Eigendomsgrondrecht en belastingen
Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/15.5:15.5 Conclusie
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/15.5
15.5 Conclusie
Documentgegevens:
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197354:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Geconstateerd kan worden dat het eigendomsgrondrecht in Duitse belastingzaken van veel minder belang is gebleken dan in Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Ondanks dat het BVerfG opmerkelijkerwijs in 1995 een harde kwantitatieve norm geïntroduceerd voor gevallen van samenloop tussen inkomsten- en vermogensbelasting. Het zogenoemde Halbteilungsgrundsatz bracht mee dat deze belastingen tezamen niet meer dan de helft van het inkomen mochten belasten. Ook zou de vermogensbelasting voldaan moeten kunnen worden uit de vruchten van het vermogen. Deze beslissing staat in schril contrast met de Nederlandse rechtspraak over box 3, ook een soort vermogensbelasting, die het toestaat dat rendement uit vermogen jarenlang structureel wordt wegbelast. Het gaat ook veel verder dan het EHRM, die een Franse vermogensbelasting die kon oplopen tot 85% van het inkomen nog aanvaardbaar vond.1 Het BVerfG heeft zijn rechtspraak in 2006 echter verregaand genuanceerd en Duitsland heeft de vermogensbelasting afgeschaft, zodat het Halbteilungsgrundsatz als obsoleet kan worden beschouwd.
Toetsing van belastingmaatregelen aan het Grondwettelijke eigendomsrecht is in Duitsland verder vooral een theoretische kwestie gebleken. Voor de praktijk zijn andere grondrechten – met name die inzake het gelijkheidsbeginsel en het verbod van discriminatie – van veel groter belang. Het eigendomsgrondrecht was van oudsher van zeer beperkte relevante in belastingzaken, doordat het grondwettelijke eigendomsrecht volgens het BVerfG alleen concrete eigendomsrechten beschermde tegen overheidsinmenging. Omdat belastingen niet ten laste komen van concrete rechten, maar van het vermogen als zodanig, vielen belastingen jarenlang buiten de reikwijdte van het eigendomsgrondrecht (tenzij sprake was van een Erdrosselungssteuer). Hiervan is het BVerfG inmiddels wel teruggekomen: verworven inkomen en winst vallen thans wel onder de eigendomsbescherming van artikel 14 Grundgesetz. Evenals bij het EHRM dient er in Duitsland beoordeeld te worden of een eigendomsaantasting door belastingheffing evenredig is. Er bestaat echter nog steeds een verschil ten opzichte van de rechtspraak van het EHRM voor zover het belastingmaatregelen betreft die de uitvoering van een belaste handeling feitelijk onmogelijk maken. Een dergelijke heffing is volgens de Duitse doctrine eigenlijk geen belastingheffing, maar een gebruiks- of productverbod. Een belastingheffing wordt juist geacht financiële middelen voor de Staat te genereren. Een Erdrosselungssteuer doet dat niet, maar streeft andere doelen na; détournement de pouvoir dus. Dat het daadwerkelijk nagestreefde doel op zichzelf aanvaardbaar kan zijn is niet relevant. Het is niet duidelijk hoe het EHRM aankijkt tegen een Erdrosselungssteuer. In politiek gevoelige zaken waarin twijfel mogelijk is over de motieven van de belastingwetgever – zoals in N.K.M. cs2– vermijdt het EHRM uitspraken over de legitimate aim van belastingwetgeving als het toch al oordeelt dat de fair balance is geschonden.