Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/3.3.1
3.3.1 Algemeen
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS353817:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In dit verband schrijft Noll: 'Eine geniale Erfindung ist die Weiterführung dieser Rationalisierung im metrischen System, in welchem alle Mafie und Gewichte auf zwei Einheiten reduziert werden können, namlich den Erdumfang und das Wasser.', Noll, Gesetzgebungslehre 1973, p. 206.
Woldendorp, Interview 2011, bijl. 5.1, par. 6.1.
Noll, Gesetzgebungslehre 1973, p. 211.
Aanwijzing 54 van de Aanwijzingen voor de regelgeving bepaalt dat het normale spraakgebruik zoveel mogelijk moet worden gevolgd. Aanwijzing 121 bepaalt dat termen die een te weinig bepaalde of van het spraakgebruik afwijkende betekenis hebben, worden gedefinieerd. Zie in dit verband ook par. 3.2.6.2.
Art. 1 Wegenverkeerswet 1994.
Art. 1.1 lid 1 Wm.
Art. 1.1 lid 1 Wabo.
Zie onder meer ABRvS 19 juli 2006, AB 2006, 305 (erfverharding is geen constructie dus geen bouwwerk), ABRvS 11 maart 1999, BR 1999, p. 789 (het schilderen van een gevel is geen bouwen), ABRvS 19 juni 2002, AB 2002, 376 (stucen van een gevel is bouwen; omdat de bouwkundige staat van de gevel als gevolg van het stucen werd gewijzigd, was sprake van een constructieve voorziening) en ABRvS 4 april 2007, BR 2007, p. 596 (op grasveld geplaatste vrachtwagen is bouwwerk). Zie ook Nijmeijer/Hillegers & Lam, Bouwen en ontwikkelen met de Wabo 2010, p. 15-17.
Drupsteen, Interview 2012, bijl. 5.8, par. 3.1.
Konijnenbelt, Wetgevingskwaliteit in Frankrijk 2000, p. 242-243.
Hiervoor heb ik betoogd dat een wetssysteem moet worden bepaald door samenhangcriteria die de wetgever niet moet zoeken binnen de wereld van het omgevingsrecht, maar daarbuiten, in de echte werkelijkheid zoals gebruikers van het omgevingsrecht die ervaren en zonder specialistische juridische voorkennis begrijpen. De vraag is echter wat in de echte werkelijkheid onderling zodanig samenhangt dat het kan dienen als samenhangcriterium voor wetssystemen in het omgevingsrecht. Om een antwoord op deze vraag te geven heb ik gezocht naar zo eenvoudig mogelijke samenhangen. Het is immers logisch te veronderstellen dat eenvoudige samenhangen eerder kunnen leiden tot een eenvoudig wetssysteem dat de kenbaarheid en probleemgeoriënteerdheid van het omgevingsrecht ten goede komt.1 Ook Woldendorp adviseert vanuit zijn ervaring als wetgevingsjurist om eenvoudig te beginnen: "Een gemakkelijk begin wordt altijd moeilijker, maar een moeilijk begin wordt nooit gemakkelijk. Dus begin niet meteen moeilijk te doen, want dan wordt het alleen nóg moeilijker."2
Als we de in omgevingswetten te reguleren echte werkelijkheid heel eenvoudig weergeven, dan bestaat die volgens mij uit subjecten, objecten, activiteiten en de fysieke leefomgeving. In meer juridische termen en toegespitst op dit onderzoek gaat het dan in geval van subjecten om (rechts)personen. Onder objecten kan een veelheid van in de werkelijkheid voorkomende verschijnselen worden begrepen, zoals producten, inrichtingen en stoffen. De vier genoemde categorieën van in de echte werkelijkheid voorkomende samenhangen zullen in de paragrafen 3.3.2 tot en met 3.3.5 nader worden toegelicht.
Teneinde de kenbaarheid en de probleemgeoriënteerdheid van een wets-systeem te optimaliseren, moeten zakelijke systeemordeningscriteria dan wel aansluiten bij wat in het algemeen spraakgebruik door de gebruikers van het omgevingsrecht ook zonder specialistische juridische voorkennis als onderdeel van hun werkelijkheid wordt ervaren.3,4 Dat is helaas niet altijd het geval, zoals de hierna te noemen voorbeelden laten zien.
Zo dient de bestuurder van wat in het normale spraakgebruik een auto heet de regels die daarop van toepassing zijn te zoeken in de categorie motorrijtuigen: alle voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het voertuig zelf aanwezig dan wel door elektrische tractie met stroomtoevoer van elders, met uitzondering van fietsen met trapondersteuning.5 Een wetssysteem waarin de echte werkelijkheid van de auto wordt omschreven met een door de gebruiker niet als zodanig ervaren begrip motorrijtuig zal voor die gebruiker niet aanstonds en zonder voorkennis kenbaar zijn. Persoonlijk heb ik nooit iemand horen zeggen: "Kijk daar eens, dat is een mooi motorrijtuig!" of "Morgen ga ik een fiets met trapondersteuning kopen."
