Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/7.8.2
7.8.2 Zeepbel ontstaat tijdens het tijdvak van de misleiding
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655925:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ik wijs erop dat in de situatie waarin de misleiding bestaat uit het niet publiceren van voorwetenschap of waarin deze bestaat uit het onjuist en/of onvolledig informeren van het beleggende publiek teneinde een negatief verrassingseffect te voorkomen, geen residuele koersdaling wordt gemeten op het moment waarop de misleiding begint. Voor deze gevallen geldt dat een residuele koersdaling zou zijn gemeten, als de misleiding achterwege zou zijn gebleven.
Strikt genomen zou men in het scenario waarin de zeepbel tegelijkertijd met het naar buiten komen van de misleiding uit elkaar spat, kunnen zeggen dat de misleiding op het tijdstip van de bekendwording (weer) een normaal koerseffect heeft. Precies op dat moment verdwijnt het zeepbeleffect immers weer uit de koers(inflatie).
Wel doet zich in het kader van de schadevaststelling bij deze beleggers het probleem voor dat de (omvang van de) koersinflatie die uit de koers liep toen de misleiding bekend werd, niet representatief is voor de (omvang van de) door hen betaalde koersinflatie.
Zie over deze toerekeningsfactoren § 1.3.3 en de daar vermelde literatuur en rechtspraak.
Streng vanuit het oogpunt van de eisende beleggers.
Zie over de toerekeningsfactor strekking van de geschonden norm § 1.3.3.2 sub a en de daar vermelde literatuur en rechtspraak.
Zie over de toerekeningsfactor verwijderdheid van de schade § 1.3.3.5 en de daar vermelde literatuur en rechtspraak.
Zie over de voorzienbaarheid van de schade § 1.3.3.4 en de daar vermelde literatuur en rechtspraak.
Steeds wanneer in de hier besproken scenario’s de uitkomst van het toerekeningsoordeel is dat slechts de koersinflatie geschoond voor het zeepbeleffect voor vergoeding in aanmerking komt, moet daarbij bedacht worden dat deze uitkomst ook kan worden bereikt via de eigenschuldcorrectie ex art. 6:101 BW. De (alternatieve) oplossing van de eigen schuld correctie zal ik hierna niet steeds herhalen.
Ik behandel eerst de situatie waarin de zeepbel zich tijdens het tijdvak van de misleiding ontwikkelt en waarin deze tegelijkertijd met het naar buiten komen van de misleiding, dan wel na het tijdvak van de misleiding, uit elkaar spat (het gaat hier dus om twee verschillende scenario’s). In deze situatie zal de door de misleiding veroorzaakte koersinflatie over het tijdvak van de misleiding toenemen. Dat komt omdat de zeepbel haar uitwerking zal hebben op de gehele koers, waardoor zowel het ‘zuivere’ gedeelte van de koers (dat met de misleiding geen verband houdt) als het ‘onzuivere’ gedeelte (de eigenlijke koersinflatie) met een zeepbeleffect wordt ‘opgeblazen’. De misleidende mededeling heeft dus een ‘normaal’ koerseffect als zij voor de eerste keer wordt gepubliceerd, maar zij heeft een – vanuit de fundamenten bezien – buitensporig koerseffect op het moment (vlak vóór)dat de misleiding naar buiten komt.1, 2 Ter illustratie geef ik een eenvoudig voorbeeld van het (tweede) scenario waarin de zeepbel na het tijdvak van de misleiding uit elkaar spat.
Stel dat op tijdstip T0 de koers € 50 noteert. In werkelijkheid zou de koers € 40 moeten noteren, maar de misleidende informatie heeft de koers met € 10 (kunstmatig) omhoog gedreven. Vervolgens ontwikkelt zich tijdens het tijdvak van de misleiding een zeepbel. Deze zeepbel zorgt ervoor dat de koersen van alle aandelen in de sector waartoe het litigieuze aandeel behoort, verdubbelen. Zo ook de koers van het litigieuze aandeel. Op tijdstip T1 is de koers daarom gestegen van € 50 naar € 100. Analytisch gezien kan deze koers van € 100 in twee delen worden opgesplitst: een ‘zuiver’ gedeelte van € 80 en een ‘onzuiver’ gedeelte van € 20. Beide delen zijn als gevolg van de zeepbel in omvang verdubbeld. Vervolgens komt op tijdstip T2 de misleiding naar buiten. De koersinflatie loopt daarmee uit de koers, welke hierdoor terugvalt naar € 80. De koers noteert op dat moment echter nog steeds 100% boven de fundamentele waarde van het aandeel, omdat het zeepbeleffect nog steeds in de koers zit. Pas als op tijdstip T3 de zeepbel uit elkaar spat, zal de koers terugvallen naar de fundamentele waarde van € 40.
