Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/449
449 De Mannesmann-affaire
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS367874:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een bespreking van deze uitspraak in het licht van de (Duitse en Amerikaanse) business judgment rule: Assink 2006.
Saillant detail is nog dat twee van de vier bestuursleden die ook een erkenningspremie krijgen pas enkele dagen daarvoor zijn toegetreden tot het bestuur. Klaus Esser heeft in mei 1999 de rol van CEO overgenomen van Joachim Funk.
Ladberg ontbreekt in deze episode vanwege ziekte.
Voorgesteld werd allereerst dat Hutchison (en eventueel Vodafone) de erkenningspremies aan de bestuurders zullen betalen, maar uiteindelijk wordt besloten dat de bestuursleden deze bonus van hun werkgever Mannesmann zullen ontvangen. Landgericht Düsseldorf – NJW 2004, 3275, nr. 70.
Drie van de vier bestuursleden hebben per 31 juli 2000 hun positie neergelegd en Mannesmann verlaten.
Naast de leden van het Präsidium en Klaus Esser wordt ook Dietmar Droste (de bedrijfsjurist) aangeklaagd voor zijn rol in het proces.
In het arrest wordt ook ingegaan op bepaalde pensioenaanspraken. Ik beperk mij hier tot de kern van het arrest. Bundesgerichtshof 21 december 2005, 3 StR 470/04, al. 1.
29 Zie ook Assink 2006, nr. 8.
De zaak wordt vervolgens terugverwezen en komt bij het Landgericht Düsseldorf terecht. Uiteindelijk wordt volstaan met het betalen van een bedrag van =C 5.8 miljoen. =C 3.2 miljoen voor Ackermann, =C 1.5 miljoen voor Esser, =C 1 miljoen voor Funk, =C 60.000 voor Zwickel en =C 30.000 voor Droste.
Bundesgerichtshof 21 december 2005, 3 StR 470/04, al. 16 e.v.
Zie over §87 Abs. 1 AktG randnummer 319.
Bundesgerichtshof 21 december 2005, 3 StR 470/04, al. 18.
Dit geldt ook indien de (arbeids)overeenkomst achteraf dienovereenkomstig wordt aangepast. Bundesgerichtshof 21 december 2005, 3 StR 470/04, al. 22.
Bundesgerichtshof 21 december 2005, 3 StR 470/04, al. 20. Overigens wordt door het Bundesgerichtshof nog ervan uitgegaan dat §87 Abs. 1 AktG alleen betrekking heeft op de hoogte van de bezoldiging. “Ebenso wenig lässt sich die Zulässigkeit einer kompensationslosen Anerkennungsprämie auf § 87 Abs. 1 Satz 1 AktG (Gehalt oder ... Nebenleistungen jeder Art) stützen. Denn diese Vorschrift regelt lediglich die Höhe der Bezüge (vgl. Baums aaO 3 ff.) und sagt nichts über die Zulässigkeit oder Unzulässigkeit der Sonderzahlung im Hinblick auf die Vermögensbetreuungspflicht der Präsidiumsmitglieder aus.” Na de aanpassing in 2009 kan dat mijns inziens niet meer van § 87 Abs. 1 Satz 1 AktG gezegd worden.
Bundesgerichtshof 21 december 2005, 3 StR 470/04, al. 19.
Bundesgerichtshof 21 december 2005, 3 StR 470/04, al. 21.
Zie in vergelijkbare zin de overwegingen die ten grondslag lagen aan de invoering van §78 Abs. 2 1937, nader uiteengezet in randnummer 208.
Bundesgerichtshof 21 december 2005, 3 StR 470/04, al. 27.
Bundesgerichtshof 21 december 2005, 3 StR 470/04, al. 29.
Bundesgerichtshof 21 december 2005, 3 StR 470/04, al. 34.
Duitsland kent sinds 1 november 2005 een eigen business judgment rule, § 93 Abs. 1 Satz 2 AktG. Deze regeling is van overeenkomstige toepassing op de raad van commissarissen op de voet van § 116 Satz 1 AktG.
