse deelregels behandel ik hierna. Voor elke deelregel bespreek ik of daarvoor in de jurisprudentie van de Hoge Raad steun bestaat, of het in de deelregel gelegde verband tussen een bepaalde factor en de toerekenbaarheid van schade aanwezig is en of de in de deelregel gebruikte factor betekenis heeft voor de schadetoerekening (§ 4.3 t/m 4.7). Ik sluit af met een samenvatting (§ 4.8).