Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.2.3
16.2.3 Het dividendbeleid
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS407984:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. XVII Octrooi.
NaA, VOC 99, resolutie 10 oktober 1607; VOC 100, resolutie 13 maart 1609.
De uitkeringen in natura leidden niet tot problemen, aangezien veel participanten tevens koopman in specerijen waren. Andere participanten verkochten hun recht op dividend aan kooplieden die in specerijen handelden. (Den Heijer 2005, p. 87).
Frentrop 2002, p. 65.
Aldus Den Heijer 2005, p. 88 en De Korte 1984, p. 67-68.
Van Zanden 1996, p. 422.
De Korte 1984, p. 67.
Van der Heijden 1908, p. 47 en p. 57. Dat nimmer is getracht het tekort op de participanten te verhalen, was volgens Van der Heijden een aanwijzing dat de participanten in de VOC het voorrecht van de beperkte aansprakelijkheid genoten.
Het octrooi bepaalde dat “alsser vande retouren vyff ten hondert in casse sal wesen, men aen die particpanten uuytdeelinge [sal] doen”.1 Aangezien de ontwikkeling van de handel op Azië omvangrijke investeringen vereiste, maakte de VOC de eerste jaren geen winst. Pas in 1610 vond de eerste uitkering van dividend plaats.2 Bij gebrek aan liquide middelen werd daarvan 75 procent in foelie uitgekeerd. Latere uitkeringen vonden plaats in de vorm van peper, nootmuskaat en geld.3 Tussen 1610 en de voorgenomen afrekening in 1612 werd in totaal 162,5 procent dividend uitgekeerd. Dit dividend werd, samen met de rentevergoeding, als een voorschot op de generale afrekening beschouwd.4
De eerste dividenduitkeringen gingen vergezeld van de eerste uitkeringsproblemen. Vanaf 1623 ging het de VOC voor de wind en werden de dividenduitkeringen steeds omvangrijker. De Heeren Zeventien – het dagelijks bestuur van de VOC – bepaalden de hoogte van het dividend in het najaar, na de aankomst van de retourvloot uit Azië. De uitkering vond aansluitend plaats tussen begin november en eind februari. De winst kon echter pas worden bepaald na de veiling van de retourgoederen in het voorjaar. De dividenduitkeringen werden aldus niet op reële winstcijfers gebaseerd en het kwam daarom geregeld voor dat de bewindvoerders door een verkeerde inschatting van de opbrengst meer of minder dividend hadden uitgekeerd dan de financiële situatie toestond.5 Vanwege kritiek op dit dividendbeleid werd besloten het dividend vast te stellen in de voorjaarsvergaderingen van maart en april, aan de hand van de voorlopige financiële gegevens inzake de kas- en banksaldi, de uitstaande vorderingen, de anticipatiepenningen, en de bedragen van de nog te betalen wissels en dividenden over voorgaande jaren, terwijl de opbrengst van de veilingen die nog voor balansdatum zouden worden gehouden, werden geschat. Dit resulteerde in een modern aandoend dividendbeleid waarbij op de lange termijn de daadwerkelijk gemaakte winsten en de uitkeringen in evenwicht waren.
Door toenemende concurrentie werd in de tweede helft van de zeventiende eeuw een aantal jaren geen dividend uitgekeerd. Na het uitbreken van de oorlog tegen Engeland en Frankrijk verkeerde de Compagnie in ernstige liquiditeitsproblemen. De VOC keerde daarom dividend uit in de vorm van onopeisbare obligaties. Dit bood de Compagnie de mogelijkheid om haar participanten tevreden te stellen zonder een (direct) beroep te doen op haar liquide middelen. De rentelast werd hierdoor wel aanzienlijk opgedreven, nu over de obligaties vier procent rente moest worden betaald. De VOC ging reeds gebukt onder een zware rentelast, doordat zij ter financiering van haar activiteiten in toenemende mate grote bedragen op de kapitaalmarkt leende. Na zeven jaar besloten de bewindvoerders daarom deze uitkeringspraktijk te beëindigen.
Vanaf 1710 werd gestreefd naar een stabilisatie van het jaarlijks dividend. Ondanks het feit dat de verkopen en winsten na 1730 afnamen, bracht het streven om het dividend op een constant niveau te houden de bewindhebbers ertoe grote uitkeringen te blijven doen. Dit ging echter ten koste van de evenwichtigheid tussen de werkelijk gemaakte winsten en de uitgekeerde dividenden.6 Uit de boekhouding van de Compagnie blijkt dat de bewindvoerders in deze periode ruim tien miljoen gulden meer hebben uitgekeerd dan de bedrijfsresultaten rechtvaardigden.7 Als motivering voor het dividendpercentage werd volstaan met de algemeen geformuleerde zinsnede: “welke oordelende naar de tegenwoordige gesteldheid der tijden en zaken zouden kunnen en behoren gedaan te worden”. In 1781 staakte de VOC de dividenduitkeringen en in maart 1798 werd zij ontbonden. De VOC liet een schuld achter van 134 miljoen gulden, die voor rekening werd gebracht van de Nederlandse staat.8