Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/7.6
7.6 Hoofdzaken kwalitatief
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS494609:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een andere reactie zou betekenen dat sprake is van misbruik van recht. Dit aspect kwam aan de orde in het kader van een vraag over de kans dat naar aanleiding van het beslag een opheffingskortgeding zou volgen. Zie ook: Nisbett 1973, p. 154-164: positieve resultaten worden aan zichzelf toegeschreven.
Van de negenentwintig respondenten typeren negentien de vordering als niet reëel (66%).
Een niet reële vordering is hier gebruikt met als definitie: een geheel of gedeeltelijk onterechte hoofdvordering. In het geval van een reconventionele vordering is de respons als niet-reële hoofdvordering geregistreerd indien door verrekening de vordering van de beslaglegger zou komen te vervallen.
Twee uit negenentwintig zaken, waarbij in een geval het beslag werd opgeheven en in het andere geval een regeling werd getroffen door op een andere wijze zekerheid te stellen.
Dit komt overeen met zeven van de negenentwintig respondenten. Twee daarvan in tegenstelling tot de mening van de eigen cliënt hierover.
Dertien van de negenentwintig respondenten. Elf hiervan beoordelen het beslag als te veelomvattend, twee als te weinig, in relatie tot de hoofdvordering. In het laatste geval wordt dit veroorzaakt omdat het beslag deels niet gekleefd heeft.
Tien uit negenentwintig reacties. Ook hier kan het oordeel worden bepaald doordat het beslag deels niet gekleefd heeft.
Bijvoorbeeld in geval van beslag tot levering.
De vordering die door de beslaglegger aan het beslag ten grondslag wordt gelegd (de hoofdzaak) is aan de orde gekomen in het kader van het onderzoek naar conservatoir beslag, tijdens telefonische vraaggesprekken met advocaten van zowel beslagleggers als beslagenen. In dit verband werd gevraagd naar de ‘hardheid’ van de vordering die aan het beslag ten grondslag lag in de zaak naar aanleiding waarvan contact met de betreffende advocaat werd opgenomen. De advocaten van beslagleggers typeerden de hoofdvordering vrijwel steeds als deugdelijk.1 Dit ligt duidelijk anders voor advocaten van partijen die met een beslag werden geconfronteerd: een zeer ruime meerderheid van de respondenten2 typeerde de inhoud en hoogte van de vordering waarvoor het beslag werd gelegd, als niet-reëel.3 Desondanks werd in slechts twee van deze gevallen een opheffingskortgeding geëntameerd.4 Een kwart van de respondenten daarentegen beoordeelde de vordering zonder voorbehoud wel als reëel en het beslag als terecht.5 De advocaten van beslagenen is tevens gevraagd naar hun visie op de proportionaliteit van het beslag in verhouding tot de waarde van de gepretendeerde hoofdvordering. In ruim een derde van de gevallen6 werd het beslag als disproportioneel beoordeeld. In nog eens een derde van de gevallen als proportioneel.7 In de overige gevallen was de proportionaliteitsvraag niet relevant of kon de advocaat in kwestie deze vraag niet beantwoorden.8