Einde inhoudsopgave
Richtsnoeren inzake de toepasselijkheid van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op horizontale samenwerkingsovereenkomsten
9.1 Inleiding
Geldend
Geldend vanaf 21-07-2023
- Redactionele toelichting
De datum van afkondiging is de datum van het Publicatieblad.
- Bronpublicatie:
21-07-2023, PbEU 2023, C 259 (uitgifte: 21-07-2023, regelingnummer: 2023/C 259/01)
- Inwerkingtreding
21-07-2023
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
21-07-2023, PbEU 2023, C 259 (uitgifte: 21-07-2023, regelingnummer: 2023/C 259/01)
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / EU-mededingingsrecht
515
Dit hoofdstuk biedt richtlijnen voor de beoordeling uit mededingingsoogpunt van overeenkomsten tussen concurrenten die een of meer duurzaamheidsdoelstellingen nastreven (‘duurzaamheidsovereenkomsten’). Naast deze algemene richtsnoeren heeft de Commissie zich ertoe verbonden informeel advies te verstrekken over nieuwe of onopgeloste vragen over individuele duurzaamheidsovereenkomsten via haar bekendmaking inzake informele richtsnoeren (1).
516
Duurzame ontwikkeling is een kernbeginsel van het Verdrag betreffende de Europese Unie en een prioritaire doelstelling voor de beleidsmaatregelen van de Unie (2). De Commissie heeft zich gecommitteerd aan de uitvoering van de duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties (3). Overeenkomstig deze toezegging tekent de Europese Green Deal een nieuwe groeistrategie uit die de EU moet omvormen tot een eerlijke en welvarende samenleving met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, waar vanaf 2050 netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten en de economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen (4).
517
In brede zin wordt met ‘duurzame ontwikkeling’ het vermogen bedoeld van de huidige samenleving om de beschikbare hulpbronnen te verbruiken en te gebruiken zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien, in gevaar te brengen. Dit omvat activiteiten die economische, ecologische en maatschappelijke ontwikkeling (waaronder arbeids- en mensenrechten) ondersteunen (5). De term ‘duurzaamheidsdoelstellingen‘ omvat dus, maar is niet beperkt tot, het tegengaan van de klimaatverandering (bv. door het reduceren van broeikasgasemissies), het beëindigen van verontreiniging, het beperken van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, het eerbiedigen van mensenrechten, het garanderen van een bestaansinkomen, het bevorderen van veerkrachtige infrastructuur en innovatie, het reduceren van voedselverspilling, het bevorderen van een omschakeling naar gezond en voedzaam voedsel, het waarborgen van dierenwelzijn enz (6).
518
Handhaving van het mededingingsrecht draagt bij aan duurzame ontwikkeling door daadwerkelijke mededinging te waarborgen, wat innovatie stimuleert, de kwaliteit en keuze aan producten vergroot, een doeltreffende toewijzing van hulpbronnen garandeert, de productiekosten vermindert, en daarmee bijdraagt aan het welzijn van de gebruikers.
519
Een punt van zorg ten aanzien van duurzame ontwikkeling is echter dat individuele productie- en consumptiebeslissingen negatieve effecten (‘negatieve externaliteiten’) kunnen hebben, bijvoorbeeld op het milieu, waarmee onvoldoende rekening wordt gehouden door de marktdeelnemers of de gebruikers die deze effecten teweegbrengen. Dit soort marktfalen kan worden tegengegaan of verholpen door collectieve maatregelen, met name door overheidsbeleid of (sectorspecifieke) regelgeving, en daarnaast door samenwerkingsovereenkomsten tussen ondernemingen die duurzame productie of consumptie bevorderen.
520
Wanneer dergelijk marktfalen wordt aangepakt door adequate regelgeving, zoals bindende Unienormen inzake verontreiniging, prijsmechanismen, zoals de EU-regeling voor de handel in emissierechten (‘EU ETS’) of belastingen, zijn aanvullende maatregelen van ondernemingen, bijvoorbeeld via samenwerkingsovereenkomsten, wellicht niet noodzakelijk. Samenwerkingsovereenkomsten kunnen echter een oplossing bieden voor resterend marktfalen dat niet of niet volledig worden aangepakt door overheidsbeleid en regelgeving.
