Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/5.3.1.7.1
5.3.1.7.1 Waardering bij verdeling
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS621645:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Pitlo/Van der Burght, Erfrecht, Arnhem: Gouda Quint 1997, p. 358. In gelijke zin, M.J.A. van Mourik, Het begrip ‘waarde’ in het privaatrecht en enige fiscale wetten, WPNR 5494 (1979).
Van der Burght deelt deze visie met onder andere Luijten en Van Mourik, zie hoofdstuk 5, § 3.1.1 en § 3.1.4.
Pitlo/Van der Burght, Erfrecht, Arnhem: Gouda Quint 1997, p. 359, in het bijzonder noot 126.
HR 11 maart 1977, NJ 1978, 98, m.nt. E.A.A.L. (Leegwaarde-arrest).
Zie ook Pitlo/Van der Burght, Doek, Personen- en familierecht, Deventer: Kluwer 2002, p. 110 e.v.
Pitlo/Van der Burght, Erfrecht, Arnhem: Gouda Quint 1997, p. 359, 360.
Pitlo/Van der Burght, Erfrecht, Arnhem: Gouda Quint 1997, p. 360, 361.
Van Mourik verzet zich tegen het onderscheid belichaamde en onbelichaamde goodwill. Zie Van Mourik-Verstappen, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Deventer: Kluwer 2006, p. 508, en de aldaar vermelde literatuur. Zie over – de waarde van – goodwill verder, hoofdstuk 10, § 5.
In Pitlo/Van der Burght komt het begrip waarde als zodanig in alle aan de in paragraaf 2 opgesomde artikelen gewijde passages voor, echter zonder nadere uitwerking dan wel invulling. De behandeling van het ‘waardevraagstuk’ vindt uitsluitend in het kader van de (nalatenschaps)verdeling plaats.
Van der Burght ‘opent’ in paragraaf 215 (De waardering) van het handboek met het volgende:
‘Welnu, in het civiele recht kennen wij geen wettelijk stelsel van (objectieve) waarde-maatstaven. Bij de bepaling van de waarde in civilibus zullen dan ook andere factoren dan louter objectieve een rol kunnen spelen. Als feitelijke werkmethode zal men evenwel uit moeten gaan van een objectieve waardering, daar anders de rechtsgelijkheid wordt bedreigd. De objectieve taxatie vormt echter in civilibus niet het definitieve eindoordeel, (…).’1
Hij signaleert dat bij de waardering problemen kunnen rijzen, als goederen voor de ene deelgenoot meer waarde hebben dan voor de andere deelgenoot.
In deze kwestie is volgens hem de waardering van de aan een deelgenoot-bewoner toegedeelde woning belangrijk, waarbij hij – evenals de andere erfrechtelijke handboeken – het arrest van HR 23 december 1965 (NJ 1967, 44 (Hendriksen-Maatkamp)) aanhaalt. De tussen de deelgenoten in een (huwelijks)gemeenschap in acht te nemen redelijkheid, gebiedt om met alle waardebepalende factoren rekening te houden, derhalve niet slechts met de mogelijke verkoopprijs maar ook met de waarde die voor de deelgenoot uit het gebruik van het desbetreffende, toegedeelde goed zou kunnen voortvloeien (art. 3:185 lid 1 BW). Volgens Van der Burght beslissen de regels van redelijkheid en billijkheid mede tegen welke waarde de goederen worden toegedeeld.2 Hij neemt afstand van de zienswijze in Asser-Van der Ploeg-Perrick, waar de beginselen geen rol voor de waarde(ring)spelen, omdat hij daarin geen verklaring kan vinden waarom onder omstandigheden goederen tegen een lagere waarde toegedeeld worden. Zoals bijvoorbeeld in het in paragraaf 3.1.6.3 gegeven voorbeeld van de toedeling van de boerderij aan de voortzettende zoon.3
Voorts brengt Van der Burght in hetzelfde kader (waardering van de echtelijke woning bij verdeling van een huwelijksgemeenschap en toedeling aan de echtgenote-bewoonster) het zogenoemde ‘Leegwaarde-arrest’ nog ter sprake.4 Met een – evenwel verzuimd – beroep op de redelijkheid en billijkheid zou volgens hem in die casus mogelijk een lagere waarde dan die in ‘vrij en opleverbare’ staat aangehouden kunnen worden. Van der Burght signaleert dat men ook tot dat resultaat tracht te komen door die waarde te corrigeren vanwege de rechten en verplichtingen tot verzorging. Het waardeprobleem wordt dan een alimentatieprobleem in plaats van een verdelingskwestie. Hij kan zich vinden in de opvatting van schrijvers dat art. 1:81 BW een alimentatie-aanspraak van de langstlevende echtgenoot jegens de ‘eerststervende’ kan doen ontstaan, echter niet dat men op uitsluitend dat gegeven een lagere waarde aan de voormalige echtelijke woning toekent. De bedoelde alimentatie-aanspraak wordt volgens Van der Burght onder meer betaald door de toedeling van die woning; de waarde waarvoor dat geschiedt stoelt op de redelijkheid en billijkheid, en wordt medebepaald door de specifieke omstandigheden van het geval.5
Van der Burght geeft er de voorkeur aan om voor de beantwoording van alle waarderingsvragen ten opzichte van alle deelgenoten bij de verdeling van een nalatenschap uit te gaan van één richtsnoer: de redelijkheid en billijkheid. Daarbij oefent de plaats die een zaak in een verhouding tussen de deelgenoten inneemt of de rol die het goed voor een of meer deelgenoten vervult, invloed uit de op de waarde, waarbij hij verwijst naar het begrip rechtssfeerwaarde.6 Van der Burght lijkt hier – evenals bijvoorbeeld Van Mourik (zie paragraaf 3.1.4) – op de waardering bij een verdeling eveneens aan subjectieve factoren belang te willen toekennen.
Voor wat betreft de invloed op de waardering van door de erflater gesloten huur- en pachtovereenkomsten, stemt de visie van Van der Burght overeen met de auteurs van de hiervoor behandelde handboeken. Deze overeenkomsten, maar bijvoorbeeld ook anti-speculatiebedingen, hebben een waardedrukkende invloed, ook als het een erfgenaam is die krachtens zijn pacht- of huurrecht de zaak gebruikt. Eenzelfde invloed kan volgens Van der Burght optreden bij de waardering van aandelen in een goederenrechtelijke gemeenschap; de gerechtigdheid tot een aandeel in een gemeenschappelijk pakket incourante effecten geeft geen of weinig invloed op de vennootschap en deze gezamenlijke gerechtigdheid kan ‘ongerief’ met zich mee brengen.7
Een onderwerp dat in de hiervoor behandelde handboeken niet aan de orde is gesteld, is de waardering van goodwill. Daarbij onderscheidt Van der Burght – in navolging van andere schrijvers – belichaamde en onbelichaamde, en onbelichaamde persoonlijke en onbelichaamde zakelijke goodwill.8 De belichaamde goodwill, tot uitdrukking komend als waardeverhogende factor bij de waardering van (ondernemings)activa, en de onbelichaamde zakelijke goodwill, bestaande uit een extra vermogensbate of winstmogelijkheid voor zover niet voortvloeiend uit een persoonlijke inspanning van de ondernemer, behoren tot de nalatenschap en dienen volgens Van der Burght dan ook te worden gewaardeerd.