In dit kader speelde mee dat Mannesmann werd overgenomen, het vertrek van de bestuurders op handen was en de ondernemingsstrategie verder in de toekomst door Vodafone zou worden bepaald. Bundesgerichtshof 21 december 2005, 3 StR 470/04, al. 29.
Ondanks de ruime mate van beoordelingsvrijheid van de raad van commissarissen is de Duitse rechter wel bereid geweest om in een uitzonderlijk geval een bezoldiging aan te merken als ongepast – zelfs als ‘corporate waste’ – zoals blijkt uit de Mannesmann-affaire.1 Eind 1999 wordt Mannesmann AG (hierna: Mannesmann) geconfronteerd met een overname door Vodafone Airtouch PLC (hierna: Vodafone). Aanvankelijk is het bestuur fel gekant tegen deze overname, maar na een bittere strijd stemt het bestuur in februari 2000 alsnog in met het overnamebod. Opvallend is dat kort na het instemmen met het bod de ‘Aufsichtratausschuss für Vorstandangelegenheiten’ van Mannesmann (hierna: het Präsidium) diverse besluiten neemt waarin ‘freiwilliger Anerkennungsprämien’ worden toegekend aan bestuursvoorzitter Klaus Esser, vier bestuursleden en aan de voormalige bestuursvoorzitter Joachim Funk.2 In dit Präsidium hebben zitting Josef Ackermann (de toenmalige voorzitter van de raad van bestuur van Deutsche Bank en één van de belangrijkste figuren in ‘Corporate Duitsland’), Klaus Zwickel (de werknemerscommissaris), Jürgen Ladberg (de voorzitter van de ondernemingsraad) en nota bene Joachim Funk zelf.
Voor het rechtsgeldig kunnen nemen van besluiten door het Präsidium is de aanwezigheid van ten minste drie van zijn leden vereist. In een uiterst korte buitengewone vergadering van het Präsidium op 4 februari 2000 zijn alleen Funk en Ackermann aanwezig.3 Nadat zij Zwickel per telefoon deelgenoot maken van de vergadering wordt in ‘weniger Minuten’ besloten aan Klaus Esser een erkenningspremie toe te kennen van £10 miljoen, indien de overname slaagt en deze als een ‘freundlichen Ubernahme’ wordt aangemerkt. Zwickel onthoudt zich van stemmen, maar zorgt er daardoor wel voor dat het genomen besluit voldoet aan het quorumvereiste van drie leden van het Präsidium.
Eén van de initiators voor het toekennen van de erkenningspremies aan de raad van bestuur is aandeelhouder Hutchison Whampoa Ltd. (hierna: Hutchison). Hutchison hield op dat moment 10% van de aandelen in het geplaatst kapitaal van Mannesmann en was voorstander van een overname door Vodafone. Het bestuur van Vodafone werd ook op de hoogte gesteld van het toekennen van de appreciation awards en had geen bezwaren.4
Op basis van het besluit van het Präsidium ontvangt Esser een golden parachute van ongeveer =C 16 miljoen naast zijn reguliere overeengekomen gouden handdruk van =C 17 miljoen. Ook de overige vier bestuursleden en voormalig bestuursvoorzitter Funk ontvangen een riante erkenningspremie. Het Präsidium stelt dat deze beloning ‘passend’ is gezien de “gute Ertragslage des Unternehmens, die Steigerung des Aktien- und Unternehmenswertes sowie die Leistungen im Übernahmekampf.”5
Wanneer de toegekende beloningen en de wijze waarop deze zijn toegekend bekend worden bij het publiek, ontstaat er grote verontwaardiging. Opmerkelijk genoeg besluit het Duitse Openbaar Ministerie tot vervolging van Klaus Esser en de leden van het Präsidium.6 Zij worden aangeklaagd omdat zij zich schuldig zouden hebben gemaakt aan ‘Untreue zum Nachteil der Mannesmann AG’ op grond van §266 Abs. 1 StGB waarin schending van de ‘Vermögensbetreuungspflicht’ in het algemeen strafbaar is gesteld.7 Deze Vermögensbetreuungspflicht ziet onder meer op de plicht van bestuurders en commissarissen van vennootschappen om, optredend als belangenbehartigers van derden, uit dien hoofde op bona fide wijze over de vermogensbestanddelen van de vennootschap te beschikken. Gesteld wordt dat de leden van het Präsidium bij het vaststellen van de erkenningspremies niet gehandeld hebben in het belang van de vennootschap.8
Het Landgericht Düsseldorf verwerpt de aanklacht van het OM. Het Landgericht overweegt dat de verdachten ‘pflichtwidrig’ hebben gehandeld bij het toekennen van de erkenningspremies aan de nog actieve bestuursleden van Mannesmann, aangezien het belang van Mannesmann op geen enkele wijze was gediend. Desondanks is niet voldaan aan de eis dat ‘Untreue’ gehandeld is aangezien hiervoor een zwaardere ‘Pflichtverletzung’ vereist is. Ten aanzien van het toekennen van de erkenningspremies aan Funk wordt wel aangenomen dat er sprake is van deze ‘gravierende Pflichtverletzung’. Het Landgericht komt uiteindelijk echter tot het oordeel dat het subjectieve bewustzijn bij de leden van het Präsidium ontbrak dat zij hun plicht verzaakten. De leden van het Präsidium waren in de veronderstelling dat zij handelden binnen de grenzen van hun bevoegdheid. Op grond hiervan wordt de aanklacht jegens hen alsnog verworpen.
