Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/5.4.4
5.4.4 Commentaar in de literatuur
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS615651:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
A.G. Lubbers, Overzicht der Nederlandse Rechtspraak, Erfrecht, WPNR 5417 (1977).
W.G. de Vries, De pachter/mede-erfgenaam, WPNR 5395 (1977).
W.M. Kleijn, De bedrijfsovergang tegen de waarde in verpachte staat of tegen balanswaarde, JBN 1995, nr. 43.
T.J. Mellema-Kranenburg, Scheiding en deling verpachte boerderij, JBN 1995, nr. 43; T.J. Mellema-Kranenburg, De legitieme portie (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1988, p. 117-119.
Zie N.C.G. Gubbels, M.J. Hoogeveen, Overdracht van de onderneming en schenking (1) (2), Beschouwing naar aanleiding van HR 13 februari 2004, WFR 2005/6615 en 6616; N. Idsinga, Wel of geen meerwaardeclausule en het schenkingsbegrip, WPNR 6632 (20 05); R.T.G. Verstraaten, Overdracht en vererving van de onderneming, meerwaardeclausule en de Successiewet, Kwartaalbericht Estate Planning 2005/4.
Zie hoofdstuk 7, § 5, waarin ik hierop kort terugkom. Voor het waarde-onderzoek in deze proeve, is deze discussie als zodanig niet van belang.
B.F. Preller, Hoge Raad spreekt zich uit over de agrarische waarde, JBN 2004, nr. 57. Het voor de onderhavige problematiek relevante onderscheid tussen een bedrijfsopvolging na een koop en tengevolge van de afwikkeling van een maatschap wordt door Kleijn – naar mijn mening ten onrechte – buiten beschouwing gelaten bij zijn ‘vergelijking’ van het arrest van Hof Leeuwarden van 13 januari 2006 (zie hoofdstuk 7, § 4.3) en het thans aan de orde zijnde arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2004. W.M. Kleijn, Nog geen rust in het bedrijfsovernamegebied, JBN 2006, nr. 12.
T.J. Mellema-Kranenburg, Waarderingsmaatstaven bij bedrijfsopvolging, WPNR 6647 (2005). Zie ook T.J. Mellema-Kranenburg, Schending legitieme portie door verkoop landbouwbedrijf tegen te lage prijs, JBN 2005, nr. 7.
De pachtregeling is per 1 september 2007 te vinden in art. 7:311 e.v. BW; de Pachtwet is per die datum vervallen.
Enkele van de in paragraaf 4.2 belichte arresten zijn in de literatuur expliciet van commentaar voorzien. Voor zover dienstig voor de analyse van de erfrechtelijke ‘waardejurisprudentie’ zal ik dit in deze paragraaf aan de orde stellen.
Lubbers staat in zijn rechtspraakoverzicht (Erfrecht) kort stil bij Erven Van Bijnen.1 Anders dan de Hoge Raad in dit arrest besliste, geeft Lubbers de voorkeur aan het verdelen op basis van een waarde, waarbij de uitersten worden gevormd door de waarde in vrije opleverbare staat en de waarde in verpachte staat, waarbinnen ‘een redelijke prijs te vinden moet zijn, die aan de omstandigheden recht doen wedervaren’. Lubbers volgt Kleijn, die in zijn noot onder het arrest wees op het aspect van de totale verhouding tussen de deelgenoten en de invloed van alle daarbij van belang zijnde factoren, in welk kader Lubbers als belangrijkste factor aanmerkt dat het in de casus van het arrest om een oorspronkelijk onverpachte boerderij ging, die eerst na overlijden van de moeder ‘in de onverdeeldheid’ aan enkele kinderen werd verpacht.
De Vries heeft dezelfde voorkeur als Lubbers voor het bepalen van een verdelingswaarde voor de toedeling aan een pachter/mede-erfgenaam (een gemiddelde tussen de waarde ‘verpacht’ en ‘onverpacht’).2 De Vries maakt in zijn aantekening bij het arrest een onderscheid tussen de positie als pachter en als mede-erfgenaam. De pachter heeft geen mogelijkheden om een eigendomsverkrijging af te dwingen; hij moet wachten op een vervreemding door de verpachter om zijn voorkeursrecht te kunnen uitoefenen. Als erfgenaam kan de toedeling wellicht op grond van de redelijkheid en billijkheid worden afgedwongen. De koopprijs bij uitoefening van bedoeld voorkeursrecht wordt volgens De Vries doorgaans op de ‘waarde verpacht’ vastgesteld. Deze waarde dient volgens hem niet zonder meer ook voor een verdeling te gelden.
