Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.II.B.1
1. Algemeen
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS471302:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 2005/2006, nr. 101, p. 6241 (Ie kolom).
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 21. Zie tevens onderdelen C.3 en C.4 hierna.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, p. 5-6.
Besluit van 22 juni 1971 tot vaststelling van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer, Stb. 1971, 393. Hierna tevens: UBBR.
Zie hierover uitgebreid J.P.M. Stubbé, ‘Onwaarheden’, in: FBN 2007/7, alsmede J.P.M. Stubbé, ‘Vrijstelling voor overdrachtsbelasting eenvoudig te claimen, maar niet altijd te krijgen’, in: FBN 2007/30.
Ontleend aan: Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 2.1 bij : Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15.
O.g.v. art 42 lid 1IW ‘90. Zie tevens T.F.H. Reijnen, ‘De aansprakelijkheid van de notaris voor de overdrachtsbelasting’, JA Booij, ‘Aansprakelijkheid van de notaris voor overdrachtsbelasting op grond van artikel 42 IW’, in: FBN 2007/22, H.R. Bruggink, M.J. Sengers, ‘Overdrachtsbelasting en nog niet onder de Natuurschoonwet 1928 gerangschikte landgoederen’, in: FBN 2006/72, J.P. Sturm, ‘De aansprakelijkheid van de notaris voor de overdrachtsbelasting’, in: FBN 1996/57, alsmede onderdeel G7.C hierna
Zie tevens onderdeel 06 van dit hoofdstuk.
Zie Hof Amhem-Leeuwarden 17 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9636, waarover grenspost 1, hfdst. II, onderdeel G6.b, hfdst. III, onderdeel E.3, alsmede grenspost 2, hfdst. II, onderdelen B.3.d en 07.
Artikel 15, lid 1, onderdeel 1 van de Wet op belastingen van Rechtsverkeer bepaalde tot 1 januari 2007 als volgt:
“1. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging: (…)
I. krachtens de Ruilverkavelingswet 1954, de Reconstructiewet Midden-Delfland, de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën, de Landinrichtingswet, en de Reconstructiewet concentratiegebieden;"
In verband met de invoering van de WILG is in artikel 107 WILG een wijziging in de Wet op de belastingen van Rechtsverkeer opgenomen. De wijziging (aanvankelijk opgenomen in artikel 103, later gewijzigd in artikel 107 van het wetsvoorstel) bestond uit de toevoeging van de WILG aan het rijtje met wetten dat reeds in de tekst van artikel 15, lid 1, onderdeel I stond vermeld. In de Memorie van Toelichting wordt geen woord gewijd aan deze wetswijziging. Tijdens de parlementaire behandeling is kort stilgestaan bij de onderhavige wijziging. De minister spreekt de volgende woorden:
“In artikel 103 wordt geregeld dat de overdrachtsbelasting ook geldt voor inrichtingsprojecten op grond van de WILG, waar vrijwillige kavelruil ook onder valt. Wettelijk is daarmee de vrijstelling van overdrachtsbelasting geregeld voor alle grondoverdrachten in het kader van wettelijke landinrichting. De kavelruilovereenkomst valt hier ook onder, ook onder het regime van de WILG.”1
Afgezien van de gebruikte terminologie (vrijwillige kavelruil, wettelijke landinrichting) is de boodschap duidelijk: ook onder het WILG-regime is de vrijstelling van overdrachtsbelasting van artikel 15, lid 1, onderdeel 1, WBR integraal van toepassing op verkrijgingen krachtens landinrichting.
Bij deze uitspraak is het niet gebleven. In meergenoemde brief van de minister van LNV van 8 september 20062 is de Tweede Kamer door hem geïnformeerd over de uitkomst van een overleg met de KNB over (onder meer) de inhoud van de BILG. Ook de fiscale aspecten van de kavelruil zijn besproken. Met betrekking tot de vrijstelling van overdrachtsbelasting wordt door de minister het volgende gemeld:
“De in artikel 103 van het wetsvoorstel geregelde vrijstelling van overdrachtsbelasting geldt ook voor verkrijging van zaken op grond van een ruilverkavelingsovereenkomst, als deze voldoet aan de eisen van artikel 85 van het wetsvoorstel. De beoordeling van de toepasselijkheid van deze vrijstelling in een concreet geval geschiedt door de Belastingdienst. Om een soepel verloop bij de toepassing te verzekeren, zullen nadere afspraken worden gemaakt met de Belastingdienst.”3
Ook deze boodschap is in de basis helder: zodra een kavelruil voldoet aan de eisen van artikel 85 van de WILG, geldt de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel 1, WBR. Voor de verdere nuances (beoordeling door de Belastingdienst, fraus legis) zij verwezen naar onderdeel C hierna.
Op de vrijstelling moet, net als bij de overige vrijstellingen het geval is, een beroep worden gedaan. Dit moet bij voorkeur plaatsvinden bij het doen van de aangifte, maar kan, als gevolg van de afschaffing van artikel 3 Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer4 per 1 januari 20 07, 5 ook nog door middel van bezwaar tegen de eigen aangifte geschieden. Ook het achteraf alsnog claimen van een vrijstelling is per die datum mogelijk.6 Voor de kavelruil is het passeren van de notariële akte uiteraard het moment waarop de notaris namens partijen een beroep op de vrijstelling doet. De vrijstelling is niet aan (nadere) voorwaarden gebonden.
Gezien de hoofdelijke aansprakelijkheid van de notaris voor de overdrachtsbelasting7 staat het de notaris vrij om, ter verkrijging van zekerheid vooraf, de voorgenomen kavelruil, in overleg met cliënten, ter beoordeling voor te leggen aan de fiscus. In de notariële praktijk vindt dit ‘vooraf voorleggen’ dikwijls plaats. Naar mijn mening kan, gezien de hierna te bespreken beperkte speelruimte van de Belastingdienst bij de fiscale beoordeling van kavelruilen, het aantal voorgelegde casussen de komende jaren aanzienlijk dalen. Het notariaat zal op dit punt meer moeten uitgaan van eigen kracht8 Wel dient uiteraard te worden bedacht dat voor roekeloos en onzorgvuldig gedrag op dit terrein geen plaats is, gezien de grote financiële belangen die doorgaans gemoeid zijn bij een kavelruilproject en de fiscale dimensie daarvan. Voor de onvoorzichtige en fiscaal onvoldoende onderlegde notaris ligt bovendien de civielrechtelijke aansprakelijkheid op de loer.9