Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/5.5.3
5.5.3 Constitutionele beperkingen van corrigerende interpretatie
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS357120:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 3, par. 3.5.2.
Omdat bij corrigerende interpretatie vanwege al verdisconteerde omstandigheden de geldigheid van wetgeving ter discussie wordt gesteld, kan hier echter niet worden gesproken over een met een billijkheiduitzondering vergelijkbare interpretatie.
HR 7 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0608, NJ 1997/361, m.nt. A.C. ‘t Hart.
HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2653, AA 2013/839, p. 839-845, m.nt. N. Rozemond (Tongzoen II). Het arrest wordt ook besproken in par. 5.2.1 en par. 5.2.2.
HR 22 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9650, NJ 1994/379 en HR 21 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1026, NJ 1998/781, m.nt. J. de Hullu (Tongzoen).
Als gezegd zijn er wel voorbeelden van interpretaties van de Hoge Raad die op gespannen voet staan met het materiële legaliteitsbeginsel (par. 5.5.1).
De voorbeelden worden ook genoemd in onder andere par. 5.5.3.
HR 30 oktober 1933, NJ 1933, p. 1692, m.nt. W.P.J. Pompe.
Bijv. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, NJ 2010/655, m.nt. N. Keijzer; HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4605, NJ 2013/264, m.nt. M.J. Borgers; HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6909, NJ 2013/265, m.nt. M.J. Borgers; HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266, m.nt. M.J. Borgers; HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3302, NJ 2013/453, m.nt. J.M. Reijntjes; HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515, m.nt. J.M. Reijntjes; HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75, m.nt. M.J. Borgers; HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2002, NJ 2014/77, m.nt. M.J. Borgers.
HR 29 februari 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB6305, NJ 1972/347, m.nt. C. Bronkhorst. Het hof gaat in op de wetsgeschiedenis.
HR 12 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0426, AA 2008/229, p. 229-236, m.nt. M.J. Borgers. Geciteerd is art. 12 lid 1 Natuurbeschermingswet (oud).
HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9368, NJ 2001/203, m.nt. J. de Hullu (Van Dijke); HR 9 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2776, NJ 2002/76, m.nt. J. de Hullu (Danslessen).
Het toenmalige art. 280 Sr (in 1983 is een tweede lid toegevoegd met een strafuitsluitingsgrond die in deze zaak van toepassing zou zijn geweest), HR 11 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB4463, NJ 1976/538, m.nt. Th.W. van Veen (JAC). Dit arrest komt ook aan de orde in hoofdstuk 1, par. 1.2 en hoofdstuk 3, par. 3.5.
HR 29 februari 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB6305, NJ 1972/347, m.nt. C. Bronkhorst. Qua interpretatie vergelijkbaar is HR 7 maart 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB4012, NJ 1972/348, m nt C Bronkhorst
HR 12 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0426, AA 2008/229, p. 229-236, m.nt. M.J. Borgers. Geciteerd is art. 12 lid 1 Natuurbeschermingswet (oud).
HR 30 oktober 1933, NJ 1933, p. 1692, m.nt. W.P.J. Pompe.
Bijv. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, NJ 2010/655, m.nt. N. Keijzer; HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4605, NJ 2013/264, m.nt. M.J. Borgers; HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6909, NJ 2013/265, m.nt. M.J. Borgers; HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266, m.nt. M.J. Borgers; HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3302, NJ 2013/453, m.nt. J.M. Reijntjes; HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515, m.nt. J.M. Reijntjes; HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75, m.nt. M.J. Borgers; HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2002, NJ 2014/77, m.nt. M.J. Borgers.
HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9368, NJ 2001/203, m.nt. J. de Hullu (Van Dijke); HR 9 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2776, NJ 2002/76, m.nt. J. de Hullu (Danslessen).
Het toenmalige art. 280 Sr (in 1983 is een tweede lid toegevoegd met een strafuitsluitingsgrond die in deze zaak van toepassing zou zijn geweest), HR 11 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB4463, NJ 1976/538, m.nt. Th.W. van Veen (JAC). Dit arrest komt ook aan de orde in hoofdstuk 1, par. 1.2 en hoofdstuk 3, par. 3.5.
HR 30 oktober 1933, NJ 1933, p. 1692, m.nt. W.P.J. Pompe.
Bijv. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, NJ 2010/655, m.nt. N. Keijzer; HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4605, NJ 2013/264, m.nt. M.J. Borgers; HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6909, NJ 2013/265, m.nt. M.J. Borgers; HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6910, NJ 2013/266, m.nt. M.J. Borgers; HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3302, NJ 2013/453, m.nt. J.M. Reijntjes; HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:150, NJ 2013/515, m.nt. J.M. Reijntjes; HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75, m.nt. M.J. Borgers; HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2002, NJ 2014/77, m.nt. M.J. Borgers.