Voor de beleggers die hun aandeel hebben gekocht voordat de zeepbel in de koers sloop, doet zich bij de schadetoerekening hier geen enkele bijzonderheid voor.3 Afgezien van het feit dat deze beleggers als gevolg van de misleiding te veel voor hun aandeel betaald, omvat de door hen betaalde koersinflatie immers nog geen zeepbeleffect. Het volledige bedrag aan koersinflatie komt daarom onverkort voor vergoeding in aanmerking (ervan uitgaande dat geen andere verweren aan vergoeding in de weg staan). Dit ligt anders voor de beleggers die hun aandeel hebben gekocht nadat de zeepbel is ontstaan. De door de laatstgenoemde beleggers betaalde koersinflatie omvat wel een zeepbeleffect. De vraag die zich vervolgens aandient, is of het volledige bedrag aan koersinflatie (dus inclusief zeepbeleffect) op de voet van art. 6:98 BW aan de vennootschap kan worden toegerekend (in bovenstaand voorbeeld € 20), of dat slechts de koersinflatie geschoond voor het zeepbeleffect kan worden toegerekend (in bovenstaand voorbeeld € 10). Aan de hand van (een onderlinge afweging van) de toerekeningsfactoren strekking van de geschonden norm, verwijderdheid van de schade en voorzienbaarheid van de schade is deze vraag mijns inziens eenvoudig te beantwoorden.4 Alle drie de factoren wijzen hier namelijk in dezelfde richting en pleiten voor een strenge toerekening.5 Over de eerstgenoemde toerekeningsfactor kan worden opgemerkt dat de effectenrechtelijke informatieverplichtingen als doelstelling hebben de markttransparantie en de marktefficiëntie te bevorderen, en dat zij ertoe strekken beleggers adequaat – dat wil zeggen: tijdig, volledig en correct – te informeren, maar dat zij er nadrukkelijk niet toe strekken beleggers te beschermen tegen (de verwezenlijking van) algemene beleggingsrisico’s.6 De vorming van een zeepbeleffect in de koersinflatie is zo’n algemeen beleggingsrisico, en dat pleit ervoor slechts de koersinflatie gecorrigeerd voor het zeepbeleffect aan de vennootschap toe te rekenen. Over de tweede genoemde toerekeningsfactor kan men zeggen dat de meest nabije oorzaak van het zeepbeleffect niet is gelegen in de misleiding; deze is gelegen in irrationeel beleggerssentiment (eventueel in combinatie met arbitragebeperkingen).7 Aangezien de laatstgenoemde oorzaak tot de risicosfeer van de beleggers behoort, pleit dat er eveneens voor de hierdoor veroorzaakte extra koersinflatie niet aan de vennootschap toe te rekenen. Over de toerekeningsfactor voorzienbaarheid van de schade8 kan men zeggen, dat de vennootschap in beginsel niet heeft kunnen voorzien dat zich tijdens het tijdvak van de misleiding een zeepbel zou ontwikkelen. Ook dat pleit ervoor om het zeepbeleffect in de koersinflatie niet aan de vennootschap toe te rekenen. Dit laatste is alleen anders wanneer via het verspreiden van misleidende informatie is geprobeerd een zeepbel te creëren. Dit laatste ligt echter niet voor de hand (doch is ook niet onmogelijk).
Volledigheidshalve wijs ik erop dat het resultaat dat slechts de koersinflatie gecorrigeerd voor het zeepbeleffect voor vergoeding in aanmerking komt, ook kan worden bereikt op de voet van eigen schuld ex art. 6:101 BW.9 In dat geval is de redenering dat de totale koersinflatie mede is veroorzaakt door een omstandigheid die aan de belegger kan worden toegerekend, in casu de zeepbel, zodat het deel van de koersinflatie dat het effect van de zeepbel weerspiegelt, voor (eigen) rekening van de belegger dient te komen.
De voorgaande analyse blijft nagenoeg gelijk in het scenario waarin de zeepbel in het tijdvak van de misleiding uit elkaar spat (in plaats van tegelijkertijd met het bekend worden van de misleiding of na het tijdvak van de misleiding). Het enige verschil tussen dit scenario en de voorgaande twee scenario’s wat de toerekening (ex art. 6:98 BW) aan de vennootschap betreft van de door de misleiding veroorzaakte koersinflatie, is dat er een groep beleggers bijkomt voor wie deze toerekeningsvraag niet relevant is. Dat is de groep beleggers die hun aandeel hebben gekocht in het tijdvak gelegen tussen het uit elkaar spatten van de zeepbel en het bekend worden van de misleiding. Ook voor deze beleggers geldt immers dat de door hen betaalde koersinflatie geen zeepbeleffect (meer) omvat, zodat het volledige bedrag aan koersinflatie voor hen voor vergoeding in aanmerking komt. Hiermee zijn de eerste drie van de eerdergenoemde acht scenario’s behandeld.