Regres bij concernfinanciering
Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/2.5.1:2.5.1 Maatstaven en rangorde
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/2.5.1
2.5.1 Maatstaven en rangorde
Documentgegevens:
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS588561:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wat een synoniem is voor de zinsnede uit art. 6:10 lid 1 BW: […] het gedeelte van de schuld […].
Parl. Gesch. Boek 6, p. 108.
Zie De Kok voor het oude recht. De Kok 1965, p. 113; Parl. Gesch. Boek 6, p. 108.
De Kok 1965, p. 126; Van Boom 1999, p. 96-97; Van Boom 2016, p. 128.
HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4206, JOR 2012/306, m.nt. Bergervoet (Janssen q.q./ JVS Beheer), r.o. 6.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De aanduidingen, ‘draagplicht’ en ‘aandeel in de schuld’1 zijn nauw met elkaar verbonden, maar zijn geen synoniem voor elkaar. Met draagplicht wordt bedoeld de verplichting die een hoofdelijke schuldenaar heeft om in zijn onderlinge rechtsverhouding met zijn hoofdelijke medeschuldenaren bij te dragen. De vaststelling dat een hoofdelijke schuldenaar ‘een’ aandeel in de schuld heeft, zonder dit aandeel te specificeren, is voldoende om draagplicht aan te nemen. De mate waarin een hoofdelijke schuldenaar vervolgens moet bijdragen, wordt bepaald door zijn ‘aandeel in de schuld’ in verhouding tot zijn medeschuldenaren. Hoe moet dit aandeel in de schuld worden geïdentificeerd en op welke wijze moet de omvang van dit aandeel bepaald worden?
Vaststelling van de draagplicht (de draagplicht an sich en de omvang van de draagplicht) gebeurt met behulp van wettelijke, jurisprudentiële of contractuele maatstaven. Een vaststaande uniforme maatstaf voor alle gevallen van regresaansprakelijkheid is niet te geven, de diversiteit aan casuïstiek is te groot. Dit is ook door de wetgever onderkend en met zoveel woorden te berde gebracht in de Toelichting Meijers.2 Daarom biedt de algemene regresbepaling van art. 6:10 BW ter vaststelling van de omvang van het regres van een hoofdelijke schuldenaar de containerformule: ‘het gedeelte van de schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat’. Deze formule moet haar betekenis vinden in het concrete geval en ingevuld worden door een casusafhankelijke maatstaf.3
Welke maatstaf heeft op welke concrete situatie betrekking? Dikwijls zal in een specifieke situatie meer dan één maatstaf van toepassing zijn en is er sprake van elkaar om toepassing beconcurrerende maatstaven. Dit hoeft geen probleem te zijn. Maatstaven kunnen in een rangorde worden geplaatst. Art. 6:10 e.v. BW zijn regelend recht, daarom moet eerst worden bekeken of de schuldenaren afspraken hebben gemaakt over de onderlinge draagplicht en als zodanig vorm hebben gegeven aan hun onderlinge rechtsverhouding. Is dit niet het geval dan wordt getracht om de onderlinge rechtsverhouding te duiden op grond van de wet4 of de aard van de overeenkomst. Bij het ontbreken van een heldere maatstaf voortvloeiend uit overeenkomst of wet, wordt de onderlinge rechtsverhouding ingekleurd op grond van andere rechtsfiguren, jurisprudentiële normen en rechtsbeginselen om tot een maatstaf te komen.5
De hiervoor beschreven rangorde komt onder andere tot uiting in de Toelichting Meijers bij art. 6.1.2.4.:
‘De grootte van ieders bijdrageplicht zal in de eerste plaats afhangen van hetgeen zij uitdrukkelijk zijn overeengekomen en van een eventuele onderlinge rechtsverhouding der schuldenaren, op grond waarvan zij zich gezamenlijk hebben verbonden […]. Is de schuld om baat aangegaan, dan is voorts van belang – en dit vooral, wanneer er tussen de schuldenaren geen andere band bestaat, dan het feit dat zij hoofdelijk medeschuldenaren zijn – in hoeverre de tegenwaarde van hun schuld ieder van hen ten goede is gekomen.’
Indien de partijbedoeling geen uitsluitsel geeft over de draagplichtverdeling en de wet hiertoe geen aanknopingspunten biedt, wordt in het Nederlandse rechtstelsel een draagplicht van gelijke delen verondersteld.6
Het onderscheid naar de bron van waaruit maatstaven voortvloeien, doet vermoeden dat er scherpe cesuren bestaan. Echter, eenzelfde maatstaf kan afhankelijk van de omstandigheden voortkomen uit verschillende type bronnen. Zo kan de maatstaf draagplicht voor gelijke delen voortkomen uit de wet7, bij rechtshandeling worden overeengekomen of voortvloeien uit rechtsbeginselen. Hetzelfde geldt in meer of mindere mate ook bij andere maatstaven.