De Vries schrijft:
‘Ook de vraag voor welke waarde dan de toedeling aan de pachter/mede-erfgenaam moet geschieden, behoort dan met inachtneming van de goede trouw beantwoord te worden. En juist als het betreft familieverhoudingen, juist wanneer de ouderlijke boerderij aan een kind verpacht werd, kan er reden zijn om op grond van de goede trouw te oordelen, dat die toedeling moet geschieden voor een waarde hoger dan de waarde “verpacht”. Dat behoeft ook weer niet te betekenen, dat het voor de waarde “vrij van pacht” moet geschieden. De goede trouw behoort volledig bepalend te zijn. Er moet, zo zegt de Hoge Raad, worden gewaardeerd met inachtneming van de voor die onroerende goederen van kracht zijnde pachtovereenkomst.’
Door de pachtovereenkomst is een vermogenswaarde op de pachter(s) overgegaan, zo overwoog de Hoge Raad in Erven Van Bijnen. De verdeling werd op de waarde in verpachte staat gebaseerd, nu deze waarde, bestaande uit het verschil tussen de waarde in vrije opleverbare en in verpachte staat, niet meer tot de boedel behoorde. In het midden bleef de ‘titel’ voor de overgang van deze waarde.
Die titel kwam wel ter sprake in Erven Oerlemans; een verpachting – ook tegen een normale pachtprijs – kan volgens de Hoge Raad een bevoordeling – en dus een gift – inhouden. Volgens Kleijn geldt hetzelfde ‘á fortiori voor een overgang in onverpachte eigendom tegen de waarde in verpachte staat in het kader van een gewone overdracht of van een gefaseerde overdracht via een maatschap of firma’.3 Het hangt volgens hem van allerlei omstandigheden af of gesproken kan worden van de voldoening aan een natuurlijke verbintenis dan wel van een bevoordelingsbedoeling (gift). Mellema-Kranenburg merkt naar aanleiding van dit arrest op dat zij bij bedrijfsopvolging in agrarische sferen niet al te snel een bevoordelingsbedoeling zou willen aannemen. Volgens haar dient bij de waardering van een bedrijf in de agrarische sector van een lagere waarde dan de waarde in het economische verkeer te worden uitgegaan.4
HR 13 februari 2004 heeft – in vergelijking met andere waardejurisprudentie – relatief veel ‘toetsenborden’ in beweging gebracht. De meeste aandacht ging daarbij uit naar de mogelijke fiscale implicaties van dit arrest, oftewel naar de vraag of, ondanks het feit dat de opvolging op basis van de agrarische waarde van de onderneming volgens de Hoge Raad in casu voor de legitieme-regeling geen gift opleverde, niettemin sprake was van een – belastbare – gift in de zin van de SW.5 Volgens Gubbels en Hoogeveen hoeft het giftbegrip van deze wet niet per definitie hetzelfde te worden ingevuld als in het civiele recht; doel en strekking kunnen om een eigen invulling vragen. Idsinga en Verstraaten gaan voor de vraag of sprake is van een belastbaar feit op grond van de SW uit van het civielrechtelijke giftbegrip. Ik laat deze – fiscale – kwestie thans rusten.6
Preller gaat – uitsluitend – op de civielrechtelijke kanten van het arrest in, na te hebben vastgesteld dat de Hoge Raad zich in dit arrest voor de eerste maal heeft uitgesproken over de mogelijkheden van toepassing van de agrarische waarde als maatstaf van waardering bij bedrijfsoverdracht binnen familieverband in de agrarische sector, waarbij het gaat om de vraag of in het hanteren van deze norm een gift gelegen kan zijn.7 In zijn commentaar op het arrest legt hij een verband tussen de twee ‘elementen’ in de uitspraak van de Hoge Raad, te weten de rol van de redelijkheid en billijkheid bij de waardering op agrarische waarde en de vraag of het niet-bedingen van een meerwaardeclausule een gift kan inhouden. Preller vraagt zich namelijk af of het gebruik van de agrarische waarde kan worden verdedigd zonder dat bij de bedrijfsoverdracht een meerwaardeclausule wordt bedongen. Zijns inziens kunnen de redelijkheid en billijkheid een grond opleveren voor de toepassing van de agrarische waarde, maar er eveneens toe verplichten om voorzieningen te treffen die waarborgen dat het door de niet-opvolgers gebrachte ‘waarderingsoffer’ achteraf zonder redelijke grond blijkt te zijn geweest. Volgens hem is daartoe een meerwaardeclausule een ‘onmisbaar en alom gebruikelijk instrument’.
