Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VI.3.6.d
VI.3.6.d Een verbod op uitoefening van het stemrecht
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS373742:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Eerder ging ik er vanuit dat een verbod op de uitoefening van het stemrecht niet hetzelfde was als de schorsing van het stemrecht. Nu de facto in ieder geval het resultaat wel identiek is, zal ik de beide begrippen naast elkaar hanteren. Zie Bulten (2005), p. 51, noot 45.
Aldus luidt de motivering in de toelichting, zie Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 10.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 20. Overigens vond het NGB (Nota NGB (1978), p. 7) dat het stemrecht automatisch geschorst diende te zijn vanaf het toewijzend uitstotingsvonnis.
Kamerstukken 18 905, nr. 57a (MvA), p. 2.
In Hoffmann verbood de rechtbank (Amsterdam 28 maart 2001, JOR 2001/110) Senior het stemrecht over zijn aandelen uit te oefenen. Senior had aangekondigd in hoger beroep te zullen gaan van zijn uitstoting, dus zag de rechtbank aanleiding het verbod uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Kamerstukken 18 905, nr. 57a (MvA), p. 2. Westbroek vond dat de wetgever hier de goede oplossing koos. Besluiten van een vennootschap waren een 'rechtmatige zaak' en niet aantastbaar. Zie Westbroek (1991), p. 21-22.
Rb. Amsterdam 28 maart 2001, JOR 2001/110 (Hoffmann), ro. 8. De omstandigheid dat niet een duidelijk onderscheid was aan te brengen in de gedragingen van Senior als directeur, aandeelhouder of privé-persoon kon hierbij niet ten nadele strekken van de vennootschap, vond de rechtbank. Ook Losbl. Rp. (Roest), art. 339, aant. 4, vond dat een eiser een redelijk belang bij de het verval van het stemrecht moet hebben.
Rb. Zwolle-Lelystad 27 mei 2009, JOR 2009/280 (lctrack).
De wetgever gaat er vanuit dat art. 223 Rv geldt voor de huidige geschillenregelingprocedure. De toelichting verduidelijkt namelijk dat art. 338 lid 3 Wv Flex-BV slechts een 'herinnering' betreft, omdat 'de rechter op grond van het voor dagvaardingsprocedures in het algemeen geldende artikel 223 Rv voorlopige voorziening kan treffen', Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 102. Ingevolge de schakelbepaling van art. 343 lid 2 Wv Flex-BV geldt de 'melding' van de voorlopige voorziening ook voor de uittredingsprocedure.
Aldus ook Losbl. Rp. (Roest), art. 339, aant. 4. Art. 2:339 lid 2 BW is in ieder geval zeker niet (ook) een specialis van de voorlopige voorziening van art. 254 Rv. Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 708 sub c, zien de schorsing van het stemrecht van art. 2:339 lid 2 BW als `een soort voorlopige voorziening'.
Aldus de vierde aanpassing van Leijten (1997), p. 88, die hij herhaalde in 2000, zie Leijten (2000), p. 14. Zie bijv. Gerretsen (2005), p. 42-43. Zie ook Driessen (2005), p. 582 die de eis van spoedeisendheid aan de voorlopige voorziening verbond.
De rechter kan in het vonnis waarin hij de uitstoting beveelt tevens de gedaagde verbieden het stemrecht uit te oefenen op zijn te zijner tijd over te dragen aandelen (art. 2:339 lid 1 BW).1 De overdracht van de aandelen kan op zich laten wachten, omdat deskundigen mogelijk eerst een bericht omtrent de waarde van de aandelen moeten uitbrengen. In de tussentijd kan het van belang zijn dat de uit te stoten aandeelhouder geen invloed meer heeft op besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders.2 Door het verbod op uitoefening van het stemrecht kan reeds in een vroeg stadium een einde worden gemaakt aan de moeilijkheden in de vennootschap, was de gedachte van de wetgever.3 Overigens zag de wetgever het verbod tevens als een gebod voor de vennootschap om de aandeelhouder niet tot de stemming toe te laten.4 Hij mocht de andere aan zijn aandelen verbonden rechten wel blijven uitoefenen, de toegang tot de algemene aandeelhoudersvergadering kan hem niet worden ontzegd. Ook het recht op dividend komt deze aandeelhouder toe.
De uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het verbod is niet uitgesloten, zoals bij het bevel tot uitstoting wel het geval is. Hoger beroep of cassatie heeft dus geen schorsende werking, de aandeelhouder kan niet stemmen op zijn aandelen.5 Dit leidde tijdens de parlementaire behandeling tot de vraag wat de gevolgen waren van een vernietiging van een vonnis waarin naast de uitstoting (en een deskundigenbenoeming voor de aandelenwaardering) het verbod op het uitoefenen van het stemrecht was bevolen, met de uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring van het laatste. De minister antwoordde dat zo'n vernietiging zonder vennootschapsrechtelijke gevolgen bleef. De besluiten genomen in de stemrechtloze periode behouden hun geldigheid. Het verbod kan ongedaan worden gemaakt in hoger beroep, maar niet met terugwerkende kracht.6
De eisende aandeelhouder moet het verbod vorderen. Ambtshalve toepassing is gezien de wettekst niet mogelijk. Uit de toewijzing van de uitstotingsvordering volgt niet automatisch dat het stemrecht deze aandeelhouder niet langer toekomt. De rechter dient het verbod apart te toetsen. Uit de gepubliceerde jurisprudentie blijkt van slechts één zaak waarin een verbod was gevraagd, de casus Hoffmann. De rechtbank vond dat de impasse in de besluitvorming binnen de vennootschap in overwegende mate aan de gedragingen van de uit te stoten vader was te wijten. Op die grond werd het verbod toegewezen.7
Het schorsen van het stemrecht is alleen mogelijk in een uitstotingsprocedure, waarin het gedrag van de gedagvaarde aandeelhouder in het geding is. Voor de uittreding is een dergelijke tijdelijke maatregel ook niet nodig, nu in die procedure niet het gedrag van de aandeelhouder wiens aandelen worden overgedragen, ter discussie staat.
De schorsing van het stemrecht kan niet in een eerder stadium van een uitstotingsprocedure gevorderd worden, aldus de rechtbank te Zwolle-Lelystad.8 De rechtbank achtte toewijzing van de incidentele vordering tot het treffen van een provisionele voorziening ex art. 223 Rv prematuur. De schorsing van het stemrecht houdt volgens haar op grond van art. 2:339 lid 2 BW verband met de toewijzing van de uitstoting. De wet voorziet dus niet in 'een vooruitlopen op die beslissing wat betreft het op voorhand al ontnemen van het stemrecht'.
Mijns inziens is deze gedachte onjuist. De wet voorziet met art. 223 Rv nu juist wél in een mogelijkheid om in iedere stand van het geding een voorziening, bijvoorbeeld de schorsing van het stemrecht, te treffen. Art. 2:339 lid 2 BW is niet een /ex specialis van art. 223 Rv. De in de wetgeschiedenis genoemde doelstelling om in een vroeg stadium een einde te maken aan de moeilijkheden in de vennootschap, is met de voorlopige voorziening nu precies gediend. Bovendien zou anders in de uittredingsprocedure een voorlopige voorziening ex art. 223 Rv mogelijk zijn, maar door art. 2:339 lid 2 BW bij de uitstoting niet. De wetgever gaat ook niet uit van deze specialis-gedachte. De schorsing van het stemrecht gaat op in de in art. 338 lid 3 Wv Flex-BV verruimde mogelijkheid van het treffen van voorlopige voorzieningen 'als bedoeld in art. 223 Rv'. Zo'n vordering wordt met de meeste spoed behandeld. Wachten tot de uitstoting bevolen is, is niet nodig.9 Tot slot geldt dat, geheel vooruitlopend op het starten van een uitstotingsprocedure, de aandeelhouder alvast in kort geding ex art. 254 Rv de schorsing van het stemrecht kan vorderen.10
Bij de vordering tot overgang van het stemrecht van een gerechtigde is de schorsing van het stemrecht ex art. 2:349 lid 2 jo. 2:342 lid 2 BW eveneens mogelijk. Ook hier geldt dat de rechter zulks pas bij de toewijzing van de vordering tot overdracht kan bevelen. Tijdens de procedure kan de schorsing van het stemrecht bij wijze van incident in een eerder stadium gevorderd worden, zo blijkt uit een uitspraak van de rechtbank Amsterdam uit 2008. De rechtbank achtte een dergelijke provisionele voorziening ex art. 223 Rv in een geschillenregelingprocedure dus anders dan de rechtbank Zwolle-Lelystad in de hiervoor besproken uitspraak — wel toegestaan. Na een belangenafweging zag de rechtbank Amsterdam echter geen reden de incidentele vordering toe te wijzen.11
De uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad toont dat de mogelijkheid van het schorsen van stemrecht in art. 2:339 lid 2 BW slechts verwarring schept. Indien zij geschrapt wordt, dient dit de duidelijkheid. Een verwijzing naar art. 223 Rv teneinde aan te geven dat iedere voorlopige voorziening getroffen mag worden, kan verhelderend zijn. In het wetsvoorstel Flex-BV is in deze verwijzing voorzien. Enkele schrijvers in de literatuur waren al langer voorstander van de mogelijkheid om voorlopige voorzieningen in iedere stand van het geding, al dan niet expliciet,
toe te staan. Leijten wees op de onmiddellijke voorzieningen van het enquêterecht van art. 2:349a lid 2 BW en opperde een soortgelijke bepaling te introduceren bij de geschillenregeling.12