Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/8.2.5
8.2.5 Toezicht op de bankierseed
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268469:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Rapport “Naar herstel van vertrouwen”, Kamerstukken II, 2008/09, 31 371, nr. 163, p. 14 en het pakket Toekomstgericht bankieren van de NVB, bestaande uit een Maatschappelijk Statuut, een aangepaste Code Banken en de Gedragsregels. Zie hierover ook hoofdstuk 1, par. 1.2.
Art. 3:17c, eerste lid en 3:17b, tweede lid en 3:8 Wft. Het betreft, kort gezegd, alle personen werkzaam in Nederland onder de verantwoordelijkheid van een bank die (a) een arbeidsovereenkomst met de bank hebben of, indien het externen betreft, (b) werkzaamheden uitvoeren die deel uitmaken van of voortvloeien uit het uitoefenen van het bankbedrijf dan wel deel uitmaken van de wezenlijke bedrijfsprocessen ter ondersteuning daarvan.
Art. 1, eerste lid, Regeling Bankierseed.
Volgens de Minister is het “het meest logisch” dat het moment van het erkennen van tuchtrecht gelijk loopt met de start van het verrichten van de werkzaamheden, zie Regeling Bankierseed, p. 6.
Zie de Regeling Bankierseed, p. 6 en in dezelfde zin P. Laaper & J.W.P. M. van der Velden, ‘Bankentuchtrecht’, in: M. Jurgens en R. Stijnen (red.), Compliance in het financieel toezichtrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 176.
Zie bijvoorbeeld de beslissing van de Tuchtcommissie van 14 maart 2018, waarin besloten werd de zaak aan te houden omdat het bewijs dat de bankierseed was afgelegd ontbrak (TRB-2018-3611). Preciezer zou het zijn na te gaan of het tuchtrecht is aanvaard. Het bewijs dat het tuchtrecht is aanvaard is weliswaar in de praktijk vaak te vinden in hetzelfde document waarin wordt vastgelegd dat de bankierseed is afgelegd (aan het in art. 4 van de Regeling Bankierseed verplicht gestelde formulier kan een verklaring worden toegevoegd dat de betreffende medewerker zich tevens zal houden aan de Gedragsregels en het tuchtrecht erkent), maar binding aan het tuchtrecht kan bijvoorbeeld ook ontstaan door het tekenen van de arbeidsovereenkomst waarin een clausule met deze strekking is opgenomen of door dit onderdeel te maken van de cao (zie Q&A Implementatie Toekomstgericht bankieren, p. 13).
Zie art 3:8, eerste en tweede lid, 3:17b, 4:9, zevende lid en 4:15a Wft en de Regeling eed of belofte financiële sector 2015.
Zie art. 2.1.1, zesde bullet, 2.2.3 en 8.2.1 Tuchtreglement Bancaire sector, versie 1 december 2018, https://www.nvb.nl/themas/bank-maatschappij/toekomstgericht-bankieren/ (“Tuchtreglement”). Het niet-naleven van de bankierseed kan in mijn optiek wel worden beschouwd als een schending van de in de Gedragsregels neergelegde integriteits- en zorgvuldigheidsnormen. Dit zal dan ook via de Gedragsregels tuchtrechtelijk kunnen worden gesanctioneerd.
In diezelfde zin de Raad van State, die heeft aangegeven dat de onderwerping van de medewerker aan integriteits- en zorgvuldigheidsnormen die ook feitelijk worden gehandhaafd, verschilt van het afleggen van een eed of belofte waaraan een symbolische waarde wordt toegekend (Kamerstukken II, 2013/14, 33 918, nr. 11, p. 6.
Bruggen slaan, Regeerakkoord VVD-PvdA, 29 oktober 2012, p. 11.
DNB ziet eveneens toe op de naleving van de verplichtingen van banken rondom het afleggen van de bankierseed (3:17b Wft). Het bancair tuchtrecht en de bankierseed worden vaak in één adem genoemd. Beide instrumenten zijn tot stand gekomen op initiatief van de banken zelf en dienen hetzelfde doel, namelijk herstel van vertrouwen in, met name, de bancaire sector.1 Ook is het tuchtrecht van toepassing op dezelfde groep bankmedewerkers die de bankierseed dienen af te leggen.2 De Gedragsregels zijn bovendien vrijwel één op één afgeleid uit de tekst van de bankierseed zoals deze geldt voor bankbestuurders en leden van het tweede echelon.3
Juridisch is er echter sprake van twee afzonderlijke verplichtingen. De bank dient ervoor zorg te dragen dat haar medewerkers de bankierseed afleggen, en tevens het tuchtrecht aanvaarden. De bankierseed dient binnen drie maanden na indiensttreding te zijn afgelegd.4 Het exacte moment van het aanvaarden van het tuchtrecht is aan de banken zelf om te bepalen.5 Het is dus niet zo dat met het afleggen van de eed, direct ook het bancair tuchtrecht wordt aanvaard. Hiervoor is een aparte handeling vereist. Ook is de tuchtrechter pas bevoegd om tuchtklachten in behandeling te nemen wanneer de betrokken medewerker het tuchtrecht heeft aanvaard. Het enkele afleggen van de bankierseed is hiervoor niet voldoende.6 De Tuchtcommissie zelf lijkt dit onderscheid overigens niet altijd zo scherp te maken.7
Ook geldt het tuchtrecht alleen voor bankmedewerkers, terwijl het afleggen van de bankierseed ook elders in de financiële sector verplicht is.8 Naast DNB heeft daarom ook de AFM hier een toezichthoudende rol. In de tuchtprocedure wordt voorts getoetst aan de Gedragsregels en niet, althans niet direct, aan de tekst van de bankierseed.9 De relatie tussen het tuchtrecht en de bankierseed is al met al minder innig dan, wellicht, op het eerste gezicht het geval lijkt.10 Dit geeft gemakkelijk aanleiding tot misverstanden, mogelijk in de hand gewerkt door het regeerakkoord van destijds waarin werd vastgelegd: “Er komt een verplichte bankierseed met strenge sancties bij overtreding”.11