Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.2.3.2
12.2.3.2 Staatsaansprakelijkheid
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369748:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 3 december 1971, NJ 1972, 137 m.nt. Scholten (Hotel Jan Luyken).
Kamerstukken 24545, nr. 3 (MvT).
HR 3 december 1971, NJ 1972, 137 m.nt. Scholten (Hotel Jan Luyken).
HR 4 december 2012, NJ 2011, 131 m.nt. Vranken, JOR 2010/175 m.nt. Kortmann (NAI/ Groenewoud). Zie hierover I. van Giessen, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. Procesrecht. 1. Beginselen van burgerlijk procesrecht, Deventer: Kluwer 2015, par. 4.7.4, in het bijzonder nr. 130.
HvJEU 30 september 2003, C-224/01, Jur. 2003, p. I-10239 (Köbler). Zie daaroverR. Meijer, Köbler in de polder, MvV 2014, 10.
Een aansprakelijkheidsvordering tegen de Staat wegens onrechtmatige rechtspraak is een nagenoeg zinloze exercitie, tenzij de Hoge Raad door middel van zijn rechtspraak in strijd heeft gehandeld met EU- of verdragsrechtelijke verplichtingen.
De reden daarvoor is het oordeel van de Hoge Raad1 dat de wettelijke regelingen waarbij tegen rechterlijke beslissingen rechtsmiddelen ter beschikking worden gesteld of wordt bepaald dat daartegen geen rechtsmiddel is toegelaten, een uitputtende regeling vormen ten aanzien van de bescherming van belangen die voor partijen bij de verkrijging van een juiste beslissing zijn betrokken. De open norm van art. 6:162 BW valt buiten dit stelsel van rechtsmiddelen. Daardoor wordt voorkomen dat twee keer over de juistheid van een rechterlijke beslissing moet worden geprocedeerd, namelijk eerst naar aanleiding van de aanwending van een rechtsmiddel en daarna nog een keer in een procedure tegen de Staat op de voet van art. 6:162 BW.
Dat vond de Hoge Raad ten tijde van het desbetreffende arrest (1971) onwenselijk. Halverwege de jaren ’90 dachten de uitvoerende en wetgevende macht daarover (inmiddels) anders, in ieder geval als het ging om de schending van verdragsverplichtingen. Toen werd Nederland namelijk partij bij het Verdrag inzake het Energiehandvest. In de Memorie van Toelichting2 bij de ratificatiewet ten aanzien van dat verdrag staat genoteerd:
“Overigens heeft nog een uitgebreide discussie plaatsgevonden over de vraag of internationale arbitrage mogelijk zou zijn na nationale rechtspraak, dan wel of een keuze tussen één van beide gemaakt moet worden. […] Wat het Koninkrijk betreft geldt dat het bestaande verdragspraktijk is om de mogelijkheid van een nationale en internationale rechtsgang te bepleiten. Dit geeft het bedrijfsleven meer zekerheden om te gaan investeren, waardoor de kans op investeringen wordt vergroot. Het is nuttig dat er eerst een nationale rechtsgang mogelijk is. Het zal niet de moeite waard zijn om voor elke zaak meteen de weg van internationale arbitrage te kiezen. Voor menig (klein) probleem is het heel goed mogelijk om met de lokale rechtsgang tot een bevredigende oplossing te komen. De mogelijkheid van internationale arbitrage na de lokale rechtsgang heeft een nuttige «stok achter de deur»- functie. Het niet opgenomen zijn op de eerdergenoemde lijst betekent dat een buitenlandse investeerder bij een geschil met de Nederlandse overheid eerst de Nederlandse rechtsgang kan volgen. Hij kan daarna het geschil nog aan internationale arbitrage volgens de bepalingen van artikel 26 voorleggen.”
Kennelijk bestaat er op wetgeversniveau geen bezwaar meer tegen dubbel procederen over dezelfde kwestie, indien dat tot een betere rechtsbescherming leidt.
Ten tijde van het desbetreffende arrest uit 1971 zag de Hoge Raad slechts één uitzondering op het hierboven geformuleerde uitgangspunt dat de Staat niet aansprakelijk is voor onrechtmatige rechtspraak. Er moet sprake zijn van een veronachtzaming van een fundamenteel rechtsbeginsel bij de voorbereiding van de beslissing, zodat er van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak geen sprake is, en er daarnaast ook geen rechtsmiddel openstaat. De grondslag van deze uitzondering is art. 6 EVRM, aldus de Hoge Raad.3 In de literatuur discussie bestaat over de vraag of deze norm is opgerekt tot gevallen waarin de rechter opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld dan wel met kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt.4 Wat daar ook van zij: verhaal is beperkt tot gevallen die in de huidige Nederlandse rechtspraktijk niet of nauwelijks denkbaar zijn.
Voor zover de in 1971 aangenomen uitzondering al uitputtend was, is dat thans in ieder geval niet meer het geval. Er zijn tal van andere verdragsbepalingen op grond waarvan de Nederlandse Staat aansprakelijk kan zijn voor rechtspraak. Daarbij kan gedacht worden aan art. 1 EP en art. 41 EVRM dat recht geeft op een billijke genoegdoening, indien het nationale recht geen recht geeft op volledig herstel (waarover meer in par. 12.4.5.6). Daarnaast is Nederland partij bij een zeer groot aantal van investeringsverdragen, zoals het
Verdrag inzake het Energiehandvest, die verplichtingen opleggen aan de Staat. Deze verplichtingen gelden niet alleen voor de uitvoerende macht, maar ook voor de rechterlijke macht en kunnen dus evenzogoed door uitspraken van de rechterlijke macht worden geschonden. Dat leidt in voorkomende gevallen tot aansprakelijkheid op grond van een dergelijk verdrag.
Daarnaast is in de Köbler-uitspraak5 van het HvJEU uitgemaakt dat de Staat aansprakelijk moet zijn voor de schade die ontstaat uit een kennelijke schending van EU-recht in een rechterlijke beslissing van de hoogste nationale rechter.