Een voorbeeld van een zakelijk systeemordeningscriterium dat niet aansluit bij de door gebruikers van het omgevingsrecht ervaren werkelijkheid, is het begrip inrichting in de Wet milieubeheer. Onder een inrichting wordt verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.6 Het begrip inrichting zal - hoewel het ruimer is - door ondernemers vaak worden gezien als een synoniem voor een bedrijf of onderneming.
Deze laatste twee begrippen sluiten wel aan bij het normale spraakgebruik van ondernemers en burgers. Onder het begrip inrichting zullen gebruikers van het omgevingsrecht slechts met de noodzakelijke specialistische juridische voorkennis een bedrijf of onderneming verstaan. Stel dat een advertentie in een gemeentelijk verschijnend blad slechts zou laten weten dat er een aanvraag is binnengekomen om op een bepaalde plek in een dorp een inrichting te bouwen. Hoewel ik daarnaar geen onderzoek heb gedaan, lijkt mij de kans groot dat de lezers van de advertentie niet onmiddellijk en vermoedelijk zelfs in het geheel niet zullen denken aan een bedrijf, onderneming of fabriek. De kans lijkt me groter dat zij zullen denken aan een psychiatrische of penitentiaire inrichting.
Voorbeelden van zakelijke systeemordeningscriteria die wel aansluiten bij het normale spraakgebruik zijn bouwen en bouwwerk. De Wabo verstaat onder bouwen: het plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten (van een bouwwerk).7 Het begrip bouwwerk is niet wettelijk gedefinieerd, maar in de jurisprudentie verduidelijkt: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.' Hoewel deze uit de modelverordeningen van de VNG afkomstige definitie tot veel jurisprudentie aanleiding heeft gegeven, sluit deze definitie, evenals die voor bouwen nog steeds aan bij het normale spraakgebruik. Er bestaat in de praktijk geen enkele twijfel over dat het bouwen van een woning juridisch kan worden gekwalificeerd als het bouwen van een bouwwerk. De jurisprudentie heeft met name betrekking op zaken die in het normale spraakgebruik niet zonder meer als bouwen van een bouwwerk worden gezien, zoals het schilderen of stucen van een woning.8
Drupsteen9 is van mening dat je in theorie wel kunt uitgaan van rechtssubjecten en objecten, maar hij werpt terecht de vraag op dat er bij het kiezen van samenhangcriteria gebaseerd op de echte werkelijkheid wel overeenstemming dient te zijn met wat iemand in de werkelijkheid als eenheid ervaart. En zelfs als dat lukt, dan gelooft Drupsteen hier niet in. Hij illustreert dat met het voorbeeld van de vraag of een wetssysteem kan worden gevormd op basis van het samenhangcriterium invalide'.In dat systeem zouden dan onder meer regels moeten worden opgenomen over de invaliditeitsuitkering, een invalideparkeerplaats, een aangepaste auto, omscholing en herhuisvesting.
Dat het niet ongelofelijk' is, illustreert Konijnenbelt: Er is een sterke neiging, de wetboeken compleet' te laten zijn, dat wil zeggen dat ze alle relevante wettelijke bepalingen over een bepaalde bevolkingsgroep bevatten (code rural, de l'artisa-nat) of betreffende een bepaalde materie (fiscale wetboeken, code du vin, enz.). Gevolg is dat de wetboeken omvangrijk zijn, 2.000 artikelen per wetboek is geen uitzondering. Bepalingen die worden ontleend aan andere wetboeken of aan andere wetten die ook afzonderlijk blijven bestaan, krijgen dan de vorm van een citaat (...). Om te voorkomen dat verschillende teksten die identiek moeten blijven, bij wijziging gaan uiteenlopen, wordt dan sedert enkele jaren de moederbepaling' soms uitdrukkelijk aangeduid als hoofdtekst (code pilote, aldus de te ruime benaming), terwijl de afgeleide teksten 'code suiveur' heten; wijziging van de moedertekst brengt dan automatisch wijziging van de afgeleide teksten mee.'10
Drupsteen ziet meer in een juridische indeling en opbouw die naar zijn oordeel langer beklijven. Hij wil het in het door hem gegeven voorbeeld wel gemakkelijker maken voor de invalide om zijn rechten en plichten te kunnen kennen, maar vraagt zich af of dat in de wet zelf moet gebeuren. Ik ben van mening dat de wetgever waar mogelijk moeite moet doen om wetssystemen zelf zo kenbaar mogelijk in te richten. Het door Drupsteen gegeven voorbeeld illustreert echter wel dat de keuze voor een bepaald samenhangcriterium elders wetssystematische tekorten kan veroorzaken. Als bijvoorbeeld wetssystemen op het gebied van belastingrecht regels kennen inzake invaliden, dan worden die regels uit die wetssystemen overgeheveld naar het wetssysteem dat wordt bepaald door het samenhangcriterium invalide. Die regels staan dan dus niet meer in de wetssystemen op het gebied van belastingrecht.