Mellema-Kranenburg bespreekt het arrest van 13 februari 2004 tezamen met Hof ’s-Gravenhage 4 augustus 2004.8 Volgens haar dient bij een bedrijfsopvolging een zakelijke benadering voorop te staan, en zal een prijs op basis van de waarde in het economische verkeer uitgangspunt dienen te zijn. Er zijn evenwel twee argumenten om daarvan af te wijken:
de wet geeft een andere benadering; Mellema-Kranenburg noemt als voorbeeld de pachtregeling en art. 4:38 BW;9
de jurisprudentie geeft een andere benadering.
Voor het tweede argument verwijst zij ten eerste naar HR 13 februari 2004, om te concluderen dat dit arrest, waarin enerzijds de vennootschapsovereenkomst en anderzijds de redelijkheid en billijkheid tussen de deelgenoten van belang is, de bestaande praktijk bevestigt.
Ten tweede verwijst zij naar Hof ’s-Gravenhage 4 augustus 2004, en concludeert dat het Hof de waarderingsproblematiek eveneens van twee kanten benadert; enerzijds vanuit de rechtssfeer tussen partijen die in een contractuele relatie staan (tussen de ondernemer en de opvolger bestond een maatschap) en anderzijds vanuit de rechtssfeer tussen de deelgenoten in een gemeenschap.
Een mogelijke verklaring voor het verschil in beide uitspraken is volgens Mellema-Kranenburg gelegen in het feit dat de opvolger in de ‘Haagse casus’ geen mogelijkheid had om op grond van de maatschapsakte een opvolging voor de agrarische waarde te vorderen. Voorts was opvallend dat het Hof overweegt dat de betreffende onderneming al jaren verliesgevend was en een rendabele exploitatie niet meer tot de mogelijkheden behoort. Volgens Mellema-Kranenburg past het in een dergelijke situatie kennelijk niet om de niet (zakelijk) bekwame opvolger ten koste van de legitimarissen te belonen.
Naar aanleiding van de door haar besproken jurisprudentie, concludeert Mellema-Kranenburg het volgende:
Deze jurisprudentie heeft ook betekenis buiten de agrarische sector.
De uitspraak geldt ook voor een in een ander samenwerkingsverband, dan een maatschap of vennootschap onder firma waarvan in casu sprake was, uitgeoefende onderneming. Zij tekent daarbij aan dat met het toenemen van de omvang van een onderneming de rechtssfeer van de contractuele relatie vanwege doorgaans meer gedetailleerde opvolgingsregelingen, in vergelijking met de rechtssfeer van de gemeenschap, een belangrijker plaats inneemt.
Er zijn geen wezenlijke verschillen tussen een overdracht, een schenking of een vererving van een onderneming; het gaat erom of er omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de opvolger verkrijgt voor een andere waarde dan de waarde in het economische verkeer.
Zij sluit haar artikel als volgt af:
‘(…) bepalend voor de waardering zal de rechtssfeer zijn waarin de overdracht van de onderneming zich bevindt. Wat dat betreft is er dus niets veranderd sinds Van Mourik zijn artikel over waarde in het privaatrecht schreef in 1979. Maar mijns inziens hoeft dat ook niet. Waardering blijft en dient afhankelijk te zijn van de omstandigheden van het geval. De redelijkheid daarvan zal doorslaggevend zijn voor de opvolgingskansen van de bedrijfsopvolger.’