Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/5.4.3:5.4.3 Uitzonderingen op de hoofdregel: Het “recht van verwerving”
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/5.4.3
5.4.3 Uitzonderingen op de hoofdregel: Het “recht van verwerving”
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644989:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Net als in het BGB geldt de hoofdregel van afscheiding in het BW niet als er sprake is van wettelijke uitzonderingen. Een vruchtgebruiker verkrijgt de eigendom van de vruchten en niet de grondeigenaar. Die eigendomsverkrijging vloeit voort uit wat Suijling noemde het “recht van toe-eigening”. De term ontleende Suijling aan het Aneignungsrecht uit het BGB. Hij (de term) is echter verwarrend, omdat hij doet denken aan het “toe-eigenen van een zaak door inbezitneming” (occupatio). Vandaar dat in dit onderzoek de term is vervangen voor het “recht van verwerving”. Dit “verwervingsrecht” is verdisconteerd in het recht van vruchtgebruik, waardoor de vruchtgebruiker de eigendom van de vruchten verkrijgt en niet de grondeigenaar. De rechthebbende van het “verwervingsrecht” verkrijgt het eigendomsrecht van de afgescheiden zaak op het ogenblik van de afscheiding. Het is niet nodig dat hij deze zaak zelf in bezit neemt, zoals in het Duitse recht vereist is. Als een derde op eigen initiatief bijvoorbeeld de vruchten verwijdert, dan verkrijgt de vruchtgebruiker - en niet de derde en evenmin de eigenaar van de grond - daarvan de eigendom.
Het “recht van verwerving” maakt een uitzondering op de hoofdregel mogelijk. De hoofdregel luidt immers dat de eigenaar de eigendom van de afgescheiden bestanddelen verkrijgt vanwege zijn eigendomsrecht op de hoofdzaak. De vruchtgebruiker daarentegen verkrijgt de eigendom van de vruchten vanwege zijn “recht van verwerving”. Ditzelfde geldt voor de erfpachter, de bezitter, enzovoort. Het eigendomsrecht dat de vruchtgebruiker verkrijgt, is dus niet afgeleid van het eigendomsrecht van de eigenaar, maar een uitvloeisel van het recht van vruchtgebruik waarin het “recht van verwerving” is verwerkt. Doordat de eigendom via dat recht is verkregen, komen op de afgescheiden vruchten niet dezelfde beperkte rechten te rusten die op de hoofdzaak rusten. Een vruchtgebruiker “verwerft” de onbezwaarde eigendom van een kalf, ook als op de koe een pandrecht rust. Het “recht van verwerving” fungeert in wezen als een “wasstraat”: het “wast” het afgescheiden bestanddeel af, zodat de goederenrechtelijke beperkte rechten van de hoofdzaak daarop niet komen te rusten.