HR 29 februari 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB6305, NJ 1972/347, m.nt. C. Bronkhorst. Het hof gaat in op de wetsgeschiedenis.
Conclusie P-G G.E. Langemeijer, ECLI:NL:PHR:1972:AB4012, en annotatie C. Bronkhorst, NJ 1972/348.
HR 12 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0426, AA 2008/229, p. 229-236, m.nt. M.J. Borgers. Geciteerd is art. 12 lid 1 Natuurbeschermingswet (oud).
HR 6 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9819, NJ 2001/498, m.nt. P.A.M. Mevis.
HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9368, NJ 2001/203, m.nt. J. de Hullu (Van Dijke); HR 9 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2776, NJ 2002/76, m.nt. J. de Hullu (Danslessen).
HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440, NJ 2010/655, m.nt. N. Keijzer, r.o. 2.4.1.
Par. 5.5.1.
HR 29 februari 1972, ECLI:NL:HR:1972:AB6305, NJ 1972/347, m.nt. C. Bronkhorst. Het hof gaat in op de wetsgeschiedenis.
Conclusie P-G G.E. Langemeijer, ECLI:NL:PHR:1972:AB4012, ook in die zin annotatie C. Bronkhorst, NJ 1972/348.
HR 1 maart 1915, NJ 1915, p. 663.
HR 7 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0608, NJ 1997/361, m.nt. A.C. ‘t Hart.
HR 27 november 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8615, NJ 1985/106, m.nt. Th.W. van Veen (Euthanasie Alkmaar). De zaak komt ook aan de orde in par. 5.3.1.
HR 27 juni 1932, NJ 1933, p. 60, m.nt. W.P.J. Pompe en HR 29 februari 1933, NJ 1933, p. 918, m.nt. B.M. Taverne. De zaak komt ook aan de orde in hoofdstuk 1, par. 1.1 en in par. 5.3.1.
Deze uitzondering wordt behandeld in par. 5.2.5.
HR 13 februari 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB4633, NJ 1974/68, m.nt. A.L. Melai.
Toch kwam de Hoge Raad twee jaar later zelf met een oplossing, niet door interpretatie, maar door een uitzondering op art. 408 Sv vanwege ‘bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn’ (HR 18 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:ZB0159, NJ 1976/502, dat wordt besproken in par. 5.3.6, a).
Eerder werden de constitutionele beperkingen van corrigerende interpretatie aan de orde gesteld.1
Ten eerste zijn de resultaten van corrigerende interpretatie vergelijkbaar met een billijkheidsuitzondering, waardoor dezelfde constitutionele beperkingen moeten gelden. Dat betekent dat corrigerende interpretatie van de formele wet slechts toegestaan is vanwege door de wetgever niet-verdisconteerde omstandigheden; bij lagere wetgeving geldt die eis niet, maar moet bij reeds verdisconteerde omstandigheden ook met corrigerende interpretatie2 terughoudendheid worden betracht. Voor corrigerende interpretatie conform een eenieder verbindende verdragsbepaling gelden minder beperkingen: ook bij verdisconteerde omstandigheden mag zonder terughoudendheid corrigerend worden geïnterpreteerd. In het strafrecht stelt de Hoge Raad deze constitutionele eisen niet uitdrukkelijk, maar zij worden ook niet (duidelijk) overschreden. In geen van de bovengenoemde gevallen waarin niet-verdisconteerde omstandigheden zijn vereist, ontbraken die evident.
Keuzes van de Hoge Raad om in andere zaken niet corrigerend te interpreteren kunnen zijn ingegeven (niet alleen door het legaliteitsbeginsel, maar ook) door deze constitutionele beperkingen.
De vernietiging van een veroordeling van een verdachte voor ‘plegen van ontucht met zijn minderjarig stiefkind’ omdat de verdachte niet was getrouwd met de moeder, motiveerde de Hoge Raad met de stelling dat een dergelijke extensieve uitleg zijn rechtsvormende taak te buiten ging.3 Het zou niet de bedoeling van de wetgever zijn dat de verdachte op deze grond strafbaar was. Aangenomen mag dan ook worden dat dit een geval was waarvoor de strafbepaling juist was opgesteld.
In sommige gevallen is het vermoeden dat de constitutionele beperkingen zijn overschreden wat lastiger weerlegbaar.
