Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/7.2.1
7.2.1 De handelaar
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS384982:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 3.2.
HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Buruma.
Zie eveneens § 3.2.3 waarin een schema is gegeven van de manieren waarop de vrijheid van een ander kan worden ingeperkt. Deze vrijheidsbeperkende beïnvloedingsmiddelen vertonen overlap met de genoemde middelen in sub 1.
EHRM 13 november 2012, C.N. v. Verenigd Koninkrijk, appl.nr. 4239/08, EHRC 2013/73 m.nt. Lestrade.
EHRM 26 juli 2005, Siliadin v. Frankrijk, appl.nr. 73316/01, EHRC 2005/103 m.nt. Van der Velde, JV 2005/425 m.nt. Lawson. Zie § 5.4.4.
De delictsomschrijving van sub 1 lid 1artikel 273f Sr heeft betrekking op de handelaar die een wervingshandeling en een beïnvloedingsmiddel inzet met het oogmerk van uitbuiting. In het tweede lid van artikel 273f Sr staat voorts dat uitbuiting ten minste omvat de uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, met inbegrip van bedelarij, slavernij en met slavernij te vergelijken praktijken, dienstbaarheid en uitbuiting van strafbare activiteiten. Het eerste onderdeel is ingevoerd in 2005 naar aanleiding van het VN Protocol mensenhandel. De definitie van uitbuiting is eveneens gebaseerd op het VN Protocol alsmede de EU Richtlijn mensenhandel.1
De vraag die hier speelt is of het criminaliseren van de handelaar er tevens voor zorgt dat burgers die een ander in slavernij, dienstbaarheid of dwangarbeid houden, strafrechtelijk kunnen worden aangepakt. Bij de men- senrechten gaat het om de daadwerkelijke uitbuiting en dan met name de harmful exploitation. Tegelijkertijd stelt het EHRM dat preventief dient te worden opgetreden. Wat dat betreft is de voorfase van het delict dus wel degelijk relevant.
In onderdeel 1 staat het oogmerk van uitbuiting centraal. Blijkens het tweede lid van artikel 273f Sr, wordt onder uitbuiting tevens slavernij, dienstbaarheid of dwangarbeid geschaard. In tegenstelling tot het EVRM en het IVBPR is de Nederlandse strafbepaling in sub 1 expliciet gericht op de voorfase, de beoogde uitbuiting. Niettemin wordt er in de Nederlandse rechtspraak vanuit gegaan dat onder sub 1 eveneens de daadwerkelijke uitbuiting valt, zodat ook in de vervolgfase een strafrechtelijke aanpak mogelijk is. Op dit punt is de strafbaarstelling aldus in lijn met het mensenrechtelijk kader nu zowel preventief als repressief optreden mogelijk is.
De Nederlandse strafbaarstelling vult nader in op welke manier de uitbuiting wordt bereikt: door het inzetten van een beïnvloedingsmiddel en een wervingshandeling. Zorgt de nadere invulling van de manier waarop de uitbuiting wordt behaald nu voor een beperktere reikwijdte? Dat wil zeggen: zijn vormen van slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid denkbaar zonder dat door het gebruik van beïnvloedingmiddelen een wervingsactie heeft plaatsgevonden? Zowel de diverse wervingshandelingen als de beïnvloedingsmiddelen zijn breed interpretabel. In hoofdstuk 3 is reeds opgemerkt dat onder werven tevens is begrepen de illegale vreemdeling die op eigen initiatief aanbelt bij de dader die vervolgens misbruik maakt van de kwetsbare positie.2 Dat maakt het lastig een voorbeeld te bedenken waarbij een slachtoffer wél in een situatie van slavernij, dienstbaarheid of gedwongen arbeid verkeert, maar niét door beïnvloedingsmiddelen is geworven. De dader die iemand in slavernij, dienstbaarheid dan wel dwangarbeid houdt, zal dit slachtoffer op de een of andere manier hebben geworven of opgenomen. Bovendien gaan de beïnvloedingsmiddelen waarmee is geworven al snel gepaard met de verschillende uitbuitingsvormen. Slavernij behelst de toestand waarin iemand de volledige controle heeft over een ander. Dienstbaarheid betreft de binding van een individu om te leven en werken op andermans eigendom zonder de mogelijkheid te hebben te vertrekken. Gedwongen arbeid wordt uitgelegd als elke arbeid of dienst die van een individu wordt vereist onder dreiging van een straf en waarvoor het individu zich niet uit vrije wil beschikbaar heeft gesteld. Deze inbreuken op de vrijheid van een ander kunnen alleen worden veroorzaakt door de vrijheidsbeperkende middelen zoals genoemd in sub 1.3 Zonder een beïnvloedingsmiddel kan iemand andermans vrijheid niet beperken en iemand de ander dus niet in slavernij, dienstbaarheid of dwangarbeid houden. De twee componenten in sub 1, te weten een beïnvloedingsmiddel en een wervingsactie, zorgen aldus niet voor een enger bereik van uitbuiting. De slotsom luidt dan ook dat – alhoewel slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid niet expliciet zijn gecriminaliseerd – sub 1 materieelrechtelijk gezien het verbod op deze uitbuitingsvormen behelst. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat de Nederlandse staat vóór 2005 onvoldoende maatregelen heeft genomen. Immers, slavernij, dienstbaarheid, en dwangarbeid waren toen niet strafbaar, terwijl artikel 4 EVRM noopte tot een verbod op deze praktijken.
Wel zij opgemerkt dat indien in de praktijk zou blijken dat daadwerkelijke vormen van slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid niet worden aangepakt op grond van artikel 273f Sr, het EHRM alsnog tot het oordeel kan komen dat artikel 4 EVRM wordt geschonden en dat dit te wijten is aan de strafbepaling. In de zaak C.N. tegen Verenigd Koninkrijk concludeerde het Hof immers eveneens dat sprake was van een schending aangezien het Verenigd Koninkrijk met haar mensenhandelstrafbaarstelling (een wervingshandeling met het oogmerk van uitbuiting) de dienstbaarheid zelf niet uitdrukkelijk strafbaar had gesteld.4 Dat de zaak door Engeland niet werd aangemerkt als een ‘overtuigend vermoeden van dienstbaarheid’, had volgens het Hof met deze gebrekkige wetgeving te maken. Ook in de zaak Siliadin tegen Frankrijk waarin uitbuiting strafbaar was gesteld (de uitbuiting van werk waarbij de leef- en werkcondities in strijd zijn met de menselijke waardigheid), oordeelde het EHRM dat onvoldoende bescherming mogelijk was tegen situaties van slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid omdat deze situaties als zodanig niet in de strafbepaling waren geclassificeerd.5 Indien dus blijkt dat sub 1 niet functioneert, bestaat de kans dat het EHRM alsnog specifieke strafbaarstelling vereist. De strafbaarstelling van slavenhandel in artikel 284 Sr kan hier niet als vangnet fungeren. Deze bepaling heeft betrekking op ‘handel’, niet op de slavernij zelf en bovendien vallen situaties van dienstbaarheid en dwangarbeid er niet onder.