521
In deze richtsnoeren verwijst de term ‘duurzaamheidsovereenkomst’ naar elke horizontale samenwerkingsovereenkomst die een duurzaamheidsdoelstelling nastreeft, ongeacht de vorm van de samenwerking. Duurzaamheidsovereenkomsten zullen op grond van artikel 101 alleen aanleiding geven tot mededingingsbezwaren als zij een mededingingsbeperkende strekking hebben of als zij merkbare feitelijke of waarschijnlijke negatieve gevolgen hebben voor de mededinging. Overeenkomsten die de mededinging beperken, kunnen niet aan het verbod van artikel 101, lid 1, ontsnappen door simpelweg te verwijzen naar een duurzaamheidsdoelstelling (7).
522
Wanneer duurzaamheidsovereenkomsten de mededinging beperken in de zin van artikel 101, lid 1, zullen deze niettemin voldoen aan artikel 101 indien zij voldoen aan de vier voorwaarden van de uitzondering waarin artikel 101, lid 3, voorziet. Gedetailleerde richtlijnen voor de toepassing van deze voorwaarden zijn opgenomen in de richtsnoeren van de Commissie betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3(8).
523
Duurzaamheidsovereenkomsten vormen voor de toepassing van artikel 101 geen afzonderlijke categorie van horizontale samenwerkingsovereenkomsten. Indien een horizontale samenwerkingsovereenkomst overeenkomt met een van de soorten horizontale overeenkomsten die onder de voorgaande hoofdstukken van deze richtsnoeren vallen en die overeenkomst ook een duurzaamheidsdoelstelling nastreeft, moet deze worden beoordeeld op basis van de richtsnoeren in het desbetreffende voorgaande hoofdstuk of de desbetreffende hoofdstukken, samen met de in dit hoofdstuk gegeven richtlijnen.
524
Dit betekent in de praktijk dat een O&O- of specialisatieovereenkomst die een duurzaamheidsdoelstelling nastreeft (bv. een overeenkomst tussen concurrenten om gezamenlijk een productietechnologie te ontwikkelen die het energieverbruik vermindert, of een overeenkomst om infrastructuur te delen met het oog op het verminderen van de gevolgen van een productieproces voor het milieu), en die dus ook als een duurzaamheidsovereenkomst kan worden aangemerkt, kan profiteren van de groepsvrijstellingsverordeningen die van toepassing zijn op O&O-overeenkomsten of specialisatieovereenkomsten, op voorwaarde dat aan de voorwaarden van die verordeningen wordt voldaan. Als niet aan de voorwaarden van de desbetreffende groepsvrijstellingsverordening is voldaan, is het noodzakelijk om een volledige beoordeling uit te voeren op grond van artikel 101, op basis van de richtlijnen in hoofdstuk 2 (in het geval van O&O-overeenkomsten) en de richtlijnen in hoofdstuk 3 (in het geval van productieovereenkomsten, waaronder overeenkomsten voor het delen van infrastructuur voor mobiele telecommunicatie), terwijl voor beide soorten overeenkomsten ook rekening moet worden gehouden met de in dit hoofdstuk gegeven richtlijnen. Evenzo moet een overeenkomst tussen concurrenten om als gezamenlijk te gebruiken component voor hun productie uitsluitend producten te kopen die een beperkte impact op het milieu hebben, of om uitsluitend bij leveranciers te kopen die aan bepaalde duurzaamheidsnormen voldoen, beoordeeld worden aan de hand van de richtlijnen in hoofdstuk 4 (over inkoopovereenkomsten) (9), waarbij ook rekening moet worden gehouden met de richtlijnen in dit hoofdstuk.