De Hoge Raad legde in Tongzoen II het ‘seksueel binnendringen van het lichaam’ in artikel 242 Sr zo uit dat hieronder een gedwongen tongzoen niet viel.4 De wetsgeschiedenis gebruikte hij in oudere jurisprudentie juist als argument om dergelijke gevallen wél te kwalificeren als verkrachting.5 In die wetsgeschiedenis wordt echter niet het geval van de gedwongen tongzoen genoemd. Dat kan volgens mij dan ook worden beschouwd als niet-verdisconteerd, waardoor de constitutionele eisen in Tongzoen II zijn gewaarborgd.
Er zijn geen voorbeelden van corrigerende interpretaties van de Hoge Raad aangetroffen waarin de grenzen duidelijk zijn overschreden.6
Ten tweede is gekunsteldheid een contra-indicatie voor corrigerende interpretaties. Als een interpretatie te ver afwijkt van de betekenis van een voorschrift in het normale spraakgebruik, heeft in beginsel een uitzondering de voorkeur. Verschillende van de genoemde voorbeelden van corrigerende interpretaties beschouw ik als gekunsteld: er wordt erg ver afgeweken van de normale betekenis van de bewoordingen van de strafbepalingen.7
Pinda’s zijn volgens het normale spraakgebruik geen banket;8 iemand die een voorwerp voor handen heeft afkomstig uit een door hemzelf begaan misdrijf, heeft tekstueel gezien een voorwerp dat afkomstig is uit enig misdrijf;9 gedroogde toppen van de cannabisplant zijn geen ongedroogde toppen;10 het weglaten van één van de wettelijke voorwaarden voor strafbaarheid is niet overeen te brengen met de wettekst;11 en een uitlating is in het normale spraakgebruik niet minder beledigend als die met een godsdienstig motief wordt gedaan.12
Denk ook aan de zaak van de hulpverlener die een weggelopen minderjarige ‘aan de nasporing van de politie zou hebben onttrokken’.13 Volgens de Hoge Raad viel het weghouden van een minderjarige bij haar ouders en de politie hier niet onder omdat de hulpverlener naar eer en geweten had gehandeld. Door de billijkheidsuitzondering van het hof was deze gekunstelde uitleg voorkomen. Het hof had omw aangenomen: de verdachte had gehandeld ter behartiging van het rechtsbelang dat de strafbepaling beoogde te beschermen (het herstel van de verhouding tussen ouders en kinderen) en was opgetreden als een goed hulpverlener. De Hoge Raad las dit alsof het hof de strafbepaling zo had geïnterpreteerd dat het bestanddeel ‘onttrokken aan de nasporingen van de politie’ niet bewezen was. Onduidelijk is waarom de Hoge Raad deze interpretatie koos, terwijl die in strijd was met het normale spraakgebruik.
Gekunstelde corrigerende interpretaties moeten volgens mij in beginsel worden voorkomen, omdat het onverdedigbaar is dat de woorden van een wettelijk voorschrift feitelijk geen waarde hebben. Dat is het belangrijkst bij interpretaties ten nadele van verdachten, vanwege het legaliteitsbeginsel. Eerder bleek echter al dat de Hoge Raad deze spanning met het beginsel soms accepteert.
Verschillende van de genoemde gekunstelde corrigerende interpretaties van de Hoge Raad waren nadelig voor verdachten. Iemand die naar de tekst van de Opiumwet niet strafbaar was, werd dat door een extensieve uitleg wel;14 en iemand wiens handeling niet schadelijk was voor het natuurschoon, terwijl dit volgens de wet een voorwaarde was voor strafbaarheid, was volgens de Hoge Raad toch strafbaar.15
Ook voor corrigerende interpretaties ten voordele acht ik gekunsteldheid nog steeds een contra-indicatie.
Dat pinda’s werden beschouwd als ‘banket’,16 dat het bezit van een voorwerp afkomstig uit een door hemzelf begaan misdrijf niet werd gekwalificeerd als witwassen,17 dat uitlatingen gemotiveerd door de godsdienst- en de uitingsvrijheid niet werden beschouwd als ‘beledigend’,18 en dat het naar eer en geweten helpen van een weggelopen minderjarige niet viel onder het ‘aan de nasporingen van de politie onttrekken’,19 maakten dat verdachten vrijuit gingen.
De keuze van de Hoge Raad voor gekunstelde interpretaties ten nadele én ten voordele lijkt steeds ingegeven door de bedoeling van de wetgever en/of de strekking van de regeling.
