De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/7.2.5:7.2.5 De profiteur
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/7.2.5
7.2.5 De profiteur
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS390999:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Sub 6 stelt strafbaar degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. Sub 7 stelt strafbaar degene die opzettelijk voordeel trekt uit de verwijdering van organen van een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat diens organen onder de onder 1° bedoelde omstandigheden zijn verwijderd. Sub 8 stelt strafbaar degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een minderjarige met een derde tegen betaling of de verwijdering van diens organen tegen betaling. Sub 9 stelt strafbaar degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde of van de verwijdering van diens organen.
Deze subleden vinden hun oorsprong in de Nederlandse strafbaarstelling van mensenhandel uit 2000. In dat jaar is het algemene souteneurschap opgeheven, en in de plaats daarvan is de souteneur van onvrijwillige prostitutie of prostitutie van minderjarigen strafbaar gesteld. Het laatste sublid is voorts opgenomen omdat gevreesd werd dat anders niet effectief kon worden opgetreden tegen gedwongen afgifte van de opbrengst van vrijwillige prostitutie.1 Naar aanleiding van het VN Protocol mensenhandel zijn de subleden vanaf 2005 uitgebreid met overige uitbuiting en/of (betaalde) orgaandonatie.2
De onderdelen 6, 7 en 8 stellen slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid niet specifiek strafbaar. Dergelijke praktijken kunnen zich wel voordoen binnen de genoemde subleden. Uitbuiting (sub 6), gedwongen orgaandonatie (sub 7) en betaalde seksuele dienstverlening van minderjarigen (sub 8) kunnen immers tevens slavernij, dienstbaarheid of dwangarbeid betreffen. Op het moment dat hiervan voordeel wordt getrokken, wordt gehandeld in strijd met artikel 4 EVRM. Artikel 4 EVRM-praktijken kunnen echter ook plaatsvinden buiten de omstandigheden van deze subleden. Iemand kan een ander immers tot slaaf maken zonder dat hij daar voordeel van geniet. Vanuit mensenrechtelijk perspectief zijn de subleden 6, 7 en 8 naast de andere subleden in lid 1 overbodig.
Sub 9 betreft de strafbaarstelling van de gedwongen afgifte van de opbrengsten uit vrijwillige seksuele dienstverlening. Aangezien de verrichte arbeid zelf niet gedwongen is, ligt het minder voor de hand om situaties van slavernij, dienstbaarheid of dwangarbeid hier onder te brengen. Het onderdeel is niet vereist in het kader van de mensenrechten.