525
In geval van tegenstrijdigheid tussen de richtlijnen in dit hoofdstuk en de richtlijnen in de relevante voorgaande hoofdstukken voor de beoordeling van een bepaalde duurzaamheidsovereenkomst (hoofdstukken 2 tot en met 8), kunnen de partijen bij de overeenkomst vertrouwen op de richtlijnen in het hoofdstuk dat voor hen gunstiger is. Gezien hun specifieke kenmerken (zie de punten 540–544) moeten overeenkomsten voor duurzaamheidsnormen worden beoordeeld overeenkomstig de richtlijnen in afdeling 9.3(10), terwijl hoofdstuk 7 (standaardiseringsovereenkomsten) alleen meer achtergrondinformatie geeft over de voorwaarden die beide hoofdstukken gemeen hebben.
526
Dit hoofdstuk is als volgt opgebouwd: afdeling 9.2 bevat voorbeelden van duurzaamheidsovereenkomsten die de mededinging waarschijnlijk niet zullen beperken in de zin van artikel 101, lid 1; afdeling 9.3 geeft richtlijnen over specifieke aspecten van de beoordeling van duurzaamheidsovereenkomsten op grond van artikel 101, lid 1, en richt zich op de meest voorkomende duurzaamheidsovereenkomsten, namelijk die waarin duurzaamheidsnormen worden geformuleerd; afdeling 9.4 richt zich op specifieke aspecten van de beoordeling van duurzaamheidsovereenkomsten op grond van artikel 101, lid 3; afdeling 9.5 gaat in op de consequenties van de betrokkenheid van overheidsinstanties bij het afsluiten van duurzaamheidsovereenkomsten. Tot slot bevat afdeling 9.6 een beoordeling van hypothetische voorbeelden van duurzaamheidsovereenkomsten.
Voetnoten
De Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die in 2015 door alle landen die lid zijn van de Verenigde Naties is aangenomen.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — De Europese Green Deal (COM(2019) 640 final).
Zie bv. VN-Resolutie 66/288, op 27 juli 2012 aangenomen door de Algemene Vergadering.
De VN-agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling identificeert 17 doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (waaronder bijvoorbeeld doelstelling 2: honger uitbannen, voedselveiligheid tot stand brengen, de voeding verbeteren en duurzame landbouw bevorderen; doelstelling 7: toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie waarborgen; doelstelling 9: veerkrachtige infrastructuur bouwen, inclusieve en duurzame industrialisatie bevorderen en innovatie bevorderen; doelstelling 13: dringend actie ondernemen om de klimaatverandering (en de impact daarvan) te bestrijden, en 169 streefcijfers (waaronder bijvoorbeeld streefcijfer 9.1: ontwikkelen van kwalitatieve, betrouwbare, duurzame en veerkrachtige infrastructuur, met inbegrip van regionale en grensoverschrijdende infrastructuur, ter ondersteuning van de economische ontwikkeling en het menselijk welzijn, met klemtoon op een betaalbare en billijke toegang voor iedereen, en streefcijfer 13.1: de veerkracht en het aanpassingsvermogen versterken van met het klimaat in verband te brengen gevaren en natuurrampen in alle landen).
Zie afdeling 1.2.6. Het Hof van Justitie heeft erkend dat mededingingsbeperkingen die voortvloeien uit overeenkomsten of besluiten van ondernemersverenigingen buiten het toepassingsgebied van artikel 101, lid 1, kunnen vallen indien zij inherent zijn aan het nastreven van een legitiem doel en daarmee in verhouding staan (zie onder meer het arrest van het Hof van Justitie van 21 september 1999, Albany International, C-67/96, EU:C: 1999:430; zie arrest van het Hof van Justitie van 19 februari 2002, Wouters e.a., C-309/99, ECLI:EU:C:2002:98, en arrest van Hof van Justitie van 16 juli 2006, Meca-Medina en Majcen/Commissie, C-519/04 P, EU:C:2006:492).
Richtsnoeren van de Commissie betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag (‘richtsnoeren betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3’) (PB C 101 van 27.4.2004, blz. 97).
Zie punt 284.
Aangezien overeenkomsten voor duurzaamheidsnormen een subcategorie zijn van standaardiseringsovereenkomsten.