Pinda’s waren ‘banket’ vanwege het doel van de wet en omdat deze noodzakelijkerwijs algemeen geformuleerd was.20 De restrictieve uitleg van witwassen was mede ingegeven door de wetsgeschiedenis.21 De ‘redelijke uitleg- ging’ van de Opiumwet die een extensieve interpretatie opleverde waarbij werd afgeweken van de wettekst22 was te verklaren doordat de wetgever geen straffeloosheid had bedoeld; hij had het geval niet voorzien.23 Dat een voorschrift waarvan de tekst voor strafbaarheid strijdigheid met een vergunning én schadelijkheid voor het natuurschoon eiste zo werd uitgelegd dat die laatste eis niet gold, was ingegeven door de wetsgeschiedenis en de strekking van de wet.24 Een extensieve uitleg van een bepaling over het afleveren van vuurwerk waardoor een verdachte in strijd met de wettekst strafbaar was, werd gekozen omdat er anders een ‘door de wetgever niet beoogd veiligheidsrisico’ zou ontstaan.25 De uitleg dat van een ‘belediging’ in de zin van de artikelen 137c, 266 en 267 Sr geen sprake was vanwege de godsdienst- en de uitingsvrijheid, was verdragsconform, en mocht dus zonder terughoudendheid worden aangenomen.26
In theorie kan de bedoeling van de wetgever een gekunstelde interpretatie rechtvaardigen. Daarvoor gelden vanwege het belang gekunstelde interpretaties te voorkomen echter strenge eisen. De rechter moet van oordeel zijn dat de wetgever nooit had gewild dat een voorschrift tekstueel zou worden uitgelegd, en dient dit oordeel correct en voldoende te motiveren. Aan die eisen voldoet de Hoge Raad volgens mij niet altijd.
Bij de restrictieve uitleg van ‘witwassen’ overwoog de Hoge Raad zelf al dat de wetsgeschiedenis niet per se tot deze uitleg dwong.27 Nu de Hoge Raad niet van oordeel was dat de wetgever nooit had gewild dat de strafbepaling tekstueel zou worden uitgelegd, acht ik de gekunstelde uitleg niet gerechtvaardigd.
De eisen zijn nog strenger als de gekunstelde interpretatie het legaliteitsbeginsel schendt. Het is dan ook niet wenselijk dat de Hoge Raad dergelijke interpretaties accepteert, zoals al werd gesteld.28
De ‘redelijke uitlegging’ van de Opiumwet waarbij werd afgeweken van de wettekst,29 verklaarde de Hoge Raad door een verwijzing naar de strekking van de strafbepaling, de memorie van toelichting en een andere bepaling uit de wet. De procureur-generaal bij de Hoge Raad achtte de uitleg verdedigbaar omdat de wetgever niet had voorzien dat hasjiesj ook kon worden geproduceerd uit hars verkregen uit de ongedroogde toppen van de cannabisplant, en dat hij het alleen daarom niet strafbaar had gesteld.30 Ik vind deze uitleg te ver gaan. Deze gekunstelde uitleg was voor de verdachte niet per se voorzienbaar en in zijn nadeel en stond daarom op gespannen voet met het legaliteitsbeginsel. Ik acht de bedoeling van de wetgever niet zwaarwegend genoeg om deze uitleg te rechtvaardigen.
De Hoge Raad dient, vind ik, de motivering van keuzes voor een gekunstelde interpretatie te verbeteren. Doorgaans blijkt namelijk onvoldoende waarom de Hoge Raad díe uitleg de juiste acht – en andere interpretaties niet.
De strafkamer van de Hoge Raad keurt gekunstelde corrigerende interpretaties ook wel eens af. Argumenten kunnen zijn het legaliteitsbeginsel, het verwaarlozen van de constitutionele beperkingen, dat de uitleg niet overeenkomstig de bedoeling van de wetgever is, en dat de wetgever volgens de Hoge Raad het bereik van het voorschrift in de regel tekstueel had willen laten bepalen.
