Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/5.4.3
4.3 Het moment van informatieverstrekking en raadpleging
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS387687:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Tribunal de Grande Instance Sarreguemines 21 april 2009 (niet gepubliceerd, in te zien via www.wk-ce.fr).
Dit vonnis leidde tot aanhoudende protesten van de werknemers van Continental in Frankrijk en Duitsland, zodanig dat de Franse regering in het conflict bemiddelde en er een sociaal plan tot stand kwam (www.ewc-news.com).
Tribunal de Grande Instance de Paris, 26 april 2011 inzake Société GDF Suez (www.ewcdb. eu).
Vgl. Landesarbeitsgericht Köln 8 september 2011, 13 Ta 267/11 inzake Visteon (www. ewcdb.eu). De Duitse rechter besliste dat het besluit van Visteon tot sluiting van de fabriek in Spanje een schending opleverde van de rechten van de Europese ondernemingsraad. Niettemin zag hij geen mogelijkheden om in kort geding de opschorting van dat besluit te bevelen.
De verhouding tussen Europese en nationale medezeggenschapsprocedures is vaker onderwerp van jurisprudentie en heeft in de periode van 2007 tot en met 2012 geleid tot twee op het eerste gezicht van elkaar afwijkende uitspraken.
Op 21 april 2009 besliste het Tribunal de Grande Instance Sarreguemines dat de sluiting van de bandenfabriek van de Franse dochter van Continental, een in Duitsland gevestigde Europese groep, niet onrechtmatig was.1 Op 11 maart 2009 werd de sluiting van de fabriek in Clairoix aangekondigd, zonder voorafgaande consultatie van de Europese of de nationale ondernemingsraad. De berichten in de pers werden door de Franse ondernemingsraad opgevat als een besluit dat niet zonder consultatie van de Europese ondernemingsraad genomen had mogen worden. Continental verweerde zich onder meer met de stelling dat de berichten onjuist waren geïnterpreteerd en dat besluitvorming nog moest plaatsvinden. Continental stelde zich voorts op het standpunt dat het geen verplichting had om de Europese ondernemingsraad vóór de Franse ondernemingsraad bij de besluitvorming te betrekken.
Het Tribunal oordeelde dat de sluiting van de fabriek in Clairoix niet onrechtmatig was, aangezien noch de richtlijn noch het Franse arbeidsrecht een hiërarchie tussen Europese en nationale consultatieprocedures voorschreef. De Europese ondernemingsovereenkomst bevatte bovendien geen duidelijke bepaling op dit punt. Als gevolg daarvan besliste de rechter dat de consultatieprocedures gelijktijdig of onafhankelijk van elkaar konden worden verricht. De vordering tot opschorting van het besluit tot sluiting werd afgewezen, nu de vereiste consultatieprocedures inmiddels waren aangevangen en niet gesteld kon worden dat Continental reeds een besluit genomen had.2
In het tweede geschil over de Europese medezeggenschap bij Gaz de France leek het Tribunal de Grande Instance van Parijs een andere koers te varen.3 Volgend op de fusie van 22 juli 2008 tussen Gaz de France en Suez tot de nieuwe groep GDF Suez (waarover het eerder hier behandelde geschil met de Europese ondernemingsraad van Gaz de France speelde), kondigde GDF Suez eind 2009 een organisatorische wijziging aan, te weten een samenvoeging van twee onderzoekscentra op het terrein van nieuwe energiemarkten, gelegen in Frankrijk en België. De centra zouden na samenvoeging gaan opereren in de vorm van een nieuw, in Frankrijk gelegen expertisecentrum, het Centre d’Expertise en Etudes et Modélisations Economiques (CEEME). Deze samenvoeging zou gevolgen hebben voor de 119 werknemers van de twee centra. Op 2 december 2009 vond een overlegvergadering met de Franse ondernemingsraad van GDF Suez plaats; daarin werd hem om advies gevraagd over het voorgenomen besluit. Het bestuur van GDF Suez verzekerde de ondernemingsraad dat de Belgische werknemers de grens niet zouden passeren en verbonden zouden blijven aan de structuur in België. Mede om die reden zou geen Europees consultatieproces in werking worden gezet.
De Franse ondernemingsraad oordeelde in een resolutie dat advies van de Europese ondernemingsraad benodigd was voordat hij in staat was op nationaal niveau te adviseren. Hij besloot voorts tijdens een overlegvergadering van 8 februari 2010 een deskundige aan te stellen, die de consequenties van de oprichting van het CEEME zou bestuderen. Op 3 maart 2010 werd het CEEME opgericht. In een resolutie van 16 maart stelde de ondernemingsraad vast dat het besluit van 3 maart was genomen zonder voorafgaand advies van de Europese en van de Franse ondernemingsraad. De Franse ondernemingsraad verzocht vervolgens in kort geding om schorsing van dit besluit, maar deze vordering werd afgewezen. Op 1 juli 2010 aanvaardden 56 Franse werknemers hun aanstelling bij het CEEME.
Het Tribunal de Grande Instance stelde vast dat de Europese ondernemingsovereenkomst voorzag in een verplichting om de Europese ondernemingsraad te consulteren over het onderzoeks- en innovatiebeleid van de groep. Het oordeelde voorts dat de oprichting van het CEEME leidde tot een hergroepering van de Belgische en Franse werknemers. Daarom was sprake van een transnationale aangelegenheid waarbij twee ondernemingen van de communautaire groep betrokken waren. Dat betekende dat de Europese ondernemingsraad geconsulteerd had moeten worden.
De veronderstelling van GDF Suez dat er geen juridische grondslag bestond voor het aannemen van een volgorde tussen de Europese en nationale consultatieprocedures, deed niet af aan de voorwaarde dat de nationale ondernemingsraad voldoende geïnformeerd moest zijn op zijn niveau om zijn medezeggenschapsrechten deugdelijk te kunnen uitoefenen. Volgens het Tribunal was daarvan onvoldoende sprake, nu uit de chronologie van de medezeggenschapsprocedure – namelijk de op 2 december 2009 geformuleerde vragen, de aanwijzing van een deskundige op 8 februari 2010 en de uitvoering van de reorganisatie op 3 maart 2010 – bleek dat de ondernemingsraad niet in de gelegenheid was gesteld zijn advies te geven. Het transnationale karakter van het project, de coherentie van de consultatieprocedures van de verschillende medezeggenschapsorganen en de noodzaak tot het verlenen van een nuttig effect aan deze procedures, rechtvaardigden in deze omstandigheden de voorafgaande consultatie van de Europese ondernemingsraad, gelet op het totaaloverzicht waarover alleen hij beschikte.
Voorts overwoog het Tribunal dat 56 werknemers hun individuele aanstelling bij het CEEME inmiddels hadden geaccepteerd en de miskenning van medezeggenschapsrechten zich daardoor niet mocht vertalen in het opnieuw ter discussie stellen van de in juli 2010 in gang gezette reorganisatie. Deze oordelen leidden zodoende niet tot ongedaanmaking van het besluit tot oprichting van het CEEME of schorsing van de uitvoering daarvan, maar tot toekenning van een schadevergoeding van 15.000 euro aan de ondernemingsraad.4