Het Bundesgerichtshof maakt korte metten met de redenering van het Landgericht. Het oordeelt dat met het toekennen van de ‘für die Gesellschaft nutzlosen Anerkennungsprämien’ de verdachten jegens de vennootschap wel degelijk hun ‘Vermögensbetreuungspflicht’ hebben geschonden, vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug.9
Het Mannesman-arrest is weliswaar gestoeld op het Duitse strafrecht, maar verschaft enige inzichten in de wijze waarop door het Bundesgerichtshof wordt gekeken naar het toekennen van buitengewone beloningen. Drie mogelijke beloningsvormen worden daarbij onderscheiden.10 De eerste is gebaseerd op een contractuele grondslag. Wanneer in de overeenkomst is opgenomen dat de bestuurder eenmalig of jaarlijks recht heeft op een variabele bonus die afhankelijk is van de prestaties van de onderneming dan mag een dergelijke bonus achteraf door de raad van commissarissen worden vastgesteld en toegekend. De raad van commissarissen heeft daarbij een ruime mate van beoordelingsvrijheid, welke vrijheid slechts beperkt wordt door de vereisten van §87 Abs. 1 AktG.11
Ontbreekt een contractuele grondslag, dan is een ‘nachträglichen Anerkennungsprämie’ toelaatbaar, als daarvan een prikkelwerking uitgaat ten voordele van de vennootschap doordat buitengewone verdiensten worden beloond. Het is daarbij mogelijk dat deze prikkelwerking geldt jegens derden waardoor een bestuurder die afscheid neemt een dergelijke beloning kan ontvangen. Ook in dit geval moet de beloning ’passend’ zijn.
“Dies kommt insbesondere in Betracht, wenn die freiwillige Sonderzahlung entweder dem begünstigten Vorstandsmitglied selbst oder zumindest anderen aktiven oder potentiellen Führungskräften signalisiert, dass sich außergewöhnliche Leistungen lohnen, von ihr also eine für das Unternehmen vorteilhafte Anreizwirkung ausgeht. Unter dem Gesichtspunkt einer Anreizwirkung für Dritte erscheint die Zuwendung einer freiwilligen Anerkennungsprämie auch an ein Vorstandsmitglied denkbar, das demnächst aus der Gesellschaft ausscheidet.”12
Ontbreekt een contractuele grondslag en wordt een bonus toegekend die uitsluitend een belonend karakter heeft en de vennootschap geen voordeel in de toekomst zal opleveren, dan wordt een dergelijke bonus gekwalificeerd als een verspilling van vennootschappelijke middelen en is er sprake van handelen in strijd met de fiduciaire verplichtingen van de commissarissen.13 Aan de vraag of de beloning passend is, wordt in een dergelijk geval niet toegekomen. Het argument dat de totale bezoldiging, ondanks de ‘nutteloze erkenningspremie’, niet in strijd is met §87 Abs. 1 AktG, gaat dus niet op.14
“Eine im Dienstvertrag nicht vereinbarte Sonderzahlung für eine geschuldete Leistung, die ausschließlich belohnenden Charakter hat und der Gesellschaft keinen zukunftsbezogenen Nutzen bringen kann (kompensationslose Anerkennungsprämie), ist demgegenüber als treupflichtwidrige Verschwendung des anvertrauten Gesellschaftsvermögens zu bewerten. […] Sie ist bereits dem Grunde nach unzulässig, ohne dass es auf die Frage ankommt, ob die Gesamtbezüge des begünstigten Vorstandsmitglieds unter Einschluss der Sonderzahlung nach den Grundsätzen des § 87 Abs. 1 Satz 1 AktG der Höhe nach noch als angemessen beurteilt werden könnten.”15
Het Bundesgerichtshof neemt bij haar beoordeling de fiduciaire verplichtingen van het bestuur en de raad van commissarissen tot uitgangspunt. De grens ligt dan ook niet pas bij het in gevaar brengen van het voortbestaan van de vennootschap.