De Hoge Raad interpreteerde bijvoorbeeld niet corrigerend in het Begrafeniswetarrest waarin was vervolgd wegens het cremeren van een lijk.31 Het OM leidde de strafbaarheid daarvan af uit een voorschrift dat bepaalde dat elke overleden persoon zou worden begraven, hoewel daarin geen expliciet crematieverbod was neergelegd. De Hoge Raad liet echter de straffeloosheid in stand omdat het bewezenverklaarde niet gekwalificeerd kon worden als strafbaar feit: ‘een uitdrukkelijk verbod van verbranden [werd] niet [...] aangetroffen’, en het was ‘in strafzaken zeker niet geoorloofd’ om uit een gebod om te zorgen voor het begraven van een overledene een algemeen verbod af te leiden om een lijk een andere behandeling te doen ondergaan, ‘en dan de strafbepaling op niet-naleving van het gebod tevens toepasselijk te verklaren op de overtreding van het daaruit afgeleide verbod’. Dit vertaal ik in de overweging dat deze uitleg van de strafbepaling te gekunsteld zou zijn. Die gekunsteldheid was, ook volgens de Hoge Raad, weliswaar terug te voeren op de bedoeling van de wetgever, die zich ‘bij de samenstelling der Begrafeniswet […] heeft gesteld op het standpunt, dat lijkverbranding niet zou zijn geoorloofd’, maar dat was niet doorslaggevend. Deze interpretatie zou dan ook nadelig voor de verdachte zijn, waardoor gekunsteldheid vanwege het legaliteitsbeginsel nog minder snel gerechtvaardigd is.
In de genoemde zaak waarin een verdachte niet werd veroordeeld voor ‘ontucht met zijn minderjarig stiefkind’ (art. 249 Sr), omdat hij niet getrouwd was met de moeder, zou een extensieve (en volgens mij gekunstelde) uitleg van de strafbepaling volgens de Hoge Raad niet in overeenstemming zijn met de bedoeling van de wetgever.32 Aangenomen mag worden dat de bepaling juist in gevallen als deze het bereik van de strafbaarheid beoogde te beperken, waardoor een andere uitleg niet overeenkomstig de constitutionele eis zou zijn. Ook het legaliteitsbeginsel was mogelijk bepalend.
In een andere zaak had een huisarts een 95-jarige patiënte door euthanasie doen overlijden.33 Hij was door het hof veroordeeld voor overtreding van het toenmalige artikel 293 Sr: hij had ‘een ander op zijn uitdrukkelijk en ernstig verlangen van het leven beroofd’. Volgens de verdediging had de term ‘levensberoving’ zo moeten worden uitgelegd dat daaronder ‘niet valt een door een arts in het kader van zorgvuldig medisch handelen op grond van duurzaam lijden toegepaste levensbeëindiging’. De Hoge Raad overwoog echter dat ‘beroven’ gezien de bewoordingen en strekking van de strafbepaling, de wetsgeschiedenis en maatschappelijke opvattingen, de betekenis had van ‘benemen’. Dat de arts mogelijk medisch zorgvuldig had gehandeld, kon wél worden meegewogen bij een beslissing over een uitzondering op grond van noodtoestand.
In Veearts was ten laste gelegd dat de verdachte ‘opzettelijk vee in verdachte toestand had gebracht’ door zieke koeien met elkaar in contact te brengen.34 Gezien die formulering lag het niet voor de hand om de tenlastelegging zo uit te leggen dat de wederrechtelijkheid van de handeling was vereist voor een bewezenverklaring. Dat deed de rechter dan ook niet: hij aanvaardde een billijkheidsuitzondering (vanwege omw).
In een strafprocesrechtelijk voorbeeld uit de tijd voordat de Hoge Raad uitzonderingen op rechtsmiddeltermijnen accepteerde,35 oordeelde hij dat hij niet door interpretatie tot een vergelijkbare, billijke beslissing kon komen.36 De termijn bepaalt dat ‘het hoger beroep […] binnen veertien dagen na de einduitspraak [moet] worden ingesteld indien […] de dagvaarding […] aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend’. De wetgever beoogde weliswaar dat de verdachte ‘van de mogelijkheid van verweer in hoger beroep ook werkelijk gebruik [zou] kunnen maken’, maar hij had daarvoor geen wettelijke waarborgen opgenomen, en het aanvullen van waarborgen was de taak van de wetgever. De woorden van de wet waren duidelijk en lieten volgens de Hoge Raad een andere uitleg niet toe.37
Kortom. De Hoge Raad besteedt geen expliciete aandacht aan constitutionele beperkingen van corrigerende interpretaties. De constitutionele eisen (anders dan het materiële legaliteitsbeginsel) overschrijdt hij echter niet. Wel zijn verschillende voorbeelden gevonden van gekunstelde corrigerende interpretaties. In verschillende daarvan was niet voldaan aan de strenge eisen die gekunsteldheid volgens mij kunnen rechtvaardigen – zeker ook omdat verschillende op gespannen voet stonden met het materiële legaliteitsbeginsel. Daarnaast zouden gekunstelde interpretaties beter gemotiveerd moeten worden: waarom kiest de Hoge Raad juist díe? Het belang daarvan is des te groter omdat de Hoge Raad gekunstelde corrigerende interpretaties ook wel eens afkeurt.