“Der allgemeine Grundsatz des Zivilrechts, dass derjenige, der fremdes Vermögen zu betreuen hat, ausschließlich und uneingeschränkt im Interesse des Vermögensinhabers handeln muss und das anvertraute Vermögen nicht nutzlos hingeben darf, gilt auch im Aktienrecht.”16
De stelling dat de prestaties pas achteraf kunnen worden vastgesteld, wordt door het Bundesgerichtshof verworpen. Allereerst zijn er allerlei manieren waarop bij het aangaan van de overeenkomst een prestatiegebonden bezoldiging kan worden vastgesteld. Daarnaast merkt het Bundesgerichtshof op, dat het uitoefenen van de bestuurswerkzaamheden op zichzelf geen rechtvaardigingsgrond biedt voor een opwaartse aanpassing van de aanvankelijk overeengekomen bezoldiging. Het Bundesgerichtshof wijst er daarbij op dat de vennootschap “umgekehrt das Vertragsrisiko auch dann zu tragen hat, wenn der Vorstand die ihn gesetzten Erwartungen nicht erfüllt”.17
Het Bundesgerichtshof is uiteindelijk verpletterend in zijn oordeel dat de erkenningspremies geen enkel nut hadden.18 Daarbij overweegt het onder meer dat op de bestuurders reeds de verplichting lag om zich ‘uneingeschränkt’ in te zetten voor de vennootschap. Dit geldt, aldus het Bundesgerichtshof, ook voor activiteiten zoals het integratieproces na een overname of de overnamestrijd zelf. Daarnaast acht het nog van belang dat de erkenningspremies niet gebruikt zijn om de bestuurders te behouden (dus als retentievergoeding). Verder wijst het Bundesgerichtshof erop dat de erkenningspremies eveneens geen enkel nut dienen voor de aandeelhouders, aangezien de gestegen aandelenkoers onafhankelijk van de erkenningspremies is bewerkstelligd.19 Het hof merkt nog op dat het laakbare handelen gesauveerd had kunnen worden, wanneer de aandeelhouders van Mannesmann de toekenning van de erkenningspremies zou hebben goedgekeurd.20 Deze weg is echter niet bewandeld.
Het Mannesmann-arrest geeft, ondanks haar uitzonderlijke casus, enige aanknopingspunten voor het inhoudelijk beoordelen van de (gebeurtenisgedreven) bezoldiging van bestuurders. In het bijzonder is de categorisering van de verschillende bezoldigingssituaties door het Bundesgerichtshof interessant. Van een inhoudelijke beoordeling is in beginsel alleen sprake wanneer de bezoldiging valt in de laatste categorie: een incidenteel toegekende bezoldiging waarvoor geen contractuele verplichting bestaat en die zonder nut is voor de vennootschap (in casu tegen de achtergrond van een majeure gebeurtenis). In een dergelijke geval vallen de bezoldigingsbeslissingen buiten het bereik van de Duitse business judgment rule.21 De norm in Duitsland is wat dat betreft dus gelijk aan de norm die in de Verenigde Staten wordt gehanteerd: de bezoldiging dient aangemerkt te